Hendrik Conscience - Wat eene Moeder lijden kan.

[Uit: De Volledige werken van Hendrik Conscience. Brussel, A.N. Lebgue & Co., 1884]


I.

Het was uitermate koud in de laatste dagen der maand Januari 1841. De straten der stad Antwerpen hadden hun winterkleed aangenomen en glinsterden van zuivere witheid; de sneeuw viel echter niet bij zachte vlokken, noch verheugde het oog met hare duizende dooreenspelende pluimkens; integendeel, zij viel kletterend en als hagel tegen de vensterglazen der geslotene huizen, en de bittere noordewind joeg de meeste burgers, die zich op hunne dorpels vertoonden, terug naar de gloeiende kachel.

Niettegenstaande de bitsigheid der koude, en alhoewel het slechts negen uren in den morgen was, zag men, mits den Vrijdag, vele personen voorbijgaan. De jongelieden poogden zich door loopen te verwarmen, de groote burgers bliezen grimmend in de vingeren, en de werklieden sloegen zich met de armen om het lichaam.

Op dit oogenblik ging er eene vrouw vrij langzaam door de Winkelstraat, welker inwoners zij wel moest kennen, daar zij uit en in de arme huizen ging, en deze telkens met eene uitdrukking van genoegen verliet. Een satijnen mantel, die gewis met watten gevuld was, bedekte hare fijne leden; een fluweelen hoed drukte haar zwierig hoofd en hare wangen, die een weinig door de zure lucht verpurperd waren; eene boa omslingerde haren hals, en hare handen verborgen zich in een fraaien moffel. Deze juffer, die genoegzaam rijk scheen, bevond zich op den dorpel van een huis, in hetwelk zij gereed stond om binnen te treden, toen zij eensklaps in de verte eene andere juffer harer kennis zag aankomen; zij bleef bij de deur der arme woning staan, totdat hare vriendin haar nabij was; dan ging zij haar met eenen gullen lach te gemoet, en sprak haar aldus aan:

"Goeden dag, Adela. Hoe gaat het?"

"Tamelijk wel, en met u?"

"God zij dank, ik ben gezond en zoo verheugd, dat ik het u niet zeggen kan."

"Waarom? Het schijnt mij, dat het weder zoo vermakelijk niet is."

"Ja, voor mij wel, Adela. Ik ben nog maar een uur uit het bed, en reeds heb ik twintig arme woningen bezocht. Maar ik heb armoede gezien, lieve Adela, armoede, dat het hart er van breken zou. Honger, koude, ziekte, naaktheid, het is onbegrijpelijk. Ho, ik acht mij gelukkig, bemiddeld te zijn; want het is zoo verheugend goed te doen!"

"Men zou zeggen, dat gij goesting hebt om te weenen, Annah! Ik zie water in uwe oogen blinken; - wees toch zoo gevoelig niet. De arme menschen zijn immers dezen winter zoo niet te beklagen? Zie eens wat uitdeelingen er geschieden: kolen, brood, aardappelen, het wordt er alles in overvloed gegeven. Gisteren zelfs schreef ik nog in voor vijftig franken; en ik mag u wel zeggen, dat ik liever mijn geld laat uitdeelen dan zelve in al die vuile woningen te gaan."

"Adela, gij kent geene arme menschen. Oordeel ze niet op die slordige bedelaars, die het rondhalen van aalmoezen als een goed ambacht aanzien, en hunne kleederen met inzicht vervuilen en scheuren, om den afschrik en het medelijden in te boezemen. Kom met mij, ik zal u werklieden toonen, wier kleederen niet gescheurd zijn, en wier mond zich niet zal openen om te vragen, maar alleen om te danken en te zegenen. Gij zult den afgrijselijken honger op hunne wezenstrekken geschilderd zien, - het zwarte brood bevrozen tusschen de verstijfde vingeren der kinderen, de tranen der moeder, de sombere wanhoop des vaders.... Ho! sloegt gij uw oog op dat stomme tafereel van smart en lijden, wat engelenblijdschap zoudt gij vinden in dit alles met een weinig gelds te veranderen. - Gij zoudt die arme kinderen zich dansend aan uwe kleederen zien hechten; de moeder met saamgevoegde handen u toelachen; den vader, door dankbaarheid verdwaald, uwe fijne hand in zijne beenige handen drukken en ze met brandende tranen besprengen! - En dan, dan zoudt gij ook tranen van zaligheid storten, Adela, en gij zoudt uwe handen aan de hunne, hoe ruw ook, niet onttrekken.... Zie, Adela, de gedachtenis van zulke stonden ontroert mij te zeer!"

Terwijl Annah met diep gevoel en met treffende stem dit tafereel schetste, had hare vriendin niet gesproken; zelfs niet van die korte woorden of klanken, welke de deelneming van den aanhoorder aanduiden. De ontroering harer vriendin was geheel in haar overgegaan; en toen Annah haar aanzag, was zij juist bezig met eenen zakdoek uit haren moffel te halen, om twee tranen, die op hare wangen gingen rollen, uit hare oogen te vegen.

"Annah," sprak zij, "zie, ik ga met u de arme menschen bezoeken. Ik heb geld genoeg in mijne tasch. Laat ons dezen ganschen morgen besteden aan goede werken. Ho, wat ben ik blijde, dat ik u ontmoet heb."

De goede Annah bezag hare vriendin met aandoening, en haar gelaat drukte genoeg uit, hoe gelukkig zij zich achtte, eene weldoenster meer aan hare medeburgers te hebben bezorgd. Door Adela gevolgd, gingen zij eenige stappen verder in een huis, waar zij wist dat ongelukkigen te vinden waren.

Het huis, op welks dorpel zij stond, toen zij hare vriendin zag aankomen, werd vergeten; dit was haar echter te vergeven, aangezien zij er nog nooit binnen geweest was, en alleenlijk er meende in te gaan om te zien, of het misschien aan geene haar nog onbekende arme huisgezinnen ten woon verstrekte.


II.

In eene kamer van het huis, waarbij de weldadige juffrouw was blijven staan, woonde een ongelukkig huisgezin. Vier naakte muren waren hier de stomme en eenige getuigen van pijn en lijden; en het gezicht van het smartelijk schouwspel, dat zich daar vertoonde, vervulde het hart niet alleen met droefheid, maar ook met een zeker gevoel van haat tegen de samenleving. De lucht was er zoo koud als op de straat, en eene zekere vochtigheid drong door de kleederen van hen, die er zich bevonden; in den haard brandde een klein vuur, dat met stukken van gebrokene meubelen gevoed werd, en als met moeite van tijd tot tijd eenige schaarsche vlammen vertoonde. In een bed, dat in het midden der kamer stond, lag een ziek kindje, dat niet boven n jaar oud kon zijn; zijn geel aangezichtje, zijne magere armkens en zijne ingetrokkene oogskens deden met reden gissen, dat eene plaats op Stuivenberg [Begraafplaats bij Antwerpen] het onnoozel wicht weldra zou ontvangen. Op eenen zwaren steen nevens het kind zat eene jonge vrouw met de handen voor de oogen. Hare kleederen, alhoewel samengesteld uit stoffen, waarvan de kleuren door den tijd vergaan waren, droegen de kentekens niet der armoede, welke de hulp van het openbaar afsmeekt; integendeel kon men bemerken aan hunne netheid en aan de menigvuldige, doch bijna onzichtbare naden, met hoeveel zorg zij gepoogd had hare noodwendigheid te verbergen.

Van tijd tot tijd ging er een benepen zucht uit haren boezem op, en eenige druppelen waters leekten van de punten harer vingeren, waarmede zij zich het aangezicht bedekt hield. Nochtans, bij de minste beweging van het kranke kind hief zij bevend het hoofd op, bezag snikkend en met afgrijzen zijne verdorde wangen, duwde het deksel wat nader bij zijne koude ledematen, en viel dan weder wanhopig en weenend ineen op den steen.

De diepste stilte heerschte in dit rampverblijf; alleen de hagelsneeuw kletterde tegen de vensterglazen; de wind loeide in den schoorsteen.

Reeds was de vrouw eenigen tijd, als slapend, op den steen blijven zitten; het kranke kindje had zich niet bewogen, en zij had het hoofd niet opgeheven; zelfs scheen zij niet meer te weenen; want er blonk geen water meer aan hare vingeren. - Het was er in de kamer als in een graf, door dooden bewoond, en dat zich nimmer ontsluiten moest.

Eensklaps ging er eene zwakke stem uit den haard op:

"Moeder! moeder lief, ik heb honger!"

Degene, die deze klacht had voortgebracht, was een jongen van vijf of zes jaar, die zich in den hoek van den haard bevond en zoodanig bij het vuur ineengekropen was, dat men hem met moeite zou bespeurd hebben. Hij beefde en trilde, alsof de koorts hem over het lichaam rees; en met meer aandacht kon men hooren, hoe zijne tanden van koude tegen elkander ratelden.

Hetzij de vrouw zijne klacht niet gehoord had, of zich in de onmogelijkheid bevond om aan zijne vraag te voldoen, zij antwoordde hem niet en bleef zitten zonder zich te verroeren. Er volgde dan weder een oogenblik van doodsche stilte; doch weldra verhief de jongen zijne stem en riep:

"Moeder lief, ik heb honger. Och, geef mij een klein stuksken brood!"

De vrouw hief ditmaal het hoofd op; want de stem van den jongen was doorsnijdend, en gewis was zij als een messteek door haar moederhart gegaan. Een somber vuur blonk in hare oogen; de vertwijfeling stond er in te lezen. Zij antwoordde met een tranenvloed:

"Janneken lief, zwijg toch, om Gods wil! Ik sterf zelve van honger, mijn arm kind, - en daar is niets meer in huis."

"Och, moeder, ik heb zulke pijn in mijnen buik.... een stuksken brood, och toe!"

Het gelaat van het jongsken was op dit oogenblik zoo smeekend, de honger was er met zijne vale en gele kleur zoo diep op ingedrukt, dat de verdwaalde moeder opsprong, alsof zij eene wanhopige daad ging doen; zij stak met bevende drift hare hand onder het deksel van het bed, en trok er een klein halvestuiversbrood uit, waarmede zij tot den jongen ging.

"Daar, Janneken," sprak zij, "dit had ik nog bewaard om pap voor uw arm zusterken te koken; maar ik denk wel, dat zij het toch niet meer zal noodig hebben, dat onnoozel schaapken!...."

Hare stem brak; want haar moederhart liep over van pijn. Zoodra Janneken het brood als eene geluksstar voor zijne oogen zag blinken, begonnen de spieren zijner wangen zich bevend te bewegen, en hij sprong op, met de twee handen te gelijk vooruit, het kleine brood grijpend als een wolf, die zijne prooi aanvat.

De vrouw keerde terug naar het zieke kind, dat zij nog eens bestaarde, en viel dan weder als machteloos op den steen.

Met gretigheid en met eene onbegrijpelijke blijdschap zette het jonksken zijne tanden aan het brood en beet er eenige malen in, totdat hij een weinig meer dan de helft er van gegeten had; dan hield hij eensklaps op, bezag het stuk meer dan eens met gulzigheid, bracht het meer dan eens aan zijnen mond, doch at er niet meer van. Eindelijk opstaande, ging hij langzaam tot bij de vrouw; na haar bij den arm geschud te hebben, om haar op te beuren uit den slaap, waarin zij scheen verzonken te liggen, reikte hij het stuk brood tot haar en sprak met zoete stem:

"Moeder lief, dr! Ik heb een stuksken bewaard voor ons Mieken. Ik heb nog wel grooten honger en pijn in mijnen buik; maar als vader te huis komt, dan zal ik immers eene boterham krijgen, moeder?"

De ongelukkige vrouw sloeg hare beide armen om het goede kind en drukte het met liefde tegen hare borst; een oogenblik daarna liet zij het ongevoelig van hare knien zakken en verviel in hare eerste neerslachtigheid. Janneken ging heel zachtjes tot bij zijn ziek zusterken, zoende het op hare magere wang, zeggende: "Blijf gij maar slapen, Mieken lief!" - en keerde terug bij het vuur, waar hij weder ineenkroop en stilzwijgend op den grond bleef zitten.

Het was dan, dat de weldadige juffer op den dorpel der arme woning stond en hare vriendin in de verte zag aankomen.

Nog een gansch uur verliep er, zonder dat de rampzalige moeder uit hare bittere mijmering opstond. Zij ook had honger, zij ook voelde de stem des roependen lichaams, en pijnen doorgriefden haar ingewand.... Maar zij zat bij een akelig doodbed; zij wachtte met angst dien schrikkelijken stond, waarop zij, moeder, haar kind zou zien snakken en sterven. - Kon zij dan aan hare eigene pijnen denken? Neen! eene moeder is altijd moeder: gelukkig of rampzalig, rijk of arm, er is geen dieper gevoel, geene machtiger drift, dan die, welke eene vrouw aan haar kind hecht, en dat gevoel, die drift, is inniger en grooter bij hen, die weten wat zorg, wat angst en hoeveel zweet des aanschijns zij hunnen kinderen hebben toegewijd.

Dit weten de arme menschen bovenal.

Om tien uren werden de vrouw en de jongen gezamenlijk als door eene geheime aanraking getroffen. Zij sprong op van den steen bij den haard, en beiden riepen tegelijk:

"Ha, daar is vader, Janneken!"

"Ha, moeder, daar is vader!"

En een glimlach van blijdschap gaf eene nieuwe uitdrukking aan hun gelaat. Zij hadden het gerucht van een rijtuig aan de deur gehoord en wilden dengene, dien zij verwachtten, te gemoet loopen; doch een man drong de kamer in, eer zij de deur bereikt hadden. Terwijl hij de sneeuw van zijne schouders schudde, had Janneken zijne eene hand gevat en trok er aan, alsof hij zijnen vader dieper in de kamer wilde brengen. De man had de andere hand aan zijne vrouw gegeven en bezag haar met diepe droefheid. Eindelijk zuchtte hij:

"Trees, wij zijn ongelukkig, vrouw! Nu sta ik van dezen morgen af met mijnen mosselbak aan den ijzeren weg, en nog niets gewonnen! Wat gaan wij doen? Zie, Trees, geloof mij of gij wilt of niet, ik wilde wel dood zijn!"

Hoe ontoereikend de woorden des mans ook waren om eene grievende smart uit te drukken, zijne pijnen waren daarom niet minder. Zijn hoofd hing moedeloos op zijnen schouder, zijne oogen waren beweegloos ten gronde gevestigd, en men zag aan het wringen zijner vuisten, men hoorde aan het kraken zijner vingeren, dat de stuiptrekkingen der wanhoop zijn zenuwgestel ontroerden.

De vrouw, die haar eigen wee vergat en begreep wat foltering haar man doorstond, sloeg haren arm om zijnen hals en antwoordde snikkend:

"Och, Sus, zwijg maar, het zal toch altijd niet duren. Gij kunt er immers niet aan doen, dat wij zoo ongelukkig zijn?"

"Vader, vader," riep het jongsken, "ik heb honger; krijg ik nu eene boterham?"

Deze woorden veroorzaakten in den man eene ijselijke beweging: al zijne leden trilden, zijne blikken vielen als met razernij op het klagende jongsken, en hij zag het eene poos zoodanig strak en wild aan, dat Janneken verschrikt en huilend in den haard vluchtte en van daar weenend tot zijnen vader riep:

"Och, vaderken lief, ik zal het niet meer doen!"

Zonder van zijne geestes- en ledenspanning verlost te zijn, ging de man bij het bed en bezag, met nog scherpere blikken, het stervende wicht, dat zijne weifelende oogskens nog tot zijnen vader ophief.

"Trees," riep hij, "zie, ik kan het niet meer uitstaan. Het is gedaan; het moest er dan toch eens van komen!"

"Wat is het? Och God, wat hebt gij?"

De man, in wiens hart een groote strijd volvoerd was, bedaarde spoedig; en gissende wat benauwdheid hij zijne goede vrouw door zijne uitroeping had veroorzaakt, nam hij haar bij de hand en sprak met neerslachtigheid:

"Trees, gij weet het, vrouw, sedert wij getrouwd zijn, heb ik altijd gewerkt; nooit heb ik eenen dag laten voorbijgaan zonder voor u en voor onze kinderen te zorgen. Zou ik dan na tien jaren zuren arbeid moeten gaan bedelen? Zou ik het brood, dat ik door mijn zweet altijd verdiend heb, nu van deur tot deur moeten gaan vragen? Trees, dat kan ik niet doen.... al stierven wij altemaal van nood en gebrek. Zie, ik word rood van schaamte, als ik er aan denk. Bedelen? Neen, er blijft ons nog iets over, dat ons voor eenigen tijd eten zal bezorgen. Het doet mij pijn, vrouw; maar ik ga onzen mosselbak op den Vrijdagsche markt doen verkoopen. Misschien zal ik werk hebben tegen den tijd dat dit weinige geld zal op zijn; en dan zullen wij sparen om eenen nieuwen bak te koopen. Wacht dan nog een half uurken, en dan zal ik altemaal eten brengen."

De mosselbak was het eenige werktuig, waarmede de brave arbeidsman zijn brood verdienen moest; geen wonder dat hij met zooveel droefheid het besluit nam hem te verkoopen. De vrouw werd niet min dan hij mistroostig bij dit noodlottig voorstel; doch daar haar moederhart met dwingende stem voor hare kinderen om hulp riep, keurde zij het voornemen haars mans goed en antwoordde:

"Ja, ga maar naar de Vrijdagsche markt, en verkoop den mosselbak maar; want ons arm Janneken krimpt ineen van den honger. Ik kan zelve bijkans op mijne beenen niet meer staan; en dat onnoozel schaapken, dat daar ligt te snakken... Och, waart gij al engeltje in den hemel, lief kind!"

Hier begonnen hare tranen weder uit hare oogen te rollen: eene beweging als die, welke hij reeds gevoeld had, schokte het lichaam des mans, en zijne vuisten nepen zich weder krakend toe. Evenwel, hij bedwong zich en sprong wanhopig de deur uit.

Men hoorde weldra het gerucht van een rijtuig, dat met snelheid voortgedreven werd. Het gerucht verging oogenblikkelijk.


III.

Op de Vrijdagmarkt, naar de zijde van het Valkenstraatje, stond, tusschen eenige andere voorwerpen, een kleine wagen met twee wielen, in vorm gelijk aan die handrijtuigen, welke men te Antwerpen mosselbakken noemt, omdat zij meest dienen om mosselen te vervoeren. Niet ver van daar bevond zich een man, die er ongemeen neerslachtig uitzag; met de armen op de borst gekruist, wendde hij gedurig zijne vochtige oogen van den mosselbak tot den roeper, die een weinig verder bezig was met andere voorwerpen te verkoopen. Van tijd tot tijd stampte de mistroostige man met den voet tegen den grond, alsof pijnlijke gedachten hem bevochten; doch hij verviel telkens in eene wanhopige droefgeestigheid, wanneer hij het oog liet vallen op het voorwerp, dat hem tot nu toe gediend had om, als eerlijk werkman zijn dagelijksch brood te verdienen.

Terwijl hij dus in wanhoop verzonken lag, kwamen twee juffrouwen met haastige stappen over de Vrijdagmarkt; eene van beiden moest de smartelijke uitdrukking op het gelaat des werkmans bespeurd hebben, want zij hield hare gezellin bij den hoek van het Valkenstraatje staan, en vroeg haar:

"Hebt gij niet gezien, Adela, wat droefheid er op het aangezicht van dien mensch te lezen staat?"

"Van welken mensch, lieve?"

"Daar, zie hoe hij met den voet stampt, hoe hij zijne ellebogen tegen zijn lichaam wringt. Zeker, Adela, het is een ongelukkige."

"Misschien, Annah; God weet of dit niet uit enkel gramschap geschiedt."

"Neen, Adela, ik ken dit al te wel. De uitdrukking van het ware ongeluk draagt een onmiskenbaren stempel. Zij trekt de gevoelige harten tot zich en geeft eene zoete ontroering van medelijden; de boosheid en gramschap integendeel stooten den aanschouwer terug. Ik heb mij niet bedrogen, lieve, die werkman is het slachtoffer van den langen winter. Zie, zijne kleederen zijn niet slordig, niet gescheurd! Laat ons bij hem gaan; ik durf hem wel de oorzaak zijner smart vragen."

De twee juffrouwen keerden terug naar den man; doch toen ze hem naderden, werd hij juist aangesproken door eenen anderen persoon, die, als hij, tot de werkende klasse scheen te behooren en hem eenen slag op den schouder gaf, zeggende:

"Sus, wat zegt gij van het weerken? Koud, he? Kom, gaat ge mede? Ik geef eenen druppel."

De droeve werkman rukte zijnen schouder van onder de hand, die hem geraakt had, maar antwoordde niet. De andere, daarover verwonderd, bezag hem in het aangezicht, en bemerkte hoe verwilderd hem de oogen in het hoofd stonden.

"Wel, Sus," riep hij, "wat hebt gij, vriend?"

Het antwoord volgde nog niet onmiddellijk op de vraag. De twee juffrouwen hadden tijd om wat nader bij te komen en beter te hooren, wat degene, dien zij ongelukkig achtten, zou zeggen.

Eene doffe stem, die onderbroken werd door lange ademhalingen en eene diepe ontsteltenis te kennen gaf, zeide eindelijk:

"Zie, Geert, gij spreekt van eenen druppel, h? Maar ik sterf liever dan jenever te drinken. Jongen, dat gij wist wat verdriet of ik heb...."

Die woorden waren met zulke diepe droefheid uitgesproken, dat Geert zich gansch ontroerd gevoelde, en zijne losse taal verliet om ernstiger woorden te spreken; hij vatte de hand van zijnen ongelukkigen makker en vroeg, bijna met tranen in de oogen:

"Sus, mijn vriend, wat is het jongen! Gij ziet er uit, alsof gij gingt sterven. Is Trees dood?"

"Neen, neen, dat is het niet, Geert. Maar, zie, aan u zal ik het zeggen, want gij zijt toch onze vriend. Gij weet het, niet waar, Geert? Ik ben nooit te lui geweest om mijn brood te zoeken, en ik heb het, God zij geloofd, tot hiertoe kunnen verdienen; maar nu, - nu is het gedaan.... Mijne Trees, de goede vrouw, och arme! zij heeft nog in geene twee dagen iets gegeten; ons Janneken krimpt ineen van honger; en mijn klein kind, ons Mieken, dat zal misschien nu al dood zijn.... de borsten van hare moeder zijn uitgedroogd van kou en gebrek. Zie, Geert, als ik er aan denk, zou ik mij zelven kunnen verdoen. Zoudt gij kunnen gaan bedelen, Geert?"

"Bedelen? Neen, zeker niet: ik heb nog handen aan mijn lijf."

"Welnu, ik ook. Maar het is toch zoover gekomen, dat wij alles verkocht en verzet hebben, behalve onzen mosselbak, die daar staat. Wij hadden z gespaard, Geert, om hem te koopen, en z lang zuur brood er voor gegeten! Maar als het God dan toch wil hebben, - laat het dan maar zoo zijn. Dat de roeper nu maar gauw naar hier kwame, dat ik mijne vrouw en mijnen kinderen wat brood kon dragen."

"Daar is hij!.... Zeg mij eens, Sus, woont gij nog altijd in de Winkelstraat?"

"Ja."

De roeper kwam op dit oogenblik met zijnen stoel ter plaatse, waar de ongelukkige werkman stond, en riep luidkeels:

"Kooplin, komt bij! Kooplin van mosselbakken, komt bij!"

Een glimlach rees over het gelaat des werkmans.

De twee juffrouwen spraken met stille stem over iets, dat hen scheen te verblijden.

De roeper hernam:

"Dertig franken heb ik voor dien mosselbak! Dertig franken! - Vijfentwintig! hij is zoo goed als nieuw, 't is voor niets. - Twintig franken!"

Eene der juffers deed een teeken met het hoofd, en de roeper ging voort:

"Twintig franken, eenen koopman, twintig franken, niemand niet?"

Andere burgers dongen ook naar het rijtuig; doch de juffer joeg den prijs gedurig op. De roeper wendde zich van den een naar den ander, om op de teekens der bieders te letten:

"Eenentwintig franken!"

"Tweentwintig."

"Drientwintig."

"Vierentwintig."

"Vijfentwintig."

"Zevenentwintig. - Zevenentwintig franken. - Niemand, niemand? Niemand niet? Geluk! Vaart er wel me."

De juffer iets aan den knecht des roepers gezegd hebbende, wendde deze zich om naar zijne woning en riep met al zijne kracht:

"Het wordt betaald!"

Reeds was de werkman in het huis van den roeper en meende met het geld, dat men hem gegeven had, naar zijne woning te loopen, niet zonder nog een treurigen blik op den mosselbak te werpen, toen hij door eene der juffers aangesproken werd.

"Goede man, wilt gij wat verdienen?"

De werkman bedacht zich een oogenblik en vroeg:

"Wat is er van uwe beliefte, juffrouw?"

"Wij zouden dien mosselbak gaarne naar huis gevoerd hebben."

"Het spijt mij, juffrouw, dat ik het niet doen kan: ik heb eene haastige boodschap."

Annah, die zeer menschlievend was en daardoor ook beter dan hare vriendin de arme menschen verstond, zeide met haast tot den werkman, die gereed was om heen te gaan:

"In de Winkelstraat moeten wij zijn."

"Dan zal ik het doen, juffrouw; want ik ga juist naar dien kant."

Hij vatte dan den mosselbak, trok hem van tusschen al de voorwerpen, welke op den grond verspreid lagen, en volgde de twee juffers, die zich met tamelijk snelle stappen voortspoedden. Een bitter hartzeer beklemde zijnen boezem, wanneer hij nu zijn eigen rijtuig voor anderen moest voortstooten; maar de zekerheid, dat hij nu ook welhaast met het bekomen geld de tranen zijner brave vrouw ging opdrogen, mengde eenen zoeten troost in zijne droefheid. Met spijt ontving hij van de twee juffrouwen het bevel om voor eenen winkel te blijven staan. Het duurde echter niet lang, en hij mocht zich onmiddellijk weder op weg begeven; want de juffers waren slechts eenige oogenblikken in den winkel geweest, of men wierp op het wagentje eenen zak aardappelen, twee of drie brooden en eenige stukken houts, en Annah zelve plaatste eenen steenen pot met zorg tegen den zak.

In de Winkelstraat gekomen zijnde, vroeg de man, waar de vrouwen den mosselbak hebben wilden.

Annah antwoordde met inzicht:

"Rijd maar door; het is verder."

Ondanks dit bevel bleef hij staan voor eene kleine deur, welke Annah herkende, als zijnde dezelfde, waar zij des morgens meende in te gaan. De man nam zijne muts van het hoofd en sprak beleefdelijk:

"Juffrouwen, gij moest mij, als het u belieft, hier eens laten ingaan?"

Dit oorlof hem gegeven zijnde, stiet hij de deur open en ging binnen; maar de juffers volgden hem op de hielen en drongen met hem in de kamer.

Eene koude siddering schokte Annah en hare vriendin. Het schouwspel, dat zich daar voor hunne oogen vertoonde, was afgrijselijk en doodsch. De jonge vrouw, die bij het bed gezeten was, lag zonder gevoel op den steen, hare wangen bleek, hare oogen gesloten, hare lippen blauw en haar hoofd hangende achterover op den kant van het bed, alsof het leven haar had verlaten. Het jongsken had den slappen arm zijner moeder gevat en riep op het oogenblik, dat de twee juffrouwen met den vader binnen kwamen:

"Moederken lief, ik heb honger, - een stuksken brood! een stuksken brood!"

De man, zonder op de tegenwoordigheid van Adela en hare vriendin te letten, sprong vooruit naar zijne vrouw, riep haar in zijne wanhoop, trok zich de haren uit het hoofd en bracht niet dan afgebrokene woorden voort.

"Trees!" riep hij huilend. "Och Trees lief.... ongelukkige vrouw! God, Heer, is 't mogelijk! Dood.... dood van honger en ko! - Hadden wij dat verdiend op de wereld?"

Bij deze uitroepingen sloeg hij zijne hand op de tafel en greep een mes; doch Annah, die deze beweging met eenen schreeuw van angst bemerkt had, sprong hem aan den hals en rukte hem het moorddadig werktuig uit de hand.

"Uwe goede vrouw is niet dood!" riep zij. "Daar, loop met haast, en haal wijn in den eenen of anderen winkel."

Zij gaf hem een stuk geld en wees hem de deur.

Hij vloog de kamer uit en verdween als een pijl.

Annah nam de rampzalige moeder in haren arm. Haar satijnen mantel en fluweelen hoed verkrookten tegen de slechte kleederen der ongelukkige; maar de barmhartige juffer gaf daarop geene acht en handelde, alsof zij eene zuster verzorgde. En inderdaad, in hare menschlievendheid zag zij, volgens het gebod van den goddelijken Jezus, deze zieltogende vrouw als eene echte zuster aan. - Eenen sinaasappel uit hare tasch gehaald hebbende, perste zij het sap er uit op de blauwe lippen der vrouw, en wreef hare handen met vurigheid in de hare. Zij liet eenen schreeuw van blijdschap, toen zij de oogen der moeder zich ontsluiten zag.

Gedurende dien tijd had Adela zich niet vergenoegd met op dit tafereel van honger en armoede te staren; daar zij de uitroeping van den kleinen jongen gehoord had, was zij met haast bij den mosselbak gegaan, en had den steenen pot met een brood binnengebracht, terwijl zij den jongen eenige stukken houts op het vuur had doen werpen.

Zoodra Janneken het brood gezien had, waren zijne oogen er niet meer van afgekeerd geweest, en hij had nog eens om eene boterham gebeden. Adela, die 's morgens nog zooveel afschrik van arme menschen getoond had, bevond zich dermate ontroerd op het gezicht van een zoo bitter lijden, dat zij zelve het mes van de tafel nam, en het brood tegen hare borst en fraaie kleederen plaatste om den jongen de boterham, waar hij naar snakte, voor te snijden.

"Dr, mijn kind," sprak zij, "eet maar wel. Gij zult geenen honger meer lijden."

Janneken vatte de boterham met blijdschap, kuste zijne hand ten teeken van dankbaarheid, en zag Adela met zulke zoete blikken aan, dat zij zich omwenden moest om hare tranen van aandoening te verbergen.

Terzelfder tijd had de moeder hare oogen geopend en, als met zaligheid, op haar etend kind gevestigd. Misschien ging zij met woorden hare weldoenster bedanken; maar de komst van haren man belette haar dit. Hij, ziende zijne vrouw, tegen zijne verwachting, levend terug, plaatste met haast eene flesch op de tafel, sprong vooruit, vloog aan haren hals met eenen vloed van blijde tranen, en zoende haar menigmaal als verdwaald; hij hield haar in zijne armen gesloten, alsof hij vreesde haar nog te zullen verliezen, en riep gedurig:

"Trees lief, leeft gij nog, mijne goede vrouw?.... dan is het niets. Ik heb geld van onzen mosselbak! Nu zullen wij eten. Wees maar gerust. Och God, zie, in al mijn ongeluk ben ik nog zoo blij als een engel.... Ja, Trees lief, want ik dacht zeker, dat ik u nooit op de wereld meer zou gezien hebben!"

Annah kwam bij met eene kom wijn en hield ze aan de lippen der zwakke vrouw. Terwijl deze den versterkenden drank inzwolg, wierp de man blikken vol verwondering op Annah en op hare vriendin, die een weinig verder met Janneken bij het vuur stond en zijne twee handjes vooruithield, zeggende:

"Warm uwe pollekens maar, mijn manneken, en eet uwe boterham al gauw op; ik zal er u nog eene geven."

De werkman scheen uit eenen droom te ontwaken; het was alsof hij nu eerst de tegenwoordigheid der juffers bemerkte.

"Juffrouwen," sprak hij stamelend, "vergeef het mij, dat ik u nog niet bedankt heb voor de hulp, die gij mijne arme vrouw hebt toegebracht. Gij zijt toch wel goed van in een armmenschenhuis te willen komen, en ik bedank u wel duizendmaal!"

"Goede lieden," antwoordde Annah, hare stem verheffende, "wij weten wat honger en koude gij geleden hebt, en wat pijn het u zou aandoen, indien gij uw brood moest gaan bedelen, vermits gij liever, als eerlijke werklieden, bij het zweet uws aanschijns den kost wil winnen. Zulke gevoelens verdienen belooning. Gij zult geen gebrek meer lijden!"

Zij wierp een handvol gelds op de tafel en ging voort:

"Daar is geld; aan uwe deur staan aardappelen, hout en brood. Dit alles hoort u toe. Wat den mosselbak betreft, die is niet verkocht geworden; gebruik hem tot het winnen van uw dagelijksch brood, leeft altijd deugdzaam, bedelt niet; maar indien de honger en de koude u nogmaals kwamen aanvallen, op dit briefje staan mijn naam en woning, en ik zal altijd uwe beschermster en vriendinne zijn."

Terwijl Annah sprak, hoorde men geenen zucht in de kamer, zoo stil was alles: maar een tranenvloed stroomde uit de oogen des werkmans en uit die zijner vrouw. Hij kon geen woord meer voortbrengen; alleenlijk bezag hij de juffrouwen beurtelings met eene verbaasdheid, die genoeg toonde, dat hij niet gelooven kon wat hij hoorde. Toen Annah gedaan had met spreken, liet de geschokte moeder zich van den steen ten gronde zakken, en weenend op hare knien voortkruipende, vatte zij de hand van Annah in de hare, en tranen er op stortende, riep zij:

"Och, juffrouwen, gij zult eenen zaligen dood sterven! God zal het u wel loonen, dat gij in ons huis gekomen zijt gelijk engelbewaarders, en dat gij mij van den dood hebt verlost!"

"Zijt gij nu vergenoegd, moeder?" vroeg Annah.

"Och, ja, goede juffrouw, nu zijn wij gelukkig.... Zie ons Janneken daar eens dansen bij het vuur, och arme! En zoo dat klein onnoozel schaapken, dat daar op sterven ligt, kon spreken, juffrouw, het zou u misschien ook zegenen en bedanken...."

Annah liep op deze woorden bij het zieke kind, en gissende, dat het ook door gebrek zoo nabij het graf was, deed zij een teeken aan Adela om te vertrekken: deze, die vermaak nam in de vreugd van het jongsken, hief het hoofd op, kuste het op de wang en kwam dan bij hare vriendin. Annah, zich naar de deur gewend hebbende, zeide in het uitgaan:

"Zijt gerust, goede lieden; binnen een half uur zal er een geneesheer bij het bed van uw kind staan; en ik twijfel niet, moeder, of gij zult het nog wel eens vrouw zien worden."

Een glimlach van ware zaligheid blonk terzelfder tijd op de wezenstrekken der vrouw en des werkmans.

Zij liepen beiden naar de deur, en eene reeks van zegeningen en dankbare spreuken rolde van hunne lippen, totdat zij de twee weldadige juffers niet meer zagen.

Annah noch Adela had een woord gesproken, voordat zij op de Ossenmarkt gekomen waren; hun gemoed was te vol, hunne zielen te zeer geschokt, om hun toe te laten hunne aandoeningen door de taal uit te drukken.

"Welnu," sprak Annah eindelijk, "zeg mij, Adela, vindt gij die arme menschen vuil en walglijk, zooals wij ze gewoonlijk achten?"

"O neen," antwoordde Adela, "ik ben zoo blijde, dat ik u ontmoet heb! Nu schijnt het mij, dat iets heiligs mij verheven heeft, en ik voel eene zielsaandoening, die mij onbekend was. Ik schrik niet meer van noodwendigheden; hebt gij niet gezien, dat ik dat jongsken op mijnen schoot genomen en gekust heb? Wat aardig en geestig kind! Ik bemin het reeds."

"Arm Janneken! de tranen borsten uit zijne oogskens, toen hij u vertrekken zag.... Welnu, mijne lieve, zeg mij, is er op aarde een grooter geluk dan het onze? - Deze goede menschen stierven van honger, zij hieven hunne handen ten hemel en riepen den Heer om hulp; wij zijn tot hen gekomen als afgezanten der goddelijke barmhartigheid; zij hebben voor ons geknield als voor engelen, die hun kwamen aankondigen, dat hun gebed verhoord was, en zij hebben God in ons gezegend en gedankt! O, Adela, ons maatschappelijk leven moge los en ijdel zijn.... de blijde tranen dezer menschen zullen vele onzer zonden herkoopen!"

"Zeg mij niets meer," viel Adela met ontsteltenis in, "ik heb het genoegzaam begrepen. O, nu wil ik alle dagen met u uitgaan, om arme menschen te bezoeken en om deel te nemen in uwe goede werken. Ja, want nu eerst ken ik een hemelsch vermaak en eene soort van zaligheid op de wereld.... Heilige weldadigheid! ongelukkig zijn de rijken, die u niet kennen. Wat blijde ontroering, wat zoet genot derven zij!"

Op dit oogenblik draaiden zij de Hobokenstraat in en verdwenen achter den hoek.