Reuzen in de Germaanse godenwereld.

 

De Germaanse godenwereld is bij ons heel wat minder bekend dan de Griekse of Romeinse. Nochtans behoort deze mythologie, als je het nuchter bekijkt, meer bij ons verleden dan die van Rome, Athene, Sparta,enz. De hang naar een klassieke opleiding, de renaissance, en de idee dat alles wat niet Romeins was, meteen ook barbaars was, zal daar allicht wat mee te maken hebben.

Tijd om ons dus eens even bezig te houden met die "barbaren".

Ook de Germaanse beschaving heeft haar grote klassiekers. Vanuit een ver, duister en niet meer te achterhalen verleden, zijn verhalen en liederen mondeling overgeleverd die men later (in de zeventiende eeuw) de "edda's " zijn gaan noemen. Zij waren gemeengoed in de hele Germaanse beschaving, zowel in de Scandinavische landen als op het Europese vasteland. Namen konden verschillen, de basis was hetzelfde; zo heetten de Scandinavische Odin en Thor respectievelijk Wodan en Donar op het "vasteland". Eigenlijk vind je dezelfde situatie in de Grieks/Romeinse mythologie waar bv. De Griekse Zeus in Rome plots Jupiter wordt, met behoud van status en functie.

De Edda-goden vertonen in zoverre gelijkenis met de Grieks/Romeinse goden, dat ook zij projecties zijn van gewone alledaagse mensen, met speciale gaven weliswaar, maar evenveel karaktertrekjes, onhebbelijkheden en kwetsbare kantjes.

Dat het ten tijde van het ontstaan van de wereld moet gewemeld hebben van alle mogelijke rare wezens, dus ook reuzen en dwergen, zijn we al gewend. Hoe moest men anders het onverklaarbare proberen te verklaren?

Een poging dus om de vreemde Germaanse scheppingsverhalen samen te vatten.

In den beginne (nog voor de tijd dat de dieren spraken) was er enkel de grote leegte; Ginnungagap, de grote afgrond. Er was geen hemel, geen aarde, geen zand, geen rotsen, geen zee, geen planten, geen dieren, geen mensen...niets.

Aan de ene kant van de afgrond bevond zich het ijskoude noordelijke Niflheim, donker, mistig, onherbergzaam, ijzig. Aan de andere kant bevond zich het vuurrijk in het zuiden: Muspelheim, een gebied vol vuur, vlammen en alles verzengende hitte. Hier heerste de vuurreus Surt.

Toen stroomden vanuit het noordelijke Niflheim 12 ijzige rivieren naar beneden. Ze waren ontstaan uit de bron Hvergelmir (het bruisvat). In de vorm van grote gletsjers schoven ze op naar de rand van de afgrond.
Tegelijkertijd was er ook in het zuidelijke Muspelheim een verhoogde activiteit waar te nemen! Een reusachtige brand flakkerde op en een gloeiende vlammenzee rolde in de richting van de oprukkende ijsmuur.

Toen beide samenkwamen, smolt een deel van het giftige ijs van Niflheim en uit het water dat neer druppelde in de afgrond ontstond het eerste levende wezen; de oerreus YMIR. Hij was de stamvader van het hele ras van woeste reuzen!!!

(Probeer in deze verhalen geen logica te vinden want die is er niet, net zomin als in elke andere mythologie; er zijn gebeurtenissen die elkaar tegen spreken, die onverklaarbaar zijn en getuigen van een immense fantasie... maar dat net is eigen aan mythologie.)

Eens, toen Ymir sliep, begonnen zijn oksels en zijn kruis te dampen en uit die stoom sprongen zijn kinderen te voorschijn. Uieraard waren ook zij reuzen, alleen waren ze iets minder groot dan "papa". Ze noemden zichzelf de Geweldigen (Thursen) of Veelvraten (Joten).

Samen met Ymir was er echter nog een ander schepsel ontstaan uit de ontmoeting tussen ijs en vuur, nl. Audumbla, de (oer)koe. Uit haar grote uier ontsprongen vier melkrivieren en die voedden Ymir. De koe voedde zichzelf door aan het zoute ijs te likken. Toen ze de eerste dag likte, verscheen er een lok haar uit het ijs, de tweede dag verscheen er een mannenhoofd en de derde dag ontworstelde zich een volledige man uit het ijs. Dat was Bor of Buri, de eerstgeborene, de eerste boer ook. Hij werd de stamvader van het geslacht der Asen (Aesir). Ook hier moet de drang naar vrouwtje, huisje, kindje al heel groot geweest zijn, want hij trouwde met één van de dochters van Ymir, de reuzin Bestla, zij leefden lang en gelukkig en kregen kindertjes, de Asen: Odin, Wile (Wili) en We.

En zoals het goede pubers betaamt, schopten die drie nogal wild om zich heen, dit tot grote ergernis van Ymir. En je weet hoe dat gaat, ook toen al bracht het ene woord het andere mee en het liep allemaal een beetje veel uit de hand. Om een lang verhaal kort te maken: Odin greep in een bui van ongecontroleerde puberale drift de speer van zijn vader en doodde de oude reus. Nu zou hiervoor, heden ten dage, direct een witte mars georganiseerd worden... toen niet! Want... er stond iets moois (alhoewel, iets moois?) te gebeuren. Samen met zijn broers Wile en We droeg de moordenaar het lijk van de oude reus naar het centrum van Ginnungagap en -blijkbaar als boetedoening, bezigheidstherapie of sociaal dienstbetoon- schiepen zij uit het lijk de hele wereld. Van het vlees van de reus maakten ze de aarde, van de beenderen de bergen, van zijn bloed schiepen ze de zeeën en de meren. Zijn haren gebruikten ze om de plantenwereld te vormen en van zijn tenen en tanden maakten ze rotsen en stenen!

De schedel van Ymir diende om het hemelgewelf te vormen. En om dat de nodige stevige basis te geven werd het aan de vier hoeken gesteund door vier dwergen. Die droegen de namen Nordi, Sudri, Austri en Vestri. Hun namen dienden later om de vier windstreken aan te duiden. De vier dwergen waren niet zo maar gewone kabouters, neen, in feite waren het vier maden die in het lichaam van Ymir hadden geleefd maar van de goden een menselijke vorm en intelligentie hadden gekregen.

De wereld die de goden hadden geschapen bestond uit een platte schijf, omgeven door de wereldzee. Aan de overkant van die zee kregen de reuzen van de goden een land om te bewonen. Het werd "het buitenrijk" of "Utgard" genoemd, of ook nog "Jotenheim" of "reuzenrijk".

Maar!!! Omdat de goden de reuzen niet verder vertrouwden dan hun neus lang was, werd in het midden van de wereldschijf "het middenhof" of "Midgard" opgericht. Dat werd door muren beschermd die gebouwd waren met de wenkbrauwen van Ymir. En midden in die versterkte vesting bevond zich "Asgard", de burcht van de Asen. De verbinding tussen Midgard en Asgard kwam tot stand door "Bifröst", een regenboogbrug! En diep onder de wereld bevond zich tenslotte "Helheim" of het dodenrijk.

Het is nu wel duidelijk waar Tolkien de mosterd haalde, denk ik.

De Wereldes, de boom "Yggdrasil" moest al deze gebieden samen houden. De takken van deze geweldige boom reikten tot in de hemel en de wortels verbonden alle rijken. Aan de voet van de es bevond zich de bron van het lot die verzorgd werd door de drie reusachtige schrikgodinnen "de Nornen". Deze drie lieftallige dames sponnen het net van het lot van de wereld. Urd was de oudste en spon de draad van het verleden, Skuld was de jongste en hield zich bezig met de toekomst (de jeugd is de toekomst!!!) en de middelste Werdani spint aan het heden.

Aan de wortels en de voet van de boom zat de draak "Nijdtand" (Niddhögg) grimmig te knagen, hij staat voor afgunst en grimmigheid.

Er lopen ook nog enkele mannetjes-herten rond die zich verzadigen aan de bast en de bladeren van de es en hoog in het gebladerte woont de zonne-arend die overhoop ligt met Niddhögg. Oorzaak van de ruzie: "Ratatosk" (Twistzaaier), een intrigerend eekhoorntje dat constant de boom op en neer kruipt om de twee tegen mekaar op te zetten.

Als je nu denkt dat de Asen met dit geweldige werk tevreden zouden zijn, heb je het mis voor. Drie van hen (Odin, Hoenir en Loki) wilden nét een ietsje meer. Bij het overschouwen van hun schepping zagen ze aan de bosrand twee jonge boompjes staan; een es (Ask) en een olm (Embla). Hieruit besloten zij de mensen te maken... als bekroning van hun werk (als ze het op voorhand geweten hadden... ze waren er nooit aan begonnen). Odin gaf de mens zijn bezielende adem, Loki gaf ze het warme bloed en de levenslust en Hoenir schonk de mensen de geest. Dat was meteen de start voor het eerste mensenpaar: Ask, de man en Embla, de vrouw!

En...zoveel duizenden jaren later zit de wereld er nog mee...

Bronnen: Dan Lindhorn en Knuthuus

 

Hugo Westdorp

 


Laatste aanpassing: 9-april-2007