Sonnet geschreven ter gelegenheid van de creatie door Marnixring De Loteling van de reus Baas Gansendonck.

 

Baas Gansendonck

 

Gestruikeld vaak en steeds weer uitgegleden,
ten prooi aan de verdachte elementen,
heeft hij zo menig scheve schaats gereden
en werd alleen een blaaskaak met wat centen.

 

Zijn dagtaak een baron zich in te prenten,
met groot verstand en nadoen wat zij deden,
bracht hem naar verheven sentimenten.
Ver weg van 't leven dat de boeren leden.

 

Maar voor zo'n zaak bleek hij toch veel te zwak,
te zwak de benen die de weelde moesten dragen,
waardoor de reus in zeven stukken brak.

 

Hij zou er hun gezondheid nog aan wagen.
Die lief had laten worden tot een wrak,
door eergevoel en al zijn nederlagen.

 

Cornelis van Dijk, juni 2005