Laarzen aan voor een tripje door "Zevenmijlsland".

 

Over reuzen schrijven, het lijkt zo makkelijk en het is ... zo moeilijk. Want waar moet je in godsnaam beginnen? Bij Harry Potter met zijn reus Hagrid? Bij Klein Duimpje? En was dat Duimpje klein omdat de reus een ťchte reus was, of was die reus gewoon groot omdat Duimpje zo petieterig was? Wie zal het zeggen?

We beginnen misschien best bij onze reislustige Gulliver die eerst in Lilliputterland terechtkomt en daarna in Brobdingnag zelf gedegradeerd wordt tot nietige dwerg, maar in feite gewoon maar mens blijft.

Voor kinderen zijn reuzen doodnormaal, maar ook volwassenen vinden een reus de moeite waard om er te blijven bij stilstaan. Onze Baas Gansendonck is er het sprekend bewijs van.

Ook in onze taal is het begrip "reus" niet meer weg te denken. Iets groot omschrijven we als reusachtig, wij spreken van "reuzeleuk", de eerste stap op de maan was een "giant step for mankind". Een klein moedig mannetje noemen we een "Davidje", maar die David versloeg wel de reus Goliath en de Titanic verwees naar de Griekse Titanen. In de 20e eeuw vond C.G. Jung (tijdgenoot en collega van S. Freud) dat de reuzen perfect pasten in zijn theorie van de "archetypen".

Reuzen zijn van alle tijden en van overal. In alle sagen, mythen en verhalen komen we ze tegen... en ... dan rijst de vraag... hebben ze misschien werkelijk bestaan?

Om de overgang met de mythen minder groot te maken beginnen we met "zekerheden", met verhalen uit de min of meer recente geschiedenis waarin verwezen wordt naar grote, zeer grote mensen, maar toch nog altijd mensen van vlees en bloed.

Hugo Westdorp, 22-juni-2005