Hendrik Conscience - De Omwenteling van 1830.

[Uit: De Volledige werken van Hendrik Conscience. Brussel, A.N. Lebègue & Co., 1884]

I.

Ten dien tijde waren België en Holland onder eenen zelfden vorst vereenigd en maakten het koninkrijk der Nederlanden uit. Zoo was de toestand sedert 1815.

Langzamerhand was er echter zekere ijverzucht tusschen de beide broederstammen ontstaan. In de Wetgevende Kamers toonden de Belgische leden eenen hardnekkigen geest van tegenstand aan het Staatsbestuur. Men klaagde met bitsigheid, dat de vruchten en voordeelen van het gezamenlijk leven der beide stammen bijna uitsluitelijk aan inboorlingen van Holland werden toegeëigend, en dat men de Belgische provinciën schier als een wingewest behandelde. Twisten over vrijheden en over Godsdienst kwamen de tweedracht nog aanvuren.

Wat mij betreft, ik wist niets van hetgeen er op het veld der staatkunde geschiedde; dagbladen kwamen mij nooit onder het oog; en in alle geval, de twisten en aanvechtingen in de Kamers hadden jaren lang geen ander merkbaar doel, dan den invloed van Noord-Nederland op de Zuiderprovinciën aan te toonen.

Maar toen in Juli 1830 de tijding in België kwam, dat de troon der Bourbons door eenen zegepralenden volksopstand was verbrijzeld geworden, dan werd het woord Vrijheid eensklaps met geestdrift uitgesproken en zelfs tot in de scholen herhaald.

Vrijheid! Hoe moest dit woord niet tot mijn jong gemoed spreken; met welke onbewuste hoop moest ik het niet begroeten, ik, die sedert vier jaren mijn leven aanschouwde als eene ondragelijke slavernij! Vrijheid was voor mij het middel om de gehoorzaamheid aan mijne stiefmoeder te ontloopen, vrijheid was mijne manwording, de verlossing van het smachtend schoolleven, mijne opbeuring uit de zielesmart en uit de vernedering, die mij het leven zoo bitter en zoo somber hadden gemaakt....

Meer zeide het woord niet tot mijn gemoed; maar toch, het dreef mij het bloed naar de hersens, het deed mijnen boezem zwellen; het verbreedde mijnen gezichtskring op eenmaal, en het toonde mij wel eene onbestemde, doch tevens eene betere en minder duistere toekomst.

In den nacht van den 25en Augustus 1830 borst de omwenteling te Brussel los. De krijgsmacht werd uit de stad gedreven, en het oud driekleurig Brabantsch vaandel ten teeken van 's volks zegepraal op den toren van het stadhuis uitgestoken.

Den 23en September naderde Prins Frederik der Nederlanden met een leger van 10,000 man en overmeesterde de Warande bij het koninklijk paleis.

In tusschentijd waren uit al de provinciën maar voornamelijk uit het Waalsche gedeelte des lands, talrijke opstandelingen komen toeloopen; ja, zelfs hadden gansche scharen Fransche vrijwilligers zich naar Brussel begeven. Men was dienvolgens aldaar eenigszins bestand om het leger van Prins Frederik het hoofd te bieden.

Na een hevig gevecht, dat drie dagen zonder verpoozing duurde, werden de Hollandsche troepen tot den aftocht gedwongen, en begaven zich naar Antwerpen, waar het sterk kasteel, onder bevel van den ouden krijgsheld Baron Chassé, hun een vast steunpunt aanbood. Zij werden op de hielen gevolgd door de vrijwilligers van Brussel, en moesten na verschillige gevechten bij Duffel, Lier en Waelhem hunnen aftocht nog bespoedigen.

Antwerpen had nog geen deel aan den opstand genomen, ofschoon de gemoederen er hevig aan het gisten waren geraakt. Het gesticht, waar ik het ambt van ondermeester vervulde, was, evenals alle andere scholen gesloten; ik bevond mij te Borgerhout in de woning mijns vaders, elken dag van 's morgens tot 's avonds rondloopend om de geruchten der straat op te vatten, en hijgend naar de beloofde vrijheid, zonder echter te beseffen, hoe zij iets tot verandering van mijnen bijzonderen toestand kon bijdragen.

Op eenen morgen was ik met mijnen broeder in het veld, toen wij eensklaps uit de verte het doffe gedonder van kanonnen hoorden. Een gil van blijdschap ontsnapte ons, terwijl wij in geestdrift uitriepen:

"De Belgen! Daar zijn de Belgen!"

En zonder te weten wat wij deden, liepen wij uit al onze macht in de richting der gemeente Berchem, van waar het gedommel des geschuts scheen te komen. Nauwelijks waren wij de brug der Herenthalsche vaart overgeraakt, of wij zagen niet verre van ons, achter het geboomte, de rookwolken van eenen grooten brand in de hoogte stijgen. Een oude man, eene vrouw, en een jong meisje liepen ons kermend voorbij; zij hielden elk eene koe bij een zeel en dreven de dieren, onder droevig misbaar, met geweld vooruit. Zoozeer moest hen de schrik getroffen hebben, dat zij op eene ondiepe plaats der vaart in het water sprongen en hun vee op den anderen boord brachten, waarna zij even gejaagd in de richting van Borgerhout wegvloden.

Dit vertoog had eene wijl onze aandacht gevestigd gehouden; doch zoo haast het verdwenen was, begaven wij ons weder op weg en naderden eindelijk den brand.

Het was op Zurenborg, tusschen Borgerhout en Berchem; er stond eene groote hoeve in volle vlam. De obitsen of veldbommen der Belgen hadden den brand veroorzaakt. Reeds was de stal ten gronde vernield; een twaalftal half verkoolde lijken van koeien lagen er tusschen de smeulende puinen van het strooien dak.

Wij vonden eenige Hollandsche soldaten bezig met uit de rompen van het verbrande vee stukken vleesch te snijden om er van te eten. Mijn broeder en ik, wij proefden er insgelijks van: het was bitter als gal en smaakte onzeglijk naar den versmachten rook van stroo.

Daar ik nog het voorkomen had van een kind, en mijn broeder jonger was dan ik, lieten de Hollanders ons zonder mistrouwen bij den brand staan. Eén raadde ons vriendelijk aan, de plaats te verlaten, dewijl er gevaar voor ons leven was; doch wij hingen den held uit en bleven juist, omdat men ons raadde te vertrekken.

Ondertusschen vloog er nog van tijd tot tijd een obits over de brandende hoeve. Wij hoorden geweerschoten bij duizenden, en wel klaarblijkend waren de beide legers in strijd tegen elkander; maar het werkelijk gevecht scheen meer naar den kant van Berchem te geschieden.

Het was de heuglijke stond, dat de heldhaftige jonge graaf Frederik Van Merode in de rangen der Belgen doodelijk gewond nederviel....

Eene obits plofte niet verre van ons neder en drong een paar voeten diep in den grond van een veld; de Hollandsche soldaten navolgende, legden wij ons ten gronde, totdat de veldbom zou gesprongen zijn.

Na eene lange wijl wachtens richtten de soldaten zich weder op, en ik hoorde zeggen, dat de wiek of lont der obits was uitgedoofd. Wij naderden tot de plaats waar ze was gevallen; ik delfde ze met de handen uit den grond.

Mijn hoogmoed over het bezit der obits was uitermate groot; met dezen oorlogsbuit op den arm kwam ik bij de Hollandsche soldaten staan, en ik hief het hoofd met zelfvoldoening in de hoogte, als moest men mij om mijne stoutheid bewonderen. Weinig acht schenen de Hollanders op mij en mijne obits te geven; zij stonden nu met geveld geweer achter de muren der brandende hoeve, en loerden aandachtig in de verte op iets, dat hen scheen te verschrikken.

Eensklaps hoorden wij de trom met snel geroffel achter een verwijderd kreupelhout slaan, en onmiddellijk ontplooide zich in de verte eene schaar mannen met blauwe kielen. Het waren de Belgen, die dezen voorpost der Hollanders door een hevig geweervuur aanvielen.

De Hollandsche soldaten, te weinig in getal om tegenstand te bieden, verlieten de hoeve in allerijl; het gezicht hunner vlucht trof ons met schrik; mijn broeder en ik, die nog altijd de obits in den arm droeg, wij liepen uit al onze kracht van de hoeve weg, en brachten in Borgerhout het nieuws van der Belgen zegepraal.

Inderdaad, de Belgen waren in het gevecht te Berchem overwinnaars gebleven; de Hollandsche krijgsmacht had zich binnen de wallen der stad teruggetrokken.

Op den middag reeds was een gedeelte der Belgische vrijwilligers in het gansche voorgeborcht en in de gemeente Borgerhout door logement-biljetten geherbergd. Ten onzen huize kregen wij twee zeer jonge Brusselaars, die niets deden dan juichen over de waarschijnlijke verlossing des lands, en met zulke geestdrift de woorden vaderland, vrijheid en onafhankelijkheid uitspraken, dat mij, bij het hooren hunner manhaftige taal, de tranen uit de oogen wilden springen van bewondering.

Een hunner kon geen twee jaar ouder zijn dan ik; hij insgelijks was te Brussel ondermeester geweest, en de stemming zijns geestes kwam met de mijne nauw genoeg overeen. Nog denzelfden dag werd hij mijn vriend. Ik volgde hem waar hij ging; ja, zelfs wanneer hij niet verre van de stadswallen, achter eene barricade onder een hagel van biscayens op de Hollandsche soldaten vuurde, bleef ik aan zijne zijde, totdat hij met mij huiswaarts keerde.

Wanneer men de zoogenaamde Belgen in menigte bijeenzag, leverden hunne rangen een zonderling vertoog op, waarvan men zich nu geen juist denkbeeld meer vormen kan. De eigenlijk aangenomene kleederdracht scheen te bestaan in eenen blauwen kiel, aan hals en armen met dunne roode koordjes afgezet, en in eene haren klak of muts, waaruit van boven een gedeelte neerhing als een lakensch puntzakje. Officiers en sergeanten waren herkennelijk aan een driekleurig lint, dat met eenen strik om den arm was geknoopt. Evenwel degenen, die dus gekleed waren, vormden de meerderheid niet; de overigen droegen allerlei kleederen en gewaad: tusschen frakken, vesten en grauwe kielen, zag men ook hier en daar een Hollandschen soldatenrok of den dolman eens huzaars zich uitlossen; burgerhoeden, klakken, schako's of kolbaks, ja, zelfs Waalsche slaapmutsen met roode strepen, kon men boven de scharen der vrijwilligers zien dooreenwemelen.

Eveneens was het met de wapening dezer mannen. Aanschouwde men eenen dergenen, die uit eigen middelen zich naar lust had kunnen uitrusten, dan droeg hij onfeilbaar den voormelden blauwen kiel van fijn linnen en de haren muts; daarbij had hij lakensche schachten om de beenen, tot aan de knieën met witte knoopjes gesloten. Zijne wapens bestonden in eenen uiterst schoonen jachttweeloop met ingesneden versiersels; eene kromme officierssabel met stalen scheede sleepte hem achterna, en in zijnen gordel staken twee groote pistolen, elk met dubbelen loop.

Maar op vijfhonderd was er zoo slechts één; de overigen droegen meest geweren, die men in de Hollandsche kazernen en magazijnen had gevonden, of welke men krijgsgevangenen en deserteurs had ontnomen; dan, er waren er insgelijks oneindig velen, die een verroest jachtgeweer, dikwijls zonder haan of pistool, of eene piek, of eene bajonet op eenen bezemstok voor eenig wapen hadden.

Niet minder gemengd waren de menschen zelven; men kon in eenen hoop vrijwilligers, hij mocht dan weinig talrijk zijn, de tongvallen van al onze provinciën hooren, en zelfs Franschen en Duitschers aan hunne spraak herkennen.

Al deze mannen waren uiterst vuil en beslijkt; zij schenen op den slechten toestand hunner kleeding hoogmoed te dragen, en zouden zich wel gewacht hebben het zwartsel van het buskruid van hun aangezicht te doen verdwijnen. Ik heb zelfs gezien, dat sommigen zich natgemaakt poeder rond de lippen wreven, om er nog schrikkelijker uit te zien.

Waar de vrijwilligers te zamen waren, werd onophoudend met geestdrift gezongen, en men kon uit de verte de galmen hunner strijdhaftige boodschap boven de huizen hooren vlotten. Soms zongen zij het Brabantsch omwentelingslied la Brabançonne; doch meesttijds was het de krijgszang van den Parijschen opstand, met het referein:

En avant! marchons
Contre leurs canons;
A travers le fer, le feu des bataillons,
Courons à la victorie!

De Marseillaise hoorden men zelden.

Het ware den Belgischen vrijwilligers nimmer mogelijk geworden, door eigen macht binnen de sterke vesting te geraken; doch terwijl zij van verre geweerschoten tegen de wallen losten en door de biscayens en kartetsen der Hollanders nutteloos eenige mannen verloren, was het volk binnen Antwerpen zelf in opstand geraakt.

Des morgens was ik met mijnen vriend, den Brusselaar, op St.-Willebrords, niet verre van de barricade, die dicht bij de stad, omtrent de danszaal de gouden Appel, opgeworpen was. Wij hielden ons schuil achter de huizen der straat. Den ganschen nacht had men in de stad een hevig geweervuur gehoord, en nu klonk het er nog met meer aanhoudendheid.

Ik had een pistool, dat weleer eenen Franschen dragonder had toebehoord, en dat ik te huis had weggenomen. Nu stond ik te midden der Belgen; ik sprak en juichte van vrijheid en van vaderland, als hadde ik aan al de gevechten van Brussel, van Waelhem en van Berchem deelgenomen. Niemand vond het kwalijk of ongerijmd, dewijl men elkander tusschen zulken bijeengeraapten hoop menschen onmogelijk kon kennen.

Ten huize van mijnen vriend Jan De Laat moest een voornaam overste geherbergd zijn; want ik zag, hoe alle oogenblikken lieden met brieven daar uit- en ingingen, en eindelijk, toen de tijding zich verspreidde, dat de Antwerpenaars twee der stadspoorten hadden vermeesterd, werd insgelijks, zoo het mij toescheen, uit de woning van De Laet het teeken gegeven tot het roffelen van het appèl.

Al de Belgen, welke in ons voorgeborcht zich bevonden, liepen te zamen. Met ontrolde vaandels trok hunne verwarde schaar stadwaarts op. Mijn vriend, de Brusselaar, was een waaghals; alhoewel wij nog niet goed wisten, hoe wij zouden worden ontvangen, deed hij geweld om vooraan te blijven; ik verliet hem geen oogenblik en liep als een ander held, met mijn groot pistool in de vermoeide vuist, juichend nevens zijne zijde.

Toen wij op de stadsbruggen waren, zagen wij nog Hollandsche soldaten boven over de Borgerhoutsche poort, langs de binnenwallen naar het kasteel optrekken. Wij kwamen echter, zonder ernstigen tegenstand te ontmoeten, binnen de stad, en werden er jubelend ontvangen door de gewapende Antwerpenaars, die de Hollanders tot den aftocht hadden gedwongen.

Nevens de poort, op den hoek der straat, die men Meulenberg noemt, stond een hoop arme vrouwen te juichen en leven de Belgen! te schreeuwen; zij schenen dol of dronken. Onder dezen kreeg een leelijk, oud wijf mij in het oog. Mijne uiterste jonkheid boezemde haar waarschijnlijk bewondering of medelijden voor mij in; want zij sprong met de twee armen vooruit op mij toe en riep:

"Ach, mijn klein Belgsken-lief! Kom hier, kind, u moet ik toch eens kussen, al stond er de koning bij!"

Zij sprong mij zoo vurig en zoo woest aan den hals, dat ik, onder het onverwacht geweld zwichtend, met wijf en al op den rug ten gronde viel en mij ter dege aan het achterhoofd bezeerde.

Mijn vriend, de Brusselaar, verjaagde het dolle mensch en hielp mij te been.

Op dit oogenblik bracht men het lijk eener Hollandsche marketentster van boven den wal; bloed stroomde nog over hare kleederen, en het jenevertonneken sleepte aan zijne riemkens haar achterna.

Deze vrouw was, bij het wegvluchten der laatste Hollandsche soldaten, een eind achteruitgebleven; zij liep boven de poort voorbij, juist toen de vrijwilligers begonnen er onder door te komen. De eersten, die haar zagen, wilden niet op eene vrouw schieten; doch de marketentster keerde zich om, toonde hun den rug, en met de hand er op slaande, deed zij een alsdan bekend teeken van verachting en spot. Een geweer mikte op haar, en de stoute vrouw viel ten gronde; een kogel was haar door het hart gegaan.

Het gezicht van het lijk weerhield ons een oogenblik; dan volgde ik mijnen vriend den Brusselaar naar de Groote Markt, waar al de geweren ten teeken van vreugde werden afgeschoten, onder aanheffen van een onbeschrijfelijk geschreeuw en gejubel.

Mijn vriend beweerde, dat ik ook schieten moest, en om mij dit mogelijk te maken, laadde hij mijn groot pistool, dat misschien sedert Napoleons tijd nog geen vuur had gezien.

Hij gaf het mij in de hand en leerde mij, hoe ik den arm gebogen moest houden, om het stooten van het wapen te voorkomen. Ik deed wat hij zeide en loste stoutelijk den slag. Hoe het kwam, weet ik niet; maar het pistool gaf een machtigen knal en rukte mij, als het ware, het gansch gebeente uiteen. Mijn elleboog en schouder deden mij zoo zeer, dat mijn vriend meende te barsten van lachen bij de pijnlijke en droeve gezichten, die ik trok.

De smart verminderde echter spoedig. Wij bleven op de markt; de burgers brachten voedsel en drank aan, en ik at uit éénen pot met mijnen vriend.

Omtrent twee uren na den middag gingen wij over de Graanmarkt, waar men bezig was met het arsenaal uit te plunderen. Ik zag er allerlei lieden komen uitgestroomd, elk met een nieuw geweer op den schouder; en dewijl het bezit van een nieuw geweer mijn innigste verlangen was, verzocht ik den Brusselaar met mij er binnen te gaan, om te beproeven, of ik insgelijks een wapen zou kunnen bekomen.

Na lang dringen en stooten geraakte ik in een magazijn, waar vele lange houten kisten opeengestapeld lagen; uit eene van deze nam ik een geweer. Mijnen vriend zag ik niet meer omtrent mij; hoezeer ik ook in het arsenaal rondzocht, ik kon hem niet meer vinden.

Bij den ingang van het gesticht staande, schouwde ik met angst op de uit- en instroomende menigte; en toen ik na een uur wachtens mijnen vriend nog niet had gezien, zou ik wel van verdriet geweend hebben. De Brusselaar was mijn moed, mijne macht, mijne hoedanigheid van man; nu ik hem had verloren, was ik weder een kind geworden, dat nog niet tot de hoogte zelfs van eenen omwentelingssoldaat was opgegroeid.

Eene bijzonderheid, die ik nu eerst aan mijn geweer en aan al de geweren uit het arsenaal bemerkte, was, dat de Hollanders, vóór hunnen aftocht naar het kasteel, al de hanen er van hadden medegenomen; en zoo liepen er dus eene menigte mannen in de stad rond met vuurwapens, die tot schieten onbekwaam waren.

Terwijl ik nog altijd voor het arsenaal stond en innerlijk God bad, dat Hij mij toch zou toelaten den Brusselaar weder te vinden, hoorde ik van verre doffe kanonknallen en welhaast daarop klonk over de stad de akelige noodkreet: "het bombardement! het bombardement!"

En inderdaad, toen de Belgen, ondanks zeker wapenbestand, dat er gesloten was geworden, dicht onder het kasteel verschenen en daar, bij het einde der Kloosterstraat, een arsenaal wilden overrompelen, dat nog eene Hollandsche bezetting in had, dan gaf Baron Chassé bevel om de stad met bommen en gloeiende kogels te beschieten. De talrijke oorlogsschepen, die in de Schelde voor de Werf op stroom lagen, voegden hun vuur bij dat des kasteels en der forten, en zoo werd Antwerpen in alle richtingen met verbrijzelende kogels of brandstichtende bommen overdekt.

Zonder op het gevaar te letten, dwaalde ik tot den laten avond van de eene straat naar de andere, over alle plaatsen en markten, met mijn geweer zonder haan op den schouder, om, indien het mogelijk ware, mijnen vriend den Brusselaar te ontdekken. Ik vond hem niet en heb hem zelfs, sedert het oogenblik onzer scheiding in het arsenaal, nooit meer gezien, hetgeen mij doet vermoeden, dat hij dien dag aan de Werf of in de Kloosterstraat moet gesneuveld zijn.

Te elf uren des avonds bevond ik mij op de Groote Markt, omtrent de Hoofdwacht. Het bombardement was alsdan op het hevigst: de stad scheen te daveren onder de ontzagelijke losdondering van het geschut der oorlogsschepen. Van uit den grond des kasteels gingen menigvuldige bommen in de hoogte en beschreven haren tragen loop door het ruim, om op de eene of andere markt te barsten en alles rondom zich te dooden of te verbrijzelen. Men hoorde de eenzame stilte der straten soms eensklaps, bij het springen eener bom, door een vervaarlijk gerinkel vervangen: al de ruiten der huizen vielen door den fellen schok in gruis ten gronde.

's Rijks Entrepôt of Handelsstapel, waar voor millioenen en millioenen goederen van alle natiën geborgen waren, stond in vollen brand; de oude St. Michielskerk werd insgelijks door het vuur verslonden; tot boven haren toren golfden de reusachtige vlammen als een gloeiende zee, welker roode baren door den wind werden voorgezweept. Wolken gensters en gansche brokken vuur dreven als een stroom uit den vulkaan, waarin de koopwaren, uit al de streken der wereld samengevoerd, met ijselijk gebruis lagen te koken en te branden. De hemel was als met bloed geverfd; men kon in de verlatene straten alles in een vaal en akelig licht onderscheiden. Een gewisse ondergang scheen de gansche stad beschoren!....

Op dit oogenblik kwam een overste bij de Hoofdwacht roepen: "Mannen van goeden wil! Des hommes de bonne volonté."

Zoo riep men telkens, wanneer men mannen noodig had, om ergens hulp te brengen. Er was nog geene inrichting, en ieder deed wat hij wilde.

De overste zeide, dat er achter het stadhuis nog drie caissons, dat is wagens met buskruid, stonden, en men deze noodzakelijk ter stad uit moest voeren, wilde men ze niet in de lucht zien springen.

Ik bood mij aan met eenige anderen; wij stapten nevens de caissons en de paarden voort, als eene wacht tot beschutting aangesteld.

Zonder hinder kwamen wij tot omtrent de Borgerhoutsche poort; maar dan werd het ons onmogelijk door de saamgepakte menigte te geraken, die huilend en kermend bad en smeekte om de stad te mogen verlaten.

Als gewapend krijgsman drong ik door het volk en naderde de poort om te zien, wat er geschiedde.

Daar trof mij een schouwspel, dat ik nimmer vergeten zal. Ik zag er moeders met zieke wichtjes in den arm, oude afgeleefde vrouwen en grijsaards, kinderen in menigte, allen geknield, met de handen biddend opgestoken en met tranen in de oogen de wacht smeeken, dat men toch de poort voor hen zou openen. Zij boden geld en goud in overvloed, en sloegen met schrik en afgrijzen den blik terug in de stad, van waar het bloedroode licht van den vuurgloed hun in de oogen glinsterde.

Eenigen werden in mijn bijzijn de stad uitgelaten; doch toen, op verzoek van onzen overste, de poort eindelijk wagenwijd werd geopend om onze caissons door te laten, sprong een blijde schreeuw uit de menigte op, - en allen, mannen, vrouwen, kinderen, zieken en kreupelen, stroomden juichend en God om zijne genade dankend de poort uit.

Hoe er geenen onder onze wagens verpletterd werden, is mij onbegrijpelijk; want, om niet door de wachten teruggedreven te worden, kropen er velen op handen en voeten tusschen de wielen en tusschen de paarden onzer caissons.

Ten einde een denkbeeld te geven van den onmatigen schrik, die de Antwerpenaars bevangen had, zal ik hier terloops een feit verhalen, waarvan de getuigen nog leven.

In de Lange Nieuwstraat, ten huize van een kuiper, hielden de lieden zich gedurende het bombardement in hunnen kelder verborgen, toen een bal of eene bom niet verre van daar, in de Cellebroedersstraat, eene schouw afwierp. Het gerucht, dat uit den val der steenen op de daken ontstond, verschrikte de verborgene lieden zoozeer, dat zij den kelder in allerijl verlieten, hem toesloten, de stadspoort uitvloden, en uren en uren verre bleven gaan, vooraleer zij zich in veiligheid dorsten wanen. De arme man werd eerst na achtenveertig uren uit den kelder geholpen door voorbijgangers, die zijn gekerm hadden gehoord.

Uit de stad geraakt zijnde, brachten wij onze caissons door het voorgeborcht op eene vlakte, het Borgerhoutsveld genaamd, en stelden ze daar tusschen eene kleine herberg en den hoogen steenen molen.

Men riep ons in de herberg om elk zijn nummer te geven en de wachtbeurt te regelen. Ik verstoutte mij, op de vraag des oversten eene vreesachtige aanmerking te maken over de wegen, welke op dit veld uitkwamen. Een der vrijwilligers, ik geloof, dat hij een Antwerpenaar was, aanschouwde mij met misprijzen en riep, terwijl hij met de kolf van zijn geweer ten gronde stampte:

"Wat meent die blancbec? Ik wil met geene kinderen ter wacht zijn!"

En mij onder het lachen der anderen mijn geweer ontnemende, zeide hij:

"Ga naar huis, manneken, bij uwe moeder, en vraag.... eene borst!"

Zonder iets op deze vernederende scherts te antwoorden, verliet ik het wachthuis met verbroken hart. Hadde ik de stoutheid gehad om tegen den spotter in te gaan en mijn recht ter verdediging van het vaderland te doen gelden, men hadde mij waarschijnlijk geëerbiedigd en gelijk gegeven; doch het lag in mijne inborst, voor den mensch immer te zwichten, wanneer hij zich als persoon dreigend tegenover mij stelde. Het moge onuitlegbaar schijnen, het is echter zoo; tegen vuur, kanonnen en alle stoffelijke gevaren kon ik staan zonder merkelijken schrik; maar den mensch alleen vreesde ik als een wezen, voor hetwelk ik altijd moest wijken. Dit gevoel lag in mij sedert mijne eerste kindsheid, omdat mijne lichamelijke macht te verre beneden de strekking en de begeerten van mijn hart en van mijnen geest gebleven was. Mijne zonderlinge opvoeding had ook niet weinig bijgedragen om mijne menschenvrees te doen aangroeien.

Met den boezem opgekropt van verdriet en schaamte, treurende om het verlies van mijnen vriend den Brusselaar, sukkelde ik langzaam naar mijns vaders woning, die ik gansch met gevluchte lieden vond opgevuld. In al de kamers lag het beddegoed tusschen busselen stroo uitgespreid. Wel dertig stedelingen zouden ten onzent eene schuilplaats en herberge vinden.

Zoo was het in alle huizen, stallen en schuren rondom Antwerpen; de dorpen, tot op vijf uren afstands, krielden van Antwerpsche huisgezinnen.

Ik kreeg van mijnen vader eene harde berisping, omdat ik zoo lang uitgebleven was; doch wanneer ik in tegenwoordigheid der vreemde gasten vertelde, wat ik had gedaan en gezien, dan verkalmde mijns vaders gramschap, en hij vond het braaf, dat ik zooveel onverschrokkenheid had getoond.

Het bombardement was denzelfden nacht nog opgeschorst geworden, ten gevolge van eenen wapenstilstand, waarvan Baron Chassé zelf de voorwaarden had bepaald. Deze liepen echter meest daarop uit, dat het kasteel, de schepen en de forten, benevens het Vlaamsche Hoofd over de Schelde in het rustig en onverstoord bezit der Hollanders zouden worden gelaten, zoolang het wapenbestand door geene der beide partijen zou worden opgezegd.

Des anderen daags was ik uiterst treurig. Mij vloeiden allerlei zonderlinge gepeinzen door het hoofd; ik mijmerde van schitterende wapenfeiten en van oorlogsroem: soms zag ik mij zelven in tegenwoordigheid des vijands op het oogenblik van den aanval; ik hief het zwaard in de hoogte, en mij vooruitwerpende, riep ik al mijne makkers tot heldenmoed op. Dank aan mijne onversaagdheid en bovenal aan mijne welsprekendheid, werd de vijand geslagen, en iedereen in het Belgisch leger bewonderde den zwakken jongen, die zooveel manhaftigheid had getoond.

Na zulken droom kwam de onttoovering. De held herinnerde zich, dat hij gisteren nog zijn geweer zonder tegenspraak zich had laten ontnemen, en dat men hem spottend had gezegd: "Ga naar uwe moeder, manneken!"

Dan overwoog ik zeer ernstig, dat de waarde van den mensch niet zelden afhangt van het tijdstip zijner geboorte; want indien ik tien jaren vroeger ter wereld ware gekomen, niemand zou mij nu de hoedanigheid van man betwist hebben, en ik hadde kunnen beproeven, of er waarlijk eene heldenziel in mijnen boezem leefde. Het einde dezer gepeinzen was, dat ik voor eenen spiegel mij van hoofd tot voeten beschouwde, en mijn gelaat zoo streng als mogelijk plooide. Ik erkende zelfs, dat er nog veel kind in mijne uiterlijke gedaante stak; en van spijt ten gronde trappelend, betreurde ik het ongeluk van zoo klein te zijn.

Evenwel, de denkbeelden van oorlogsroem ontstonden immer opnieuw in mijn hoofd. Ik was eenen ganschen dag man geweest; die herinnering was te verleidend om mij niet onweerstaanbaar tot zich terug te lokken.

Dienzelfden dag nog zeide ik aan mijnen vader, dat ik soldaat wilde worden, om voor de vrijheid van mijn vaderland te strijden; hij poogde mij te doen begrijpen, dat ik nog te jong was; doch ik hield mijn voornemen staande. Waarschijnlijk geloofde hij aan mijne beslissing niet; want hij verliet mij met eenen glimlach van schertsenden twijfel, die alleen genoegzaam was om mij te ontmoedigen en mijne krijgsdroomen in rook te doen vergaan.

Vier dagen nog bleef ik besluiteloos ronddwalen, met nijd en begeerte de Belgen aanziende, die door ons voorgeborcht trokken, om zich naar de Hollandsche grenzen te begeven. Mij was geboodschapt geworden, dat ik ten huize van den heer Delin komen moest, om er mede te helpen tot het schikken der school, die tijdens het bombardement gansch het onderste boven was geraakt.

Zoo haast ik de poort mijner schole zag, ontstond er eene opbruising in mijn bloed; - daar binnen was mijne gevangenis.... en ik hoorde het woord vrijheid in tooverende galmen uit al de straten der stad mij tegenklinken!

Het was laat in den namiddag, toen ik, half dwaas in het hoofd, de schole verliet en vol gepeinzen naar het Groen kerkhof en naar de Groote Markt dwaalde, in de hoop van er Belgen te zien.

Op de laatstgenoemde plaats bemerkte ik een huis, voor welks venster in groote letteren stond geschreven: Bureau d'engagement.

Een gansch half uur bleef ik, met den blik op dit huis gevestigd, roerloos staan. Eene onbeschrijflijke ontsteltenis had mij aangegrepen; mijn boezem hijgde, mijn hart klopte onstuimig, mijne wangen gloeiden. Er werd in mijn binnenste een koortsige strijd geleverd: ik kon soldaat worden en aldus het onbetwistbaar recht aanwinnen om als man de wapenen voor de vrijheid te voeren; - maar mijn vader, zou hij wel toestemmen in deze daad?.... Ik zag hem in den geest voor mij staan; zijn strenge blik ontnam mij allen moed; zijn ontzaglijk woord deed mij beven.... Dan weder herinnerde ik mij al de wonden, door schaamte mij in het hart geslagen, en ik overwoog met angst, dat mijne schole weder ging geopend worden. Mijne ziel murmelde van vrijheid, mijn geest droomde van roem en van groote daden. Onder de toovermacht van zulke aandoening, bezweek eindelijk mijne vrees, en ik trad sidderend het bureel binnen.

Vier of vijf officieren, waaronder een kapitein met name Fichaux, stonden er voor eenen lessenaar. Op mijne aanvraag liet men mij eene dienstverbintenis voor twee jaren teekenen, die men mij, vier maanden later, in eene nieuwe voor vijf jaren deed veranderen.

Mijn ouderdom was alsdan tusschen de zeventien en achttien jaren.

Ik kreeg een logement-biljet voor het huis van M. Van Erthorn, op de Kleine Markt, waar slechts een knecht en eene dienstbode zich bevonden.

Hier vroeg ik pen en papier en begon aan mijnen vader eenen brief te schrijven, waarin ik hem meldde, dat ik als vrijwilliger onder de Belgen voor twee jaren had geteekend; ik vroeg hem verontschuldiging, indien deze beslissing hem mocht mishagen, en sprak oneindig veel van vrijheid en van de plichten jegens het vaderland. Ik eindigde met een teeder vaarwel, hem tevens aankondigende, dat ik des anderen daags, vóór den middag, met vele andere vrijwilligers naar de grenzen zou vertrekken.

Na een rusteloozen nacht stond ik op met het krieken van den dag; ik bezat een guldenstuk, dat mij door enen der vluchtelingen ten onzen huize was geschonken. Voor dit geld kocht ik van eenen Belg eene oude sabel zonder scheede en eene patroontasch zonder draagband. Dit laatste kruistuig hing ik met een koord over den schouder; een dun lederen riemken bevestigde de sabel aan mijne zijde.

Dus aangetakeld, wandelde ik de stad op en neer, met het hoofd in de hoogte en het hart vol blijde fierheid. Belachelijk was alsdan zulke uitrusting niet; er liepen er oneindig velen, die zelfs niet hadden dan een groot mes of eene Hollandsche schako, om te toonen, dat zij in dienst des vaderlands waren getreden.

Mijne hoedanigheid van wettig soldaat, welke niemand mij nu betwisten kon, gaf mij een groot vertrouwen; en toen het tien uren sloeg, ging ik op het Groen kerkhof zonder schroom in de rangen der vrijwilligers staan, die evenals ik moesten worden ingelijfd in de nieuwe compagniën, om eenige uren later naar de grenzen te vertrekken.

Terwijl men bezig was met het oproepen der namen, beving mij eensklaps een hevige schrik; mijn vader wandelde in de verte over en weder op de plaats, en keerde het hoofd naar alle zijden, ongetwijfeld om mij te ontdekken. Ik zag aan de strengheid van zijnen blik en aan het plooien zijner lippen, dat hij diep was verstoord.

Mij zoo klein makende als het mogelijk was, hoopte ik aan zijnen zoekenden oogslag te ontsnappen, toen men onverwachts mijnen naam opriep. Mijn vader had het gehoord en kwam rechtstreeks naar de plaats, waar ik stond.

Mij bij het oor grijpende, alsof ik geen soldaat ware geweest, trok hij mij, in het gezicht mijner makkers, uit de rangen en zeide bevelend:

"Kom, volg mij!"

Ik meende van schaamte te sterven; doch ik was dermate gewoon mijnen vader te eerbiedigen, dat ik met gebogen hoofd hem achterna ging tot voor het Paleis van Justitie, waar hij staan bleef en mij bitterlijk en met luider stemme berispte over hetgeen hij mijn ontloopen uit het ouderlijk huis noemde. Hij beweerde, dat mijne dienstverbintenis van geener waarde was, en wilde mij mede naar huis hebben; doch mijn smeeken scheen hem eindelijk te overwinnen. Dan veranderde hij eensklaps van gedachten.

"Het is geene gekke daad van uwentwege?" vroeg hij. "Wat gij gedaan hebt, is het gevolg van een rijp beraad? Welaan, strijd voor uw vaderland. Het soldatenleven zal u misschien goed doen, en daarbinnen uit uw hoofd de droomen doen verhuizen, die u beletten man te worden. Komaan dan, ik zal u eenen kiel en een haren muts koopen, dat gij ten minste aan uwe kameraden gelijkt."

Ditmaal was mijn vader mild met mij; hij kocht mij eenen fijnen kiel met roode boordsels, eene schoone haren muts en eenen verlakten gordelband.

Terwijl men op het Groen kerkhof nog immer bezig was met de nieuwe compagniën te vormen, wandelde ik met mijnen vader over en weder. Hij legde mij uit wat het soldatenleven is, en poogde mij op voorhand te wapenen tegen de wederwaardigheden, welke ik er zou ontmoeten. Onder anderen zeide hij:

"Ziet gij wel, karakters als het uwe zijn voor het krijgsleven niet gevormd: gij zijt te teergevoelig. Een zacht woord maakt u blijde, maar ook een hard woord maakt u diep ongelukkig. Wanneer u iets onaangenaams wedervaart, loopt gij er dagen lang mede in het hoofd, en, droomend, overdrijft gij alles. Van deze gewoonte moet gij u ontdoen, en u bestand maken tegen de schijnbare ruwheid uwer gezellen en oversten. Overtuig u op voorhand, dat de soldaten, ook de officieren, meest altijd de krachtigste woorden bezigen tot het uitdrukken der gewoonste dingen. Indien gij dit uit het oog verliest, zult gij u dagelijk tienmaal gewond gevoelen, wegkruipen, droomen en treuren. Het is tijd, dat gij man wordt, vermits gij mannendaden wilt doen."

Een geroffel der trom brak eindelijk mijns vaders wijze raadgevingen; de vrijwilligers gingen vertrekken.

Toen mijn vader tot vaarwel mij in de armen drukte, murmelde hij nog:

"En Hendrik, gedenk immer het spreekwoord: ieder is het kind zijner eigene werken. Van nu af is uw lot in uwe handen; het zal zijn, wat gij het zelf zult maken."

De tranen stonden hem in de oogen; ik weende snikkend en voelde zijnen laatsten handdruk schier niet.

In mij stond de gedachte om hem te volgen en de soldatendienst te ontvluchten; doch nu begonnen de trommen den marsch te slaan, en ik zag de compagnieën zich bewegen om te vertrekken. Met het aangezicht nog nat van tranen, liep ik in mijn gelid.... en weg was ik naar de grenzen!


II.

Wij bleven eenige dagen te Oostmalle, op vijf uren gaans van Antwerpen. Hier kwam mijn vader mij bezoeken, met het inzicht om de bescherming mijner officiers voor mij in te roepen. Hij bleef lang in gezelschap met den overste onzer compagnie, die een Franschman was, en sprak waarschijnlijk met hem over Napoleons tijd, over de roemrijke wapenfeiten der Fransche legers en over de rampen der keizerlijke vloten; want toen ik mijnen vader uitgeleide had gedaan en te Oostmalle wederkeerde, sloeg de overste mij vriendelijk op den schouder, terwijl hij mij zeide:

"Uw vader heeft den grooten man gediend; hij is een oude zeewolf, die zijn bloed voor het vaderland heeft gestort. Dit is mij voldoende om zijnen zoon voor te staan waar ik kan; de brave man hoefde het mij zoo dringend niet te verzoeken. Ik maak u korporaal; later zullen wij zien wat ik voor u nog kan doen. Zorg intusschen, dat gij wat soldaat wordet; maar geef den moed niet op: ik zal mij uws vaders woorden herinneren en u helpen."

Drie weken later (den 31en November 1830) te Turnhout werd ik fourier gemaakt. De titel van onderofficier, welken ik nu bekwam, klonk mij in de ooren als de aankondiging eener schitterende loopbaan, en ik schreef naar huis, dat ik God dankte, omdat Hij mij niet alleen het voornemen had doen opvatten van soldaat te worden, maar nog daarenboven mij de noodige stoutheid had vergund om het uit te voeren.

Dat ik te midden der woeste vrijwilligers zoo goed in mijnen schik was en geene merkelijke vernedering meer onderging, dit had ik te danken aan den officier, die het bevel over mijne compagnie voerde. Hij heette Schmit, en had, zeide men, van zijne zestien jaar in de jonge garde van Napoleon gediend. Hoog van gestalte en schoon van lichaamsbouw was hij; uiterst behendig in de schermkunst met sabel en degen, krikkel op het punt van eer, moedig tot overdrevenheid, vroolijk van inborst en geestig in al zijne gezegden; daarbij goed van harte en onbekwaam om iemand leed te doen of met inzicht te bedroeven; in één woord, het ware beeld van den Franschen soldaat, zooals hij ons in poëzie wordt voorgeschetst.

Deze had mij zichtbaar onder zijne bescherming genomen en waakte met vaderlijke bezorgdheid en met waren edelmoed over son petit fourrier, zooals hij mij altijd noemde. Aan hem was ik mijne spoedige verheffing tot fourier verschuldigd.

De onderofficiers, mijne gezellen in de 3e compagnie van het 3e bataljon der Jagers-Niellon, waren insgelijks goede jongens, en hun gedrag ten mijnen opzichte was even alsof zij samengespannen hadden, om hun fourierken tegen alle ongeval te verdedigen. Met hen ook had mijn vader te Oostmalle gesproken. Onder dezen, mijne beschermers en ambtgenooten, was de sergeant-majoor Collette, van Brussel, en een sergeant van Luik, met name Deguée, die mij lachende zijnen zoon noemde, en waarlijk uit rechtzinnige goedheid met de sabel het minste ongelijk zou hebben gewroken, dat men mij hadde durven aandoen.

Aldus omringd van goede vrienden, gevoelde ik den overgang van den burgerstand tot het soldatenleven niet anders, dan door de onbeperkte onafhankelijkheid, welke wij genoten. De vrijwilligers zonder verbintenis, die de overgroote meederheid van ons regiment uitmaakten, toonden zich wars van alle onderschikking en verdedigden hunne persoonlijke vrijheid tegen den minsten schijn van tucht. Zij gingen naar huis voor zoovele dagen als het hun beliefde, en keerden weder in de rangen, zonder dat men hen durfde bestraffen. De officiers hadden nog geene regelmatige benoeming; het behoud van hun ambt hing af van de willekeur der mannen, waarover zij moesten bevelen. Hieruit volgde, dat ieder deed wat hij wilde, en het gansche regiment nog bestond uit vrije burgers, die geenen krijgsdwang erkenden. Wij hadden geene soldatenkleeding en oefenden ons niet in den wapen-handel. Wie tweemaal elken dag op het appèl verscheen, was een vlijtig man en mocht zeggen, dat hij aan al zijne plichten had voldaan. Het overige van den tijd sleten velen in de herbergen; de anderen bleven ten huize der burgers of boeren, bij wie zij ingekwartierd lagen; en, dewijl de vaderlandsliefde der Kempenaars hun de Belgen zeer deed beminnen, werden dezen aanschouwd en behandeld als waren het leden van het huisgezin.

De vrijwilligers, die men naar hunnen generaal Chasseurs-Niellon noemde, bleven werkeloos in Turnhout of op de naaste dorpen liggen, tot het einde der maand December. Alsdan vertrokken wij met een sneeuwig weder naar den kant van Limburg, om, zoo men ons zeide, den vijand in te wachten, die uit de vesting Maastricht eene krijgsmacht over de heide naar Holland wilde zenden.

Wat hiervan zij, men hield ons tegen den avond staan op eene onmeetbare heide, die wel tot eenen voet hoogte met sneeuw was overdekt.

De wind was in het oosten gekeerd en zoo koud, dat wij ons de handen voor de ooren hielden, om ze niet te laten bevriezen.

Bevel werd er gegeven, dat wij te dezer plaatse den nacht op bivak zouden doorbrengen, dit wil zeggen, dat wij op de sneeuw konden slapen, indien wij niet liever tot den morgen met stampen en armenslaan ons wilden verwarmen. Onze verwondering was groot; de mijne bovenal.

Ik zag niets voor mijne oogen dan eene onafzienbare vlakte, waarvan de eentonige witheid het gezicht verbijsterde. Slechts langs één zijde, op een vierendeel uurs afstand, begrensde een hoog mastbosch de kimme, en daarachter wel een uur verre, schoot de klokketoren van een dorp in de hoogte: het was de gemeente Baelen, op de grenzen der provincie Limburg.

Wij hadden sedert ons vertrek uit Turnhout nog geen voedsel genuttigd. Dewijl de Belgen sedert de omwenteling immer bij burgers en boeren waren ingekwartierd geweest, bestond er nog geen voorraaddienst in het leger; wij hadden diensvolgens het vooruitzicht, dat wij hier zonder eten zouden blijven.

Zoo haast de moedigsten dezen toestand hadden begrepen, begonnen zij naar middelen uit te zien om vuur en voedsel te bekomen. Er werden ploegen of corvées ingericht, om hout uit het mastbosch te halen. Nog geen half uur was het geleden, of honderden mannen kwamen ieder met eenen sparreboom naar het bivak gesleurd. Voor elke compagnie werd een vuur ontstoken, dat, allengs grooter en grooter wordende, eer het op de heide donker was, zijnen slingerende vlammen tot dertig voet hoog deed stijgen.

Deze eerste nacht van het bivak liet op mijn gemoed eenen diepen indruk na; - de nijpende koude vergetend stond ik, uren lang, in stomme verbazing op het ontzettend schouwspel te staren, dat zich daar voor mijn oog ontrolde.

Achttien vuren, uit stapels mastboomen in de hoogte golvend, verlengden hunne rij over de vlakte. De hemel blaakte boven onze hoofden; de sneeuw zelve scheen te branden; en dewijl, bij het dansen der vlammen, de vurige tonen van het bloedroode licht dan eens met de helderheid des bliksems, dan weder met vale rosheid over de heide golfden, was het voor de oogen en voor den geest, alsof een onstuimige zee van onzichtbaar vuur over de sneeuw hadde gevlot....

Bij elken gloed, en als een zwerm duivels rond het vuur krielend, zag men de donkere schimmen der vrijwilligers tegen de vlammen zich uitlossen, in menigte gaan en komen, boomen op het vuur werpen, of den brandstapel met geweld ontrukken, ten einde zijne woede nog aan te hitsen. Op zulk oogenblik gingen gansche wolken gensters en brandende vonken ten hemel en dreven als een grootsch vuurwerk over het leger.

Door de eentonige nachtstilte der vlakte klonk het even eentonig, doch ontzaglijk gekraak der duizende boomstammen, die eenige oogenblikken vroeger nog groen in het woud stonden te groeien en nu, in den schoot der vlammen, als dunne twijgen werden verslonden. Tusschen dit overheerschend gerucht galmde de stem der vrijwilligers, die elkander bij hunne namen riepen; soms ook wel ontstond in de verte het lied en avant, marchons! of men hoorde het noodgehuil van een varken, dat men bezig was met kelen, of het gebrul eener koe, die door onze maraudeurs of voedselzoekers uit een naburig gehucht was weggehaald.

Omtrent mij werd een kalf met sabelhouwen neergeveld en oogenblikkelijk, zooals het was gevallen, in stukken gehakt.

Een sergeant duwde mij eenen lap vleesch in de hand; en, de anderen navolgend, begon ik het aan het reusachtig vuur te braden.

Vermits wij niet dicht bij den gloed konden naderen, staken wij het vleesch op de punt van den laadstok onzes geweers en hielden het aldus op eenen afstand in de vlam. Wanneer het dan eenigszins was verbrand, aten wij het gebraden gedeelte er af, en herhaalden deze handeling, totdat er ons niets meer van het vleesch overschoot.

Bijna den ganschen nacht bleven wij te been; doch tegen den morgen overviel ons eene onoverwinnelijke slaapzucht. Velen legden zich neder, op vier of vijf stappen van het vuur, en sluimerden op den grond even goed als in een donzen bed.

Niets aan het lijf hebbend dan eenen lijnwaden kiel over mijn zwart schoolkleed, zat ik als gevoelloos rond te staren. Mijn aangezicht en mijne borst waren brandend van den blaak des vuurs, terwijl mijn rug, door den scherpen oostenwind aangedaan, schier bevroor van koude.

Allengs verzwaarde mijn hoofd; ik legde mij neder, blikte nog eene wijl in de vlammen, en viel dan in slaap.

Toen ik twee uren later ontwaakte en meende op te staan, was het mij onmogelijk. Men had het vuur laten verzwakken, en het water van de gesmolten sneeuw was onder mij vastgevrozen. Men moest letterlijk met sabelhouwen mijnen kiel van den grond loshakken, vooraleer ik mij oprichten kon. Ik bibberde van koude; mijne ledematen waren verstijfd; ik was bleek en gansch moedeloos.

Zoo bleven wij drie dagen en drie nachten, zonder ander voedsel dan wat er werd geroofd, op de sneeuw rond de groote vuren gelegerd. Reeds den tweeden dag had het zonderling schouwspel zijne aantrekkelijkheid voor mij verloren; ik bewoog mij langzaam en voelde iets in mij, alsof ik ziek worden ging. Mijne vrienden der compagnie bemerkten het wel; zij omringden den petit fourrier met de liefderijkste zorgen en hadden zelfs eenen bussel hooi gebracht om hem er op te laten slapen.

Den derden dag was het mij nog erger; ik zat ineengekropen onder eenige boomstammen, die men als beschutting tegen den wind had opgericht; ik dacht aan mijnen vader, aan mijn leven in de kluis, aan mijnen broeder en aan alles, wat ik op aarde meest beminde....

De sergeant Deguée, mijn goede beschermer, wilde mij naar den regimentsdokter leiden om een briefje tot inkwartiering te Baelen te bekomen; doch het kwetste mijne fierheid zoo diep, te moeten zwichten voor iets, waaraan mijne meeste gezellen wederstonden, dat de schaamte mij nog meer deed lijden dan mijne onpasselijkheid. Ik had mij man gewaand, en ik bezweek als een kind onder koude en derving van gewoon voedsel! In mijne spijt antwoordde ik mijnen vrienden, dat men om mij niet moest bezorgd zijn, dat het wel zou overgaan, en meer andere machtspreuken, die slechts de laatste teekenen waren mijner worsteling tegen het noodlot, dat mij vernederen zou.

In den namiddag waren er eindelijk karren met voorraad in het bivak verschenen, en ik werd geroepen, om als fourier de mannen van corvée naar de karren te vergezellen. Ofschoon de koorts mij schrikkelijk deed beven en mij nauwelijks toeliet op mijnen beenen te staan; alhoewel de pijn in het hoofd mij verbijsterde, begaf ik mij vooruit en toonde mij bereid tot het volvoeren van mijnen dienst; doch de officier Schmit wilde het niet toelaten, en lief zelf om den bataljonsdokter te halen. Deze gaf mij een briefje, waarmede ik naar Baelen zou gaan; en de burgemeester zou mij, bij het vertoonen van het schrift, in een huis van het dorp doen herbergen.

De tranen schoten mij in de oogen, toen ik op het gelaat mijner vrienden zulk diep medelijden met mijnen ellendigen toestand bespeurde. De sergeant-majoor Collette en de sergeant Deguée dwongen mij tot het aanvaarden van geld; een korporaal van Verviers, met name Fabry, stak eene halve zijde gerookt spek in mijnen ransel; want, zeide hij, er was op een uur in het ronde niets meer te vinden, en het vleesch kon mij van dienst zijn.

Dus beladen met wenschen tot herstelling en met allerlei bewijzen van vriendschap, begaf ik mij op weg naar het dorp Baelen. Ik stapte langzaam en rustte dikwijls. De vermoeidheid zich bij de ijzing der koorts voegende, werd ik eindelijk zoo moedeloos, dat ik mijne handen schier op mijn beweer liet bevriezen, zonder nog de kracht te hebben om het zware wapen van schouder te veranderen.

Toen ik, dus voortsukkelend, het dorp bereikte, was het donker geworden. De huizen waren gesloten en ik zag er geene boeren op de straat; slechts vrijwilligers, die het bivak waren ontloopen, zwermden er rond en sloegen, onder ruw geschreeuw, met de kolf des geweers tegen de deuren, om te worden binnengelaten.

Men wees mij het huis des burgemeesters; ik klopte en bleef kloppen: men opende niet. Dan, eindelijk antwoordde men mij van boven uit een venster, dat er geen logement in het dorp meer was, en dat de generaal zelf verboden had nog eenen enkelen Belg te herbergen.

Ik bleef eene wijl verpletterd staan, en zou wellicht voor de deur des burgemeesters mij neergelegd hebben; doch mijne koorts en mijne hoofdpijn waren verminderd. Het gevoel des hongers verkrampte mijn ingewand.

Door den nood voortgezweept, klopte ik op de deuren der huizen, waarbinnen ik nog licht zag; aan de meeste kreeg ik geen antwoord; de overige waren opgevuld met vrijwilligers, die vloekten en tierden, dat zij geene levende ziel meer zouden binnenlaten.

De wanhoop vervulde mij het hart. Krachteloos, uitgeput van vermoeidheid en schier bezwijkend van honger, geraakte ik tot bij de laatste huizen des dorps: overal vergeefsche moeite om toegelaten te worden.... en sterkmoedigheid, om de deuren aan stukken te slaan of de lieden te dwingen, ontbrak mij gansch!

Dáár zag ik eensklaps in de verre velden een lichtje! Men moge er om lachen; maar dat lichtje, evenals in het vertelsel van Duimken en in vele andere volksvertellingen, blonk mij in de oogen als eene star der hoop. Ik stapte er op aan en bleef, om het te bereiken, wel vijfmaal verder gaan dan ik had verwacht.

Het was een klein, leemen huisje, tegen de baan naar Roslaer. Ik klopte, en men opende oogenblikkelijk.

Een schreeuw van schrik ontvloog den inwoners, als zij mij met het geweer in de hand zagen binnentreden, en zij begonnen smeekend mij te zeggen, dat zij niets meer bezaten. Men had hunne kiekens en hunne eenige geit beroofd; zelfs hun laatste brood hadden de Belgen weggehaald.

Ik zeide hun, dat ik ziek was, vertelde in weinige woorden, hoe ik in het dorp vruchteloos had gebeden en gesmeekt om een nachtverblijf, en eindigde met hun om een plaatsken in hunne hut te verzoeken, totdat de morgen kwame.

Mijne jonkheid en de klagende toon mijner stem troffen de goede lieden; zij wezen mij eenen stoel bij het smeulend vuur, hielpen allen te gelijk om den ransel van mijne schouders te krijgen, en zeiden mij onder betuigingen van vriendschap en medelijden, dat hun huisje gansch tot mijnen dienst stond. Een bed konden zij mij niet geven; maar op de schelf, boven het geitenstalleken, lag hooi: daarin kon ik slapen, en de baas zou wel zorgen, dat ik er geene koude leed. Geen ander eten was er in huis dan een zwart roggebrood, dat ergens voor de rondzoekende vrijwilligers was verborgen geweest; van dit brood mocht ik nemen wat mij beliefde.

De hut was bewoond door eenen man en zijne vrouw en door hunne dochter, een meisje van omtrent de zeventien jaar. Deze laatste beklaagde den armen Belg met luider stemme, en aanschouwde hem met zulk liefdelijk medelijden, dat haar zoete blik alleen mij troost in den boezem goot en mij als het ware uit de moedeloosheid opriep.

Ik wilde den lieden geld geven: doch man en vrouw stonden met verontwaardiging tegen mijn aanbod op. Konden zij iets ten mijnen dienste er voor bekomen, dan zouden zij het wel aanvaarden; maar er was nergens in de gansche gemeente iets voor geld te bekomen.

Dan slechts schoot mij te binnen, dat korporaal Fabry eenige ponden spek in mijnen ransel had gestoken. In allerhaast sneed ik er van aan stukken; de pan werd over het vuur gehangen.... en weinige oogenblikken later zat ik met mijne nieuwe huisgenooten aan den disch.

Ik vertelde van mijne ouders, van mijn vorig leven en van mijn wedervaren op het bivak. Eer ik mij tot de rust begeven zou, waren wij alle vier zulke goede vrienden en bekenden, alsof ik sedert mijne kindsheid van het huisgezin hadde deelgemaakt.

De man bracht mij boven het stalleken, maakte eene diepte in het hooi, deed mij er in nederliggen, schikte dan nog meer hooi boven mijn lichaam en op mijne voeten, en wenschte mij dan den goeden nacht.

Welhaast doordrong eene milde warmte mijne leden, en met haar stroomde er nieuw leven mij door het hart. Mij dacht, een koning, op het fijnste zwanendons rustend, kon niet zoo zacht en zoo verkwikkend liggen als ik nu, tusschen het gastvrije hooi boven den geitenstal lag uitgestrekt. Ik dankte God met innig gevoelde erkentenis om Zijne goedheid, - en, zwemmend op den zoelen stroom van allerlei blijde gedachten, viel ik in eenen wellustigen sluimer.

Des morgens wekte men mij niet; het was reeds lang dag, eer ik van zelf ontwaakte.

Toen ik beneden kwam, vond ik de koffie op de tafel staan en de goede lieden, die op mij hadden gewacht om te ontbijten. Mijn blik viel op het meisje; zij lachte mij eenvoudig, doch zoo minnelijk toe, dat ik het hoofd boog, en schaamrood op mijn voorhoofd voelde klimmen.

Omtrent den middag kwam er een officier, vergezeld van eene talrijke wacht, wien gelast was al de huizen te doorzoeken en de vrijwilligers naar het bivak te doen terugkeeren. Het briefje van den dokter beschermde mij tegen de uitdrijving.

De koorts greep mij in den vooravond weder aan, evenwel met minder hevigheid; en na drie telkens verminderde aanvallen, was ik gansch genezen.

Zoo bleef ik omtrent tien dagen in de hut, meesttijds bij het vuur onder den schouwmantel gezeten en in stille, diepe mijmering mijn oog op de jonge maagd houdend, die niet verre van mij zat te spinnen. Wanneer ik aan de minste beweging van haar hoofd kon raden, dat zij den blik tot mij ging richten, keerde ik met schuchterheid mijn gezicht ter zijde.

Zij scheen mij zoo schoon, de tengere, zoete maagd, met hare frissche wangen en helderblauwe oogen! Zoo schoon en zoo zuiver, dat zij mij voorkwam als een engelijk beeld, omhuld met eenen wasemkring van kuischheid en van betooverende onnoozelheid. In mijn eenvoudig gemoed wenschte ik, dat God mij hadde toegelaten haar broeder te zijn. Hoe gelukkig en hoe blijde hadde ik mijn leven aan hare zijde gesleten!

Des avonds, wanneer moeder en vader ook rondom het vuur gezeten waren, dan moest ik vertellen. Omdat ik wist, dat het Bethken vermaak deed, spande ik al de krachten mijner verbeelding in, en ik schiep en schilderde de zonderlingste voorvallen, die mijne toehoorders zoozeer boeiden, dat zij uren lang, met gapende monden, op mijne verhalen luisterden. De ziel der maagd, terwijl zij dus met hare groote oogen mij aanschouwde, scheen op haar gelaat te zweven: onder den indruk van haren hemelreinen blik voelde ik de macht mijns geestes verdubbelen: ik werd dichter door de opwelling van een voor mij nog onbewust gevoel....

Bethken was ten uiterste in haren schik met onzen Belg, zooals zij mij noemde; zij roemde zijn verstand en nam hem bij de hand, wanneer zij hem ter tafel wilde roepen; maar haar voorhoofd bleef leliewit, en als het schaamrood mijne wangen kleurde, glimlachte zij met schuldelooze vrijheid.

Op eenen namiddag kwam een korporaal mijner compagnie mij verwittigen, dat het regiment des anderen daags 's morgens, te negen uren, het bivak zou verlaten, om naar de kanten van Gheel of van Moll te vertrekken, en dat ik mij gereed moest houden om de compagnie te volgen, hetzij te voet of op een der vrachtkarren.

Dien avond vertelde ik geene vertelsels; wij waren allen in stilte rondom het vuur gezeten en treurden over het noodlottig afscheid. Bethken jammerde over haren armen Belg, die zeker in het woeste en harde soldatenleven weder ziek zou worden; ik betuigde den goeden lieden mijnen dank en deed geweld om bij de herhaalde bewijzen van zoete, zusterlijke genegenheid, mij door Bethken gegeven, niet in tranen los te barsten.

Des anderen daags 's morgens, toen wij in de verte de marschtrommen hoorden, gaf Bethken mij twee boterhammen en twee hardgekookte eieren, welke zij van de meid des pastoors had gekregen: die moest ik, of ik wilde of niet, in mijnen ransel steken. Dan volgde het treurig afscheid; wij drukten elkaar met vochtige oogen de hand, en de goede lieden beloofden, dat zij God voor mij zouden bidden.

Bethken volgde haren Belg van verre, tot in het dorp, waar mijn regiment juist op de groote baan verscheen. Ik voegde mij in den rang der onderofficieren mijner compagnie, die over mijne wederkomst jubelden, terwijl zij met blijdschap riepen: "Ah, daar is ons fourierken!"

In het voorbijtrekken zag ik Bethken nog; ik boog het hoofd, want er sprongen tranen in mijne oogen; en nog dieper werd ik ontroerd, als ik verder mij omkeerende, het droeve Bethken tegen een huis met het voorschoot voor het aangezicht zag staan....

De eieren, welke zij mij had geschonken, nuttigde ik dien dag met kloppend hart; ook eene der beide boterhammen; maar de tweede liet ik tot aandenken in mijnen ransel. Maanden lang werd zij bewaard; ja, zoolang, dat zij gansch in morzelen was gevallen. Langer nog bleef het beeld van het zoete Bethken mij volgen; doch het verzwakte mettertijd, en er bleef mij niets van over dan de dankbare herinnering aan de zorg en de vriendschap, door eenvoudige hutbewoners mij bewezen.

Slechts zestien jaren later heb ik het dorp Baelen voor de tweede maal gezien, en ik heb mij ter plaatse begeven, waar de zieke Belg eens zulke liefderijke verpleging vond. De hut was verdwenen; niemand wist mij met eenige juistheid te zeggen, waarheen de ouders van Bethken of zij zelve waren vertrokken of versukkeld. Men scheen slechts door eene twijfelachtige herinnering nog te weten, dat daar ooit het leemen hutteken van eenen armen werkman had gestaan. Een tweede bezoek te Baelen leverde mij geenen beteren uitslag op.


III.

Van het bivak bij Baelen trokken wij naar het kleine stedeken Gheel en zijne omliggende dorpen; dan naar Moll, en eindelijk weder naar Turnhout.

Hier kwam mijn vader mij bezoeken en bleef twee dagen met mij; ik vernam van hem, dat mijn broeder Jan Balthazar, evenals ik, dienst had genomen in het Belgische leger, en dat hij vrijwilliger was in een regiment, dat omtrent Westwezel op de grenzen lag.

Mijn vader moest den eersten dag zijner aankomst reeds met mijne oversten gesproken hebben; want tusschen woorden van vaderlijke genegenheid en van aanmoediging, mengde hij voortdurend vermaningen, om mij te doen begrijpen, dat ik wat meer mensch en wat meer man moest zijn, en, zooals hij zeide, het voorkomen van een wittebroodskind moest pogen af te schudden. Ik begreep hem wel en was hem dankbaar voor zijnen raad; doch ik meende, dat mijne inborst beter was dan het ruw en schijnbaar gevoelloos karakter, dat men van een echt soldaat scheen te eischen. Mijn vader keerde te voet naar huis en zou, van den vroegen morgen tot den avond, niet veel minder dan tien uren wegs afleggen. Ik vergezelde hem twee uren verre, omhelsde hem en keerde dan weder naar Turnhout.

De vrijwilligers, sedert eenige maanden reeds op de grenzen werkeloos gehouden, begonnen te morren, omdat men hen niet tegen den vijand leidde; doch men deed hun verstaan, dat de groote mogendheden van Europa te Londen bezig waren met over het lot van België te beramen; en, dewijl Holland weigeren zou zich aan hunne beslissing te onderwerpen, moest men slechts wat geduld hebben: het spel zou wel voor goed aan den gang geraken.

Ondertusschen zwierven wij, tot de maand Juli 1831, gedurig in de Antwerpsche Kempen rond, overal op de dorpen en gehuchten bij de boeren herbergende.

Nu was het lente geworden; ik beleefde voor de eerste maal het ontwaken der natuur in het nog oorspronkelijk Kempenland. Jong als de hernieuwde schepping was mijn hart, frisch en zuiver als de heide mijn droomachtige ziel.

Niet mijne latere reizen door de Kempen hebben mij het gevoel van de schoonheid der heide gegeven; alsdan, toen ik eerst de kindsheid ontgroeide, heb ik hare indrukken in mij vergaderd, hare kruiden geteld, hare geruchten afgeluisterd, ben ik in hare geheimen gedrongen en heb ik ze geliefd en bemind, als hadde mijne wiege op hare maagdelijke vlakte gestaan.

De frissche herinnering aan dit gelukkig tijdvak mijns levens heeft mij twintig jaren later nog doen uitroepen:

"Wat moet in de jonkheid onze ziele toch beminnend en machtig zijn, dat zij alles, wat haar omringt, in zich zelve opsluit en met eene onvergankelijke liefdewolk omhult. Menschen, boomen, huizen, woorden, alles, - levend of levenloos, - wordt een gedeelte van ons eigen wezen; aan elk voorwerp hechten wij eene herinnering, zoo schoon en zoo zoet als onze jeugd zelve. Onze ziel loopt over van kracht; zij spat vonken en sprankels van haar leven over al het geschapene; en, terwijl wij onophoudelijk het geluk tegenjuichen, dat ons, kinderen of jongelingen, te wachten staat, juicht en zingt alles in de natuur, eenstemmig met ons.

"Ach, hoe bemin ik de weide, den lindeboom, de pachthoeve, het kerksken en alle andere dingen, die mij zagen, toen de rozen der jeugd en de leliën der zuivere levenspoëzie mij den schedel sierden! Zij hebben genoten wat ik genoot; ik zag ze weelderig groeien en lachend in het zonnelicht glanzen, toen ik vroolijk was en dartelend vooruitstroomde in de onbekende baan der menschelijke bestemming. Zij zijn mijne oude speelgenooten, mijne gezellen; elk van haar roept iets aangenaams, iets verrukkends tot mij; zij spreken de taal mijns harten; al de fijnste snaren mijner ziel trillen weder met jeugdige kracht bij dien roep.... en in stille, godsdienstige aandoeningen dank ik den Heer, dat Hij, zelfs in het bevrozen hart van den afgesloofden mensch, nog de zoete bron der herinnering vlieten laat!"

Het was insgelijks gedurende den eersten tijd van mijn soldatenleven, dat ik de bewoners der Kempen, hunne gewoonten en hunne eenvoudige, doch uiterst schoone inborst leerde kennen en doorgronden. Het Belgisch fourierken, waar hij met een logement-biljet verscheen, deed zich spoedig beminnen door menschen, wier karakter zoozeer met het zijne overeenkwam in zachtheid, in levenslust en in eene onuitlegbare zucht tot mildheid en tot liefde. Hij zat met de lieden bij het vuur rondom den koeketel en vertelde wondere dingen; hij voegde de handen te zamen en bad met hen aan den disch; hij volgde hen ter kerke en knielde nevens hen; hij liep met de jongelieden naar het veld en hielp aan den arbeid; maar bovenal was hij de lieveling der kinderen, die met hoogmoed aan beide zijne handen wandelden en niet zelden tranen stortten, als de Belg, hun goede vriend, naar een ander dorp vertrekken moest.


IV.

Nadat de Chasseurs-Niellon acht maanden in volle rust op de dorpen gelegen hadden, werden zij op eenen regelmatigen voet ingericht, onder de benaming van 2de regiment jagers te voet, en kregen nu eerst soldatenkleederen van groen laken met roode boordsels.

Er liepen geruchten, dat de Hollanders bezig waren met het vergaderen eener groote krijgsmacht, en dat zij eenen inval in België wilden wagen. Deze geruchten ontstonden en vergingen menigmaal.

Ondertusschen werden wij, op het einde der maand Juli 1831, al te zamen op eene heide omtrent Turnhout vergaderd. Daar werd, onder het aanheffen van een ontzaglijk gejubel, uitgeroepen, dat vorst Leopold, als eerste koning der Belgen, zijne intrede in Brussel had gedaan en volgens voorvaderlijk gebruik 's lands grondwet had bezworen.

Twaalf dagen later, in den nacht van den 1en tot den 2en Augustus, terwijl wij gerust in onze logementen te Oud-Turnhout sliepen, werden wij eensklaps door de alarmtrom gewekt en liepen op de gewone vergaderplaats der compagnie te zamen.

Men leidde ons door de duisternis en langs afgelegen banen naar eene onmeetbare heide tusschen Ravels, Baerle-Hertog en Weelde. Hier vonden wij het overige van ons regiment, alsook een ander bataljon vrijwilligers, reeds gelegerd.

Men deed ons de wapens en patroontasschen onderzoeken, ten einde met den morgen strijdvaardig te zijn; want de vijand was met groote macht over de grenzen gekomen en bevond zich niet verre van ons. Wij hoorden inderdaad, in de richting van het dorp Weelde, gebriesch van paarden en bijwijlen een zeker onuitlegbaar dof gerucht, dat ons de nabijheid van eene groote menigte menschen aankondigde.

In de duisternis drukten wij elkaar met geestdrift de handen; wij waren blijde, dat het ons eindelijk werd vergund, ons bloed voor het vaderland te vergieten. Niemand onder ons twijfelde aan de overwinning: onze moed was groot, en ons vertrouwen zonder palen.

Op mij deed echter het naderen van eenen grooten veldslag eenen diepen indruk; na in de eerste machtspreuken en wederzijdsche aanhitsingen te hebben deelgenomen, liet ik het hoofd op de borst zinken, en ik dacht aan mijnen vader en aan al wie mij te huis dierbaar waren. Deze zucht naar de beminde dingen is als het testament der ziel: wie jong is en verre van zijne geboorteplaats in een groot gevaar verkeert, zal altijd gevoelen, hoe zijn geest een droevig en teeder vaarwel toewerpt aan al wat zijn hart betreurt en vreest te zullen verliezen.

Om den lezer eenigszins de voorvallen te doen begrijpen, welke gaan volgen, is het noodig eenige inlichtingen over dezen inval der Hollanders te geven.

Het Belgische leger was in eene beklaaglijken toestand; te Brussel had men den tijd besteed aan de gewichtige beraadslagingen over onze onvergelijkelijk schoone Grondwet en over de keus eens Konings. Op het papier had men eene eerbiedwekkende krijgsmacht ingericht, doch deze bestond niet werkelijk. Geen voorraaddienst voor oorlogstijd was er ingericht; niets was voorzien: de regimenten vóór den vijand hadden zelfs niet meer buskruid onder hun bereik, dan men op eenen enkelen dag verbruiken kon. Vele generaals en de meeste officieren hadden nooit eenen regelmatigen krijg gevoerd: moed en onversaagdheid was er genoeg; maar ondervinding en beleid ontbrak er gansch.

De Belgische krijgsmacht, - buiten de burgerwachten, die meer hinder dan hulp bijbrachten, - kon beloopen tot de 30,000 man, en was in twee groote afdeelingen gescheiden. De eerste, het Scheldeleger, lag rondom Antwerpen, onder bevel van generaal De Tieken de Terhove, die zijn hoofdkwartier op het dorp Schilde hield; de tweede, het Maasleger, lag rondom Hasselt, onder beval van generaal Daine. - Tusschen deze beide legers bleef een afstand van dertien uren gaans!

De Hollanders hadden integendeel hun leger tot den inval met eene uiterste doelmatigheid vergaderd en ingericht; hunne krijgsmacht, onder bevel van den Prins van Oranje en den Prins van Saksen-Weimar, telde 40,000 man geregelde troepen en 30,000 man der schutterij; daarenboven 4000 ruiters en 72 stukken geschut.

De eene helft der Hollandsche troepen rukte langs Limburg tegen het Maasleger in; de andere helft zakte naar Turnhout af, om op Antwerpen in te dringen.

Ons regiment jagers te voet, dat met eenige onregelmatige bataljons op de Ravelsche heide lag, vormde de zoogenaamde Brigade d'avant-garde of voorwacht. Wij waren al te zamen 800 man en hadden twee veldkanonnen; een twintigtal jagers te paard waren ons toegevoegd om den postdienst te verrichten.

De afdeeling der Hollanders, die te Weelde op den Belgischen bodem had stand gevat, was eene voorwacht van 1000 man.

Van al deze bijzonderheden wisten wij niets; slechts één ding was ons bewust, namelijk dat de Hollanders dáár waren en dat wij gingen strijden.

Zoo haast de morgenschemer de nachtelijke duisternis had vervangen, werden de twee vleugelcompagniën van elk bataljon als scherpschutters tegen den vijand gezonden; de middelcompagniën, waartoe ik behoorde, bleven langen tijd als réserve werkeloos bijeengeschaard.

Een hevig geweervuur bleef den ganschen dag aanhouden; maar dewijl men uit gebosschen en van achter boomen schoot, hadden wij weinig gekwetsten. Eenige Hollandsche jagers werden krijgsgevangen gemaakt, of, beter gezegd, zij liepen tot ons over. Geen enkele kende Hollandsch of Fransch: allen waren Pruisen of Zwitsers.

Naarmate het geweervuur duurde, begon men het gebrek aan voorraad te gevoelen: op den middag reeds kwamen de jagers te paard de pakken kardoezen uit de patroontasschen der middelcompagnieën halen, om ze naar de scherpschutters te dragen.

De gedachte, dat wij eerlang zonder buskruid vóór den vijand zouden staan, verontrustte onze officieren. In mijne tegenwoordigheid deed onze dappere generaal Niellon onzen eenigen, doch ledigen voorraadwagen bijbrengen, en riep eenen sergeant uit onze compagnie, met name Nagels, eenen stoutmoedigen jongeling uit Fontaine-l'Evêque. De generaal schreef met potlood, en den kop van zijnen zadel tot lessenaar nemende, een bevel om buskruid te halen.... naar Antwerpen! De sergeant zou met den fourgon over den steenweg vliegen; - en, verongelukten er paarden, hij moest maar andere bij de boeren nemen, al ware het met geweld der wapenen.

Ondertusschen vuurden wij zonder verpoozing op de Hollandsche voorposten; zij deden eveneens op onze uitgezette schutters.

Zóó kwam de nacht zonder ander voorval; in mijne compagnie had elk man nog tien kardoezen, en er moesten dagen verloopen, eer wij er andere zouden bekomen.

Wij konden niet begrijpen, waarom men ons niet had laten vooruitgaan, om den vijand in zijne legerplaats aan te vallen; voorwaar, zoo meenden wij, hij zou bij onze verschijning de wijk genomen hebben, vermits hij, ondanks zijne groote macht, ons niet durdfe aangrijpen. Het gebrek aan buskruid had velen verbitterd, en in stilte werd er onder de soldaten reeds gemord van verraad en verkooperij.

Den volgenden morgen, toen de nachtelijke dampen in de hoogte stegen, zagen wij eerst op de verre kimmen eene grijze streep, die scheen te bewegen; zij verlengde zich over de gansche heide.

Allengskens werd het ons duidelijk, dat het een drom ruiters was, waarschijnlijk kurassiers, want van hunnen hals tot achter hunne paarden daalde een wijde mantel, die hun in ons oog de gestalte en de vormen van reuzen gaf. Op de ruiters volgde eene dikke wolk voetgangers, wier duizenden en duizenden geweren met bliksemend gefonkel in de eerste zonnestralen schitterden. Het hield niet af; wellicht scheen in het verschiet de gansche heide, zoo wijd het gezicht reiken kon, met vijandelijke scharen overdekt.

Gedurende den nacht was het gansche leger der Hollanders zijne voorposten genaderd; en, terwijl de kurassiers eenen omweg deden, om de baan naar Antwerpen te gaan bezetten, ontplooide het zijne drommen over de vlakte, als om ons den strijd aan te bieden.

Met verbaasdheid, doch zonder vrees schouwden wij op de onmeetbare reeks vijanden, die langzaam en met uitgespreide vleugelen naar ons kwam afgezakt. De krijgsmacht, die wij zagen, mocht tot de 20,000 man beloopen; zij voerde 40 stukken geschut en had eene talrijke ruiterij: - wij waren 800 man, hadden geene ruiterij en slechts twee veldkanonnen.

Wij stonden met den rug tegen een jong mastboschken; vóór ons, op eenigen afstand, lag een veen of waterplas. Onze twee veldkanonnen waren wel honderd stappen vooruit, achter den hoek van een ander dennenbosch verborgen en met schroot geladen.

Ik vergat den krijg en het gevaar, zoozeer greep het ontzaglijk schouwspel mijne ibeelding aan; de zon was in eene helderblauwe lucht opgerezen, en zij fonkelde zoo tooverend in het glinsterend ijzer der wapenen, dat de reeks der Hollandsche troepen mij voorkwam als een stroom van tintelend vuur.

De losbarsting van een tiental zware kanonnen riep mij op uit mijne vergetelheid: ik beefde en was vervaard.... maar bij de tweede ontploffing was die ontsteltenis of liever die siddering des harten reeds verdwenen: - er bleef mij niets over dan de overtuiging des gevaars en eene koortsige zucht om te strijden, als moest de dadigheid van den kamp mij verlossen van een gevoel, dat mij lastig en pijnlijk was.

De kanonskogels der Hollanders vielen meest in het veen en deden het water wonderhoog en hemel springen; slechts één onzer gezellen werd gedood door eenen kanonsbal, die hem vóór den mond was heengevlogen, doch hem niet anders had geraakt.

Wij morden hevig en wilden vooruit; maar onze officieren smeekten ons, dat wij toch niets zonder bevel des generaals zouden bestaan, - en, dewijl de officiers in ons regiment zoo niet ontzien, echter meestal bemind werden, bleven wij, tandenknarsend van ongeduld, in onze rangen staan.

Nog eenige oogenblikken, en het Hollandsche leger zou tot onder bereik van geweervuur ons genaderd zijn; wij zagen dien gewenschten stond met blijdschap te gemoet.

De vijand hield zijne slagorde staan; hij zond door eene opening een zestiental lanciers te paard op ons af; wij hielden ons gereed om er duchtig onder te schieten. Deze ruiters zouden slechts eene verkenning doen en bespieden, welke macht de Belgen tegen hunne vijanden konden stellen.

Alzoo de lanciers met hunne oranjekleurige vaantjes een eind vooruit kwamen gereden, begaven zij zich, tot hun ongeluk, onder het bereik onzer twee verborgene kanonnen. Eene dubbele losbarsting galmde over de heide: tien of twaalf ruiters en zoovele paarden vielen dood of gewond ter aarde; de overigen vluchtten in allerijl terug naar de slagorde huns legers.

Op dit gezicht van dit eerste voordeel, hoe gering het ook ware, ontstond er een onbeschrijfelijk gejubel onder de Belgen, en allen sprongen vooruit onder het donderend geroep van: "Leve de Vrijheid! Leve Leopold!"

Geen twijfel of deze 800 man zouden zich zonder aarzelen tegen den ontelbaren drom des vijands geworpen hebben; en wie weet wat er ware geschied? Een zekere dood was hun, wel is waar, beschoren; doch hoe duur zouden zij in die eerste drift hun leven niet verkocht hebben? Misschien had de indruk van zulk heldhaftig bezwijken zwaar gewogen in de weegschaal der latere gebeurtenissen.... Maar de meesten dezer opgewondene strijders moesten, uithoofde van het veen, eenen omweg doen, en dit gaf den officieren den tijd hen te wederhouden.

Terwijl de oversten met open armen aan het vermetel vooruitloopen tegenstand boden, donderde het geschut der Hollanders met vernieuwde kracht; hunne gansche slagorde zakte vooruit, als om wraak te nemen over het gebeurde, en wij hijgden van blijde ontsteltenis bij de nadering van den slag.

Op dit oogenblik kwam een onzer jagers te paard onzen generaal eene haastige boodschap brengen. De Hollandsche kurassiers hadden de baan naar Antwerpen afgesneden; de Belgen waren langs alle zijden omsingeld!

Hoezeer de vrijwilligers huilden van woede en zich de vuisten ten bloede beten, er was niets aan te doen; wij moesten de heide verlaten, terugwijken naar Turnhout, en verder eenen doorgang naar het binnenland zoeken, om, ware het mogelijk, aan eene zekere nederlaag of gevangenneming te ontsnappen.

In goede orde, en nog gereed tot eenen hevigen tegenstand, trokken wij af naar Turnhout. De stad had het voorkomen van een graf: geen levend wezen was er op de straten te zien; deuren en vensters waren gesloten gelijk in het midden des nachts. Dit vertoog deed eenen ongunstigen indruk op onzen geest, en het was inderdaad niet aanmoedigend, al de inwoners dus gevlucht of verkropen te zien, alsof zij, reeds vroeger dan dien dag, ons onbekwaam hadden geacht om hunne haardsteden te verdedigen.

In Turnhout bleef ons regiment niet stil; wij trokken de Herenthalsche baan in en slingerden door bosschen, voetpaden en veldwegen immer met versnelden marsch voort.

Het was uitermate heet; de oogstzon brandde onverdraaglijk boven onze hoofden; wij hadden eten noch drinken.

Reeds te Casterlee deed de felle dorst het bevel der officieren voor eene wijl miskennen. Er stond in dit dorp, in den hof des pastoors, een groote appelboom, overladen met vruchten, die slechts twee maanden later eetbaar zouden zijn. De boom werd door honderden mannen bestormd, beklommen, gebroken en ontbladerd. Men smeekte, men vocht om eene beet der wrange vruchten.... De zure smaak, meende men, zou het branden van den dorst koelen.

Zoo bleven wij acht dagen tusschen Lier en Leuven in de grootste hitte dwalen, elken dag tien of twaalf uren gaande, zonder voedsel en drank, en letterlijk verzengd door de hitte. Wij aten de schors der mastboomen en droegen voor den dorst eenen geweerkogel in den mond; des nachts lagen wij op den grond en verstijfden van den overvloedigen morgendauw.

Men zeide onder ons, dat wij nog altijd door de Hollanders ingesloten waren, en dat ons gaan en komen voor doel had aan de vervolging des vijands te ontsnappen, om ons omtrent Leuven met het groote Belgische leger te vervoegen.

Wat hiervan zij, wij kwamen dikwijls op banen en in dorpen, waar het Hollandsche leger ons inderdaad was voorafgegaan; want wij vonden onderweg pompons en andere kleine dingen, die onze vijanden al gaande hadden verloren.

Op eenen middag hield men ons staan in de nabijheid van een dorp, - ik meen dat het Boisschot heet, - waar nog het stroo lag, dat den Hollanders tot nachtleger had gediend.

Uitgeput van vermoeidheid en van honger, lieten wij ons op een veld nedervallen om te rusten; wij hadden daags te voren weinig voedsel gevonden, en van dezen dag hadden wij nog niets gegeten.

Mij werd bevolen, dat ik met een tiental mannen van goeden wil naar het dorp zou gaan, om nooddruft voor onze compagnie te zoeken en met dank of met geweld, te nemen wat er te vinden was.

De stoutste en ruwste vrijwilligers boden zich aan. Toen wij in het dorp kwamen, waren de inwoners gevlucht; wij braken de deuren met kolfslagen open, doch ontdekten niets dat eetbaar was.

In het midden van het dorp vonden wij eenen man en eene vrouw, die hun huis niet hadden verlaten. Op onzen eisch om brood of ander voedsel te hebben, antwoordden zij ons klagend, dat de Hollanders daags te voren alles hadden weggenomen. Mijne vrijwilligers, door de wanhoop des hongers gedreven, begonnen den man met het plat van de sabel te slaan en hem met nog ergere behandeling te dreigen.

Na langen tegenstand leidde de verschrikte man ons achter in den hof, en groef daar uit den grond drie zeer groote roggebrooden, die in eenen zak gewikkeld waren. Wij namen de brooden mede en ook den zak.

Na vruchteloos nog vele ontruimde huizen te hebben doorzocht, kwamen wij buiten het dorp in eene leemen hut, waar eene jonge vrouw met een kind van drie of vier jaar zich bevond. Op onze dreigende vragen haalde zij eene roggeboterham uit de wiege van haar kind; en ons die toereikende, zeide zij met tranen in de oogen:

"Ziet, vrienden, dit is al wat mij overblijft: ik had het bewaard voor mijn arm schaapken."

Reeds had een mijner makkers de boterham aanvaard, en meende er een stuk af te bijten; maar de anderen hielden hem met geweld terug en deden hem het geringe stuk brood in den zak werpen.

Door een diep medelijden met de ongelukkige moeder aangedaan, wilde ik haar de boterham doen terug geven. Te vergeefs; het spreekwoord is waar: hongerige magen hebben geene ooren.

Dan vatte ik de hand der vrouw en vroeg haar of zij in een naburig dorp voor geld geen brood zou krijgen.

Op haar bevestigend antwoord staken al mijne makkers de hand in den zak; de meesten gaven elk een stuk van vijf en twintig centen; eenigen gaven iets minder, ik gaf iets meer, en zoo kreeg de arme vrouw omtrent vijf franken.... Tranen ontliepen haar nu nog overvloediger; het was van dankbaarheid: hare stem klonk de weldadige stroopers zegenend achterna.

Onderweg maakten mijne gezellen een komplot aangaande de boterham; zij werd gedeeld: wij kregen ieder een stuk zoo groot als een vinger.

Op het bivak werden de drie roggebrooden eerst met sabelhouwen in groote brokken gehakt en dan verder met messen gesneden. Van den kapitein tot den laatsten soldaat, elk bekwam er iets van.

Den 10en Augustus, in den namiddag, gingen wij voorbij de wijnheuvels van het dorp Wesemael, op ongeveer anderhalve mijl van Aerschot. Hier vonden wij vele karren met brood en vleesch, die ons tot voorraad waren bestemd.

Men hield het regiment staan, en brandwachten werden op groote afstanden uitgezet, alsof wij ter dezer plaatse op bivak zouden blijven; de weinige jagers te paard, die ons van Turnhout af hadden vergezeld, werden op hoogten en op verre banen gezonden, om alle nadering van gevaar intijds te kunnen vernemen.

Uit elke compagnie riep men eenig stoute mannen te zamen; dezen zouden naar Wesemael gaan en halen wat er noodig is tot het koken van vleeschsoep.

Na een half uur tijds stond voor iedere compagnie een groote koeketel, op steenen verheven en met water gevuld. Men hakte het vleesch met sabels aan stukken en legde het in de ketels; vele mannen kwamen toegeloopen met koolen van alle kleuren, met selder, met ajuin, met salade: al wat maar groen en eetbaar was, wierp men boven de zwemmende bonken vleesch. De vuren kraakten, de aangehitste vlammen kronkelden rondom de ketels, en al de mannen der compagnie stonden met begeerigen blik en vochtigen mond de veelbelovende bobbels na te zien, die in menigte uit den grond van het ziedende water opklommen.

Men zou meenen, dewijl wij brood in overvloed hadden, dat de honger ons nu niet aandreef. Inderdaad, zóó was het; doch het raadselwoord van ons innig verlangen naar de vleeschsoep ligt in warm eten. Het was nu reeds eenige dagen geleden, dat wij niets anders dan koud eten genuttigd hadden, en dan nog in ontoereikende hoeveelheid. Nu gingen wij warm vleesch eten! In onze meening, - in de meening onzer verhongerde magen, - was niets zoo lekker en zoo onbegrijpelijk versterkend als warm eten.

Reeds toen het water slechts eenigen tijd gezoden had, waren er mannen, die met de punt hunner bajonet, zooals zij op het geweer stak, een koolsblad of eenen struik selder poogden op te visschen. De anderen stelden zich tegen de rooverij: men stiet elkander weg; er werd gevochten en geworsteld tot zooverre, dat de oversten zich verplicht zagen bij elken ketel twee schildwachten te zetten.

Eindelijk toen de soep eenigen tijd gezoden had en de oogen vet zich boven het water begonnen te vertoonen, riep men algemeenlijk, dat het vleesch genoeg gekookt had. Waarschijnlijk zou het nog niet half gaar zijn; maar van den nood eene deugd gemaakt: indien het slechts van de warmte was doordrongen, zou het wel goed smaken.

De oversten toonden zich bereid om den algemeenen wensch te voldoen; nog eenige minuten, en het regiment zou eten.

Wie eene gamelle had, hield ze in de hand gereed; iedereen had zijn knipmes geopend: de lippen verroerden met die eigendommelijke uitdrukking van iemand, die zich aan het smaken van lekkere spijzen verwacht.

Op dit uiterst oogenblik komt een jager te paard in vollen draf aangerend en zegt eenige haastige woorden tot den generaal. Onmiddellijk ontstaat het geroffel der trom, die elkeen te wapen en in zijn gelid roept. Het Hollandsche leger is in onze nabijheid; wij zijn achthonderd, zij waarschijnlijk tienduizend of meer. Daarenboven, wij mogen niet strijden; onze bevelen luiden, dat wij den vijand moeten pogen te ontkomen, om ons te Leuven met het leger onder bevel des Konings te vereenigen.... Er is geen tijd tot beraadslagen: de ketels worden omgeworpen; sommige mannen steken een brok vleesch of een kool op hunne bajonet; doch het ziedend water, dat hun in den hals of op hunne kameraden druipt, doet hun het geredde voedsel wegsmijten; de oversten dwingen de compagniën tot een spoedig vertrek.... en eenige minuten later zijn wij verre van daar, op de baan naar Aerschot, nog immer mijmerend van het warm eten en de lekkere vleeschsoep, die onder ons gezicht over den grond is weggestroomd....

Wij brachten den nacht buiten de stad Aerschot door, op eene hoogte tegen de baan naar Hauwaert, waar wij nog een gedeelte van het 9e linie-regiment aantroffen. Hier kookten wij ons vleesch op het bivak, zonder gestoord te worden, en kregen buskruid.

In den morgen werden wij onvoorziens te wapen getrommeld; onze brandwachten beweerden, dat eene talrijke afdeeling Hollandsche lanciers op den steenweg naar Diest zich vertoonde. Dewijl de hoogte, waarop wij ons bevonden, nevens voormelden weg voortloopt en hem diensvolgens beheerscht, zouden wij de vijandelijke ruiterij pogen te bereiken en ze van boven de heuvelen met voordeel aanvallen. Dit ten minste werd er onder ons verteld, toen wij reeds het bivak hadden verlaten.

Uren lang gingen wij met verhaaste stappen, zonder iets te vernemen. De zon stond te branden aan den diep blauwen hemel; het was onbeschrijfelijk heet; en dewijl wij, zonder eene baan te volgen, dwars door havervelden en aardappelloof onzen marsch rusteloos voortzetten, waren wij eindelijk door hitte en dorst tot zooverre uitgeput, dat sommige mannen zich ten gronde lieten vallen en weigerden op te staan. Wanneer het geviel, dat wij in eenen hollen weg traden, zooals er in die landstreek vele zijn, legden gansche gelederen, ondanks den wil der officieren, zich met den mond tegen de vochtige wanden der baan, waaruit een ijzerachtig water sijperde, en zoo zogen wij uit de aarde eenig vocht op, om onzen verterenden dorst te koelen. Velen onzer zaaiden hunne kleedingstukken langs de baan, bovenal de kapotten, om het gewicht van hunnen ransel te verminderen.

Omtrent den middag, toen wij buiten adem en schier versmacht van dorst, gevoelloos en met hangend hoofd voortstapten, beklommen wij eenen heuvel, waarboven een molen en een huis stonden. Zoo haast hadden wij den top des heuvels niet bereikt, of een bataljon van het 9e regiment, dat ons vergezelde, liep in wanorde uiteen naar een bornput, welke met zijne hooge wip nevens het huis zich vertoonde. Een aantal onzer jagers, dit ziende, stormde insgelijks uit hunne rangen om, ware het mogelijk, eene teug water te bekomen.

Rondom den bornput werd er een waar gevecht geleverd: men sleurde, men stiet, men stompte, men wondde elkander, om omtrent den emmer te geraken. Velen, die geen ander middel zagen om hunnen dorst te lesschen, staken hun brandend hoofd in den emmer en dronken zóó het ijskoude water, totdat men ze er van wegrukte. De dokters en vele oversten baden en smeekten de mannen, dat zij zich toch niet aldus aan eenen zekeren dood zouden blootstellen; zij dreigden en sloegen met hunne degens, het hielp niets: wij waren als razend van dorst.

Onderwijl was er een wolk andere mannen op den grooten wijngaard gevallen, die zijne groene ranken over den gevel van des molenaars huis uitspreidde: druiven, bladeren, twijgen, ja, het hout zelf, tot in den wortel toe, werd verslonden en tot lafenis genuttigd en verknabbeld. Voor vijftig cents kreeg ik twee druivekorrels van eenen soldaat onzer compagnie; ik was gelukkig: de zure smaak bracht mij vocht in den mond....

Na eenigen tijd bemerkten onze oversten wel, dat hunne poging om de mannen van den bornput te houden, vruchteloos zoude blijven. De trommen hieven den marsch aan, en wij vertrokken. Ten halve den heuvel zag ik eenige mannen met paarse wangen en koolzwarte lippen op den rug uitgestrekt liggen: zij waren levenloos, het koude water had hen gedood.

Na een uiterst moeielijken marsch en veel gaan en keeren, zonder een voor ons merkbaar doel, kwamen wij des avonds, toen het reeds donker was, boven eene hoogte bij het dorp Lubbeck, op twee mijlen van Leuven.

Hier sloegen wij ons bivak neder en kookten aardappelen in koeketels, welke wij uit het dorp hadden gehaald.

Onze oversten zeiden ons, dat er des anderen daags een beslissende veldslag zou geleverd worden; zij vuurden onzen moed aan, herinnerden ons de dagen der omwenteling en bezwoeren ons om als ware Belgen voor land en Koning te strijden.

In de vlakte, beneden de heuvelen, was de Hollandsche krijgsmacht gelegerd; zij had haren staf bij het dorp Winghe; doch hare voorposten strekten zich tot in onze nabijheid uit.

Onze uitgezette brandwachten hadden de gewoonte, elkander van verre onverpoosd de volgende woorden toe te roepen: "Sentinelles, prenez garde à vous!" waarop de Duitsche of Zwitsersche soldaten, die rondom het bivak der Hollanders waakten, den onzen spottend toeriepen:

"Was der hund sch.... fresst du!"

Het meerendeel van het Belgische leger bevond zich te Leuven, onder bevel van Koning Leopold; ons regiment, met twee bataljons van het 9e, was een der voorwachten. Diensvolgens mochten wij ons overtuigd houden, dat wij bij het krieken van den komenden dag den eersten aanstoot des vijands zouden te doorstaan hebben.

Alhoewel deze zekerheid wel van aard was om ons den slaap moeielijk te maken, waren de gekookte aardappelen niet zoo haast genuttigd, of allen legden zich ter aarde, en vielen, onder de vermoeidheid bezwijkend, in eenen zwaren sluimer. Ik luisterde nog eene wijl op den roep der schildwachten, die akelig door de nachtstilte rondom ons bivak herklonk en voortliep; ik dacht aan onzen zonderlingen toestand, droomde van Borgerhout en mijnen vader, en sloot dan insgelijks de verzwaarde oogleden.... om, evenals mijne makkers, ze niet meer te openen dan onder den knal van geweren en kanonnen....


V.

Terwijl wij dus in volle vergetelheid sliepen, was er een Hollandsch regiment jagers in stilte ons genaderd. Deze scherpschutters, over den grond kruipend, hadden zich in eene linie uitgespreid, in een breed haverveld, dat zich nevens ons bivak verlengde.

De eerste morgenschemer daagde in het oosten; wij sliepen nog even bewusteloos en vast.... toen eensklaps eene donderende ontploffing ons tegelijk deed opspringen. Honderden kogels huilden ons rondom de ooren; velen onzer makkers waren getroffen en lagen te spartelen in hun bloed. Er bleef een oogenblik van onbeschrijfelijke verwarring onder ons; dus verrast, opschietend uit den loodzwaren slaap, duizelig en dwaas, grepen wij het eerste geweer het beste en begonnen tot verdediging op de vijandelijke jagers te schieten, wier hoofden wij nu in groote menigte boven de haver zagen uitsteken. Zij gaven ons geenen tijd om onzen toestand te herkennen, en vuurden onophoudend op onze dooreenslingerende schaar.

Mijn vriend en ambtgenoot, de fourier Walgraff, die zich te verre vooruitgegeven had, werd op eens door drie kogels, waarvan een in de zijde, getroffen en viel neder; de drie gebroeders Grad, Jules, Ange en Lucien, liepen tot dicht bij de Hollandsche schutters en haalden, onder eenen hagel kogels, den gevallen fourier uit het bereik des vijands weg, Lucien ontving een geweerschot in den arm.

Welhaast gelukte het onzen oversten, ons in gelederen te schikken, en dan boden wij den vijand een hardnekkigen, doch hopeloozen tegenstand.

Een soldaat mijner compagnie, Blancpain genaamd, - een zeer bloode kerel, die beroemd was, omdat hij eenen ganschen emmer aardappelen in eens kon opeten, - kreeg eenen kogel op het kruis zijner draagbanden en sloeg met zooveel geweld achterover, dat hij mij bijna omverre wierp. Men wilde hem wegrukken, ofschoon hij gevoelloos scheen als een lijk; doch hij opende de oogen met zonderlinge verbaasdheid, en vroeg gansch eenvoudig aan mij:

"Fourier, ben ik niet dood?"

Men hief hem van den grond en duwde hem opnieuw in zijn gelid.

Onderwijl werd het geweervuur met groote hevigheid voortgezet, totdat een andere troep jagers onze vijanden kwam versterken.

Dan deden de oversten ons een honderdtal stappen terugwijken en brachten ons bij het dorp Lubbeck in eenen boomgaard, die omringd was met eene dikke beukenhaag, welker stammen over kruis in elkanderen waren vastgegroeid.

Van achter deze beschutting verdedigden wij ons nog eenigen tijd met voordeel, alhoewel een hagel kogels over onze hoofden en tusschen onze gelederen huilde. Velen onzer gezellen werden getroffen; bij het schetterend geknal der geweren mengde zich ook bijwijlen de pijnlijke schreeuw der gekwetsten.

Wij hadden moed genoeg, en het voorbeel van onzen grootmajoor Maenhout ware alleen toereikend geweest om ons onversaagdheid in te spreken. Deze bataljonsoverste was te paard gezeten en meer dan anderen blootgesteld aan het vijandelijk vuur. Onze officieren wilden hem doen afstijgen; doch hij, met eenen koelen glimlach op de lippen, sloeg zijn paard streelend met de hand op den hals, om het te bedaren, terwijl hij onbewogen zeide:

"Pietje, Pietje, stil, Pietje; het is niets, Pietje!"

Op dit oogenblik verscheen eene Hollandsche batterij veldkanonnen boven den heuvel; zij stelden zich op eenen afstand van ons, borst los met ontzettend gedonder en stuurde eene wolk schroot op ons af. Gelukkig was het schot te hoog gemikt; het regende bladeren en takken van de appelboomen, onder welker kruinen wij stonden.

De plaats was niet meer te behouden; nutteloos zouden wij tot den laatsten man vernietigd worden, indien wij langer in den boomgaard bleven.

Al strijdend weken wij terug tot den hollen weg, die naar Leuven afdaalde; wij werden door het geschut der Hollanders vervolgd en moesten dikwijls onze richting veranderen, om in de plooien des gronds eene borstweer tegen de vijandelijke ballen te zoeken. Hoezeer wij ook in gevaar verkeerden, drukten wij elkander onze bewondering uit over de snelheid, met welke het Hollandsch veldgeschut zich bewoog; en waarlijk, het scheen over heuvelen en diepten te vliegen.

De kanonskogels schoten meest over onze hoofden weg; wij vervorderden onzen aftocht zonder merkelijk verlies en zonder onzen stap te bespoedigen. Hier gaf onze bataljonsoverste eene bittere vermaning aan eenen officier, die de twee handen met verrassing aan zijne schako geslagen had, omdat een kanonsbal huilend nevens zijn oor was voorbijgegaan.

Omtrent den middag geraakten wij behouden binnen Leuven, waar wij nevens de Tiensche poort, uitgeput van vermoeidheid, ons ten gronde nederzetten.

Terwijl wij in Lubbeck hadden gestreden, waren nog andere onzer voorwachten buiten Leuven aangevallen geweest. Men vertelde ons, dat het 12de regiment der Belgen grootendeels was vernietigd geworden.

Eenige soldaten van de troepen, die in Leuven gebleven waren, kwamen bij ons en verhaalden met groot misbaar, hoe het gansche Maasleger door verraad was bezweken en op de vlucht geslagen, zoodat wij, verkocht zijnde door onze oversten zelven, vruchteloos aan den overmachtigen vijand zouden pogen te weerstaan. Niets is verderfelijker in een leger vóór den vijand, dan de verdenking dat men verraden is; ook werden wij door deze schrikkelijke mare zeer ontmoedigd; en het is slechts later, toen wij onzen dapperen koning Leopold evenals den minsten soldaat het vijandelijk vuur zagen trotsen, dat er ons weder vertrouwen in den boezem zonk.

Tot meerdere verstaanbaarheid der voorvallen dienen hier eenige uitleggingen te worden gegeven.

Bij den inval der Hollanders op onze grenzen was het Belgische leger, zooals gezegd is, in twee groote afdeelingen gescheiden. Generaal Daine voerde het bevel over eene dezer afdeelingen, het Maasleger genaamd, en was omtrent Hasselt aan het hoofd van 15,000 man. Hem was bevel gezonden om naar Leuven af te wijken en zich daar met het Scheldeleger te vereenigen, om gezamenlijk den vooruitrukkenden vijand eenen beslissenden veldslag aan te bieden. Misverstand in het begrijpen der bevelen, anderen zeggen stijfhoofdigheid vanwege generaal Daine, gaf aanleiding tot eene noodlottige vertraging in het uitvoeren der ontvangene bevelen. Het Maasleger werd door de Hollanders afgesneden en met overmacht aangetast; het verdedigde zich lang en moedig; doch eindelijk werd het tot eenen verwarden aftocht gedwongen en nam de wijk naar de stad Luik. Dáár bevonden zich nu de overblijfsels van de helft der Belgische krijgsmacht; terwijl het gansche Hollandsche leger, voorwaar wel 60,000 man sterk, zich gereedmaakte om Leuven te omsingelen en ons tot eenen wanhopigen strijd te dwingen.

Ik heb later in een boek gelezen, dat de Belgen te Leuven slechts 7000 man telden. Dit schijnt mij eene onwaarheid: met de hulptroepen der burgerwacht moest onze macht wel tot de 20,000 man reiken, zoo ten minste was alsdan onze overtuiging, en de bestaande dingen beloochenden ons gevoelen niet.

Terwijl wij op de binnenvesten van Leuven ten gronde lagen en werkelijk sliepen, bewoog zich het Hollandsche leger; zijne eene helft trok in dikke kolommen en onder bereik van ons grof geschut over de heuvelen, die nevens de stad zich verlengden.

Er werd van wederzijde een hevig kanonvuur geopend; en gedurende langen tijd galmde het gedonder van meer dan vijftig stukken onverpoosd door de lucht.

Ons regiment lag niet verre van de batterijen; alles geschiedde op eenige stappen van ons. Mijne gezellen hadden zich in het eerst opgericht; maar ziende, dat slechts de kanonnen tot den strijd werden gebezigd, legden de meesten zich weder met het hoofd op hunnen ransel en sluimerden even vast in, alsof het gebeurende hen niet raakte. Mocht ook al een kanonsbal iemand onder hen tot slachtoffer komen uitkiezen, het waken kon het niet beletten.

Ik, door het tooneel van den kanonnenstrijd getroffen, bleef rechtzitten en hield het oog op de batterijen gevestigd. Dáár zag ik tot mijne groote verwondering eenen priester als kanonnier bij een der stukken staan en het geschut op den vijand mikken; hij droeg de kleederen van zijn ambt en had den tikkenhaan op het hoofd. Allen, die niet sliepen, bewonderden den pastoor, die aan de stukken zwoegde en arbeidde, als hadde hij zijn gansche leven dezen dienst gedaan. Een angstschreeuw ontvloog ons, toen wij in de nabijheid des priesters eenen wagen of caisson met buskruid in de lucht zagen springen. Eene wijl betreurden wij zijnen waarschijnlijken dood; doch niet zoo haast was de dikke rookwolk opgeklaard, of wij zagen hem ongedeerd en even werkzaam bij zijn kanon staan.

Onze Koning reed te paard nevens de batterijen; zijn gelaat was onbewogen en droeg dien stempel van stille, indrukwekkende kalmte, welke den wijzen vorst nu ook nog bij den eersten blik doet eerbiedigen en beminnen door alwie hem nadert. Zijne tegenwoordigheid bracht moed en vertrouwen in aller harten; de hoop dat wij, door hem aangevoerd, de overwinning nog konden behalen, verlichtte den nevel, dien de verdenking van verraden te zijn over onzen geest geworpen had.

Terwijl elks aandacht op het vuur der batterijen gekeerd bleef, hadden de Hollanders op den IJzerberg, nevens den steenweg naar Mechelen, stand genomen. Van deze hoogte konden zij de stad Leuven tot puin schieten. Daarenboven had eene hunner afdeelingen den steenweg op Brussel bezet en ons diensvolgens de gemeenschap met de hoofdstad afgesneden.

Eensklaps bracht men onzen oversten zekere bevelen; wij werden in allerhaast in dichte gelederen geschikt en tot eene kolom gevormd. Men zeide in weinige woorden, dat wij met den Koning aan het hoofd den IJzerberg stormenderhand gingen beklimmen, om kost wat kost, den vijand uit dezen dreigenden stand weg te slaan; dat wij als voorwacht-brigade aan het hoofd der kolom zouden vooruitrukken en den aanval beginnen, en wij te toonen hadden, dat de oude vrijwilligers van Niellon het vertrouwen des Konings waardig waren....

Wij ontvingen het nieuws met blijdschap en onder luid gejubel; doch men beval ons het stilzwijgen, om alle verwarring te voorkomen.

Opgevolgd door het gansche leger, trokken wij de Mechelsche poort uit, tot aan den voet van den IJzerberg, waarboven de vijand ons verwachtte.

Hier werd onze luitenant Van Diepenbeek door eenen kogel in het voorhoofd gedood.

De trommen begonnen storm te slaan; de horens en trompetten deden hunne aanjagende tonen galmen; het bevel au pas de charge! klonk ons in de ooren; wij sprongen tegen den berg op en geraakten, na eene wijl van den vurigsten marsch, tamelijk verward op de vlakke hoogte. Onvoorziens vielen wij tegen eene machtige batterij kanonnen, die op ons losdonderde en velen onzer makkers ter neder wierp. Deze schrikkelijke ontploffing bracht eene zekere aarzeling in onze rangen; doch op de stem onzer officieren sprongen wij weder met gevelde bajonet vooruit, met het inzicht om de kanonnen des vijands te overrompelen.

Den sergeant-majoor Honoré, eenen mijner vrienden, werden de twee benen door eenen kanonsbal afgerukt; onze dokter, de heer Dardespinne, deed den gewonde op zijn eigen paard zetten om hem uit den slag te voeren. De arme Honoré deed nog het Brabantsch volkslied in de hoogte galmen, terwijl bloed en leven hem uit de gepletterde leden golvend ontstroomden.

Ondertusschen werd de berg door andere gedeelten van ons leger insgelijks en met evenveel aandrift beklommen; de Hollanders konden dien eersten aanstoot niet wederstaan en weken terug naar het midden huns legers. Zij gaven aldus aan het Belgische leger tijd en plaats om zijne regimenten te ontplooien; en, toen onze stormloop tegen de dikste wolk der vijanden was gestuit geworden, begon er op de gansche linie een heet gevecht, dat zich voor alsdan nog bij geweervuur en kanongebulder op eenigen afstand bepaalde.

Hier stortte een onzer trommelaars, Bilocq genaamd, door eenen kogel in het been getroffen, ten gronde.

Een sergeant van ons bataljon, een Brusselaar met name Jacques, was zoodanig door strijdlust aangejaagd, dat hij bij het terugwijken der Hollanders met eenige grenadiers zijner compagnie door hunne slagorde was geraakt, en onverwachts tegen de ruiters aanviel, die den oppergeneraal des vijands, Prins van Saksen-Weimar, omringden. De Belgische sergeant richtte reeds zijne bajonet tot den prins en meende hem te doorsteken; doch de ruiters vielen in macht op hem aan: hij en zijne gezellen werden neergesabeld. Men wilde den sergeant voorts afmaken en dooden; de prins weerhield zijne mannen, nam den dapperen Jacques onder zijne bescherming en deed hem achteruit van het lagveld dragen.

De veldslag duurde voort; ik, als eenvoudig strijder kon niet weten wat er op eenige stappen van mij geschiedde; ik zag niets vóór mij dan eene onmeetbare wolk rook, die de slagorde des vijands afteekende; ik hoorde niets dan de duizenden geweerschoten, die zich tot een aanhoudend geknal vermengden, de ontzaglijke stem der kanonnen, die den IJzerberg onder onze voeten deden sidderen, het gefluit der kogels, het gehuil der ballen en bijwijlen ook het gekerm mijner broeders, die met afgerukte leden of doorboorde ingewanden nedervielen en eenen pijnlijken doodskreet slaakten of, stervend, nog den nationalen roep aanhieven: "Leve de vrijheid! Leve Leopold!"

Op dit oogenblik kreeg ons regiment bevel om zich langs de zijden des vijands uit te spreiden en hem door een scherpschuttersvuur te verontrusten.

Wij zakten den berg af, tusschen de stad Leuven en het slagveld; dáár werden wij volgens krijgsgebruik over eene lange uitgestrektheid gronds verdeeld, derwijze, dat op elke vijf of zes stappen zich slechts een paar mannen bevonden.

De grond was zeer bewogen en de velden nog met den oogst overdekt, zoodat wij wel de Hollanders, onze vijanden, op de helling van den berg zagen staan, maar echter onze eigene gezellen slechts gedeeltelijk konden zien.

Ik bevond mij met eenen soldaat boven den boord van eenen hollen weg, die wel tien voet diepte had; en, alhoewel wij zeer van den vijand verwijderd waren, schoten wij onverpoosd op zijne rechterzijde.

Onderwijl hoorden wij, hoe op den berg het gedonder der kanonnen aanhoudend boven de strijders galmde en hoe de strijd daar meer en meer in hevigheid toenam.

Eensklaps klonk over de vlakte, waar wij ons bevonden, een akelige waarschuwingskreet: "De ruiterij! la cavalerie! la cavalerie!" En inderdaad, wij zagen eene wolk vijandelijke dragonders den berg afzakken, om ons te komen bevechten.

Men zegt gewoonlijk onder de soldaten, dat een voetganger voor eenen ruiter niet hoeft te vreezen. Voor oude en geoefende soldaten moge dit eene waarheid zijn; voor ons, die als vrijwilligers onzen tijd bij de boeren hadden gesleten, was het er echter geheel anders mede gesteld. Het gezicht van die groote mannen, op groote paarden gezeten en met bliksemende zwaarden in de hand, boezemde ons zoo niet vrees dan toch angst in. Wij stonden bij paren, verre van elkander, en konden onze officiers niet zien. Zoo verlaten of afgezonderd moesten wij den aanval afwachten der ruiterij, die in groote menigte den berg afdaalde!

Eens in de vlakte geraakt zijnde, verdeelden de dragonders zich insgelijks in eene lange reeks; en, als hadde elk eenen scherpschutter tot slachtoffer uitgekozen, reden zij bij paren met slingerende zwaarden op ons los.

Ik begreep, dat mijn laatste uur gekomen was; ik voelde mij verbleeken, mijn ingewand sidderde; en van dan af hield ik mijnen blik met zooveel vastheid op de twee vijanden gericht, die ons schenen uitgekozen te hebben, dat mijn makker van mijne zijde verdween, zonder dat ik het bemerkte.

Minder dan een boogschot waren de dragonders van mij verwijderd, toen ik mijn geweer op hen afschoot zonder een te raken; ik meende nog te laden, doch ik liet de kardoes uit mijne hand vallen; want ik had nauwelijks den tijd om de bajonet tot verdediging te vellen.

Een der twee dragonders sprong ter zijde door de haver, waarschijnlijk om mijnen kameraad aan te vallen. Mij dacht, ik hoorde zijnen laatsten doodskreet mij in de ooren galmen!

Ik hield de bajonet vooruit, welbesloten om, indien het mogelijk ware, mij hardnekkiglijk te verdedigen. De overtuiging, dat ik sterven ging, ontrukte mij eenen zucht der treurnis, eenen afscheidsgroet aan het leven.

Het zwaard des dragonders bliksemde mij in de oogen; hij riep, dat ik mij overgeven zou; doch ik bleef met den verslindenden blik van den doodsangst sprakeloos de plaats zoeken, waar ik hem of zijn paard zou kunnen wonden.

Het moet zijn, dat het paard verschrikt of onbedwingbaar was; misschien dat de dragonder zelf mijn wapen ontweek, om mij van ter zijde onder bereik van zijn zwaard te krijgen; want, ofschoon dit alles ongeloofelijk snel geschiedde, zwenkte mijn vijand twee- of driemaal rondom mij, tot zooverre dat het mij gelukte, zijn paard eene wonde aan den schouder toe te brengen.

Wat er verder tusschen hem en mij gebeurde, weet ik niet. Terwijl ik het hoofd afkeerde om zijn slingerend zwaard te ontwijken, voelde ik, dat een felle slag mij trof, en ik in eene diepte tuimelde, die voor mijne geschokte inbeelding grondeloos scheen te zijn. Ik daalde en daalde, alsof ik in de eeuwigheid wegzonk....

Met geweer en ransel was ik achterover in den hollen weg gestort en bleef daar, door den val bedwelmd, een oogenblik roerloos op den rug liggen; evenwel, het bewustzijn keerde onmiddellijk in mij terug. Ik opende de oogen en zag verbaasd in het ronde; mijn blik ging ten hemel, en ik dankte God, dat Hij mij zoo wonderbaar van eenen zekeren dood had gered.

Boven mij hoorde ik nog twee pistoolschoten lossen. Ik meende de plaats te ontloopen; doch mijn linkervoet, wanneer ik hem opheffen wilde, ontrukte mij eenen schreeuw der pijn. Desniettegenstaande sukkelde ik door den hollen weg voort in de richting der stad.

Toen ik den steenweg bereikte en op de plaats kwam, waar wij allereerst stormenderhand den IJzerberg hadden beklommen, was de veldslag verloren en het grootste gedeelte onzes legers in volle vlucht. Nog één of twee regimenten streden wijkend boven den berg.

De poort der stad Leuven, die op den Mechelschen steenweg uitziet, spuwde als het ware kanonnen, karren en wagens bij honderden; de voerlieden er van sloegen op de paarden met zweepen en sabels.... en alles rolde als een verwarde stroom over de baan naar Mechelen.

Nevens mij stond een sergeant van mijn regiment, met name Lemaigre, die nu kapitein is. Terwijl hij zich de haren van woede en razernij uitrukte, zag hij in de verte eene batterij Belgische artillerie uit Leuven komen aangerend, bestaande uit acht stukken van twaalf pond ijzer. Geen ander overste dan een sergeant scheen over de batterij te bevelen; en dewijl Lemaigre hem persoonlijk kende, hield hij hem staan en bezwoer hem, dat hij toch de batterij tegen de zijde des vijands zou stellen, om zóó onze beslissende nederlaag te vertragen en den aftocht een oogenblik te dekken.

De sergeant der kanonniers,- mijn vriend Lemaigre noemde hem Mathieu, - volgde den raad en brandde al zijne stukken los; eene wolk schroot drong in de rangen des vijands, en er deed zich werkelijk eene aarzeling in zijnen aanval op de laatste dapperen onzes legers bemerken.

Ik verliet deze plaats en sleepte mijnen voet met onbeschrijfelijke pijn achterna, tot op eenigen afstand, waar ik over eene groote afspanning, tegen eenen boom der baan mij nederzette.

Onderwijl was ook het laatste regiment der Belgen bezweken, en nu was het gansche leger in aftocht.

Op dien stond liep van mond tot mond de schreeuw: "Armistice! Armistice! Wapenstilstand! Vrede!"

Maar ofschoon de wijkende Belgen dit woord herhaalden, gaven zij er toch geen gehoor aan; misschien omdat nog uit de verte eenige schaarse kanonschoten over de vlakte donderden.

Dan zag ik plotseling voor de afspanning onzen koning Leopold, te paard gezeten en omringd van eenige stafofficieren; hij scheen met hen te beraadslagen, en reed welhaast met zijn geleide naar Leuven op, in de richting van het vijandelijk leger. Ik had het gelaat des Konings aandachtig beschouwd; eene droeve, doch grootsche kalmte maakte het indrukwekkend, zelfs op dezen smartelijken oogenblik.

De Hollanders vervolgden de Belgen niet; geen geweervuur liet zich nog vernemen: er was inderdaad een wapenstilstand gesloten, waarvan de mogelijkheid en de reden slechts door eenige uitleggingen kunnen worden verstaanbaar gemaakt.

De Conferentie der groote Europeesche Mogendheden, te Londen vergaderd, had de scheiding van Holland en België uitgesproken; en het was om zich tegen deze beslissing te verzetten, dat de Koning van Holland den inval in België had gewaagd. Frankrijk was gelast, desnoods met geweld de uitvoering van den wil der Conferentie te verzekeren. Met dit inzicht was er sedert lang een Fransch leger van 50,000 man op onze Zuidergrenzen vergaderd. Bij het vernemen der tijding van het verlies van het Maasleger hadden de Fransche generaals met reden gemeend, dat de Belgen weinig kans hadden om tegen hunnen overmachtigen vijand te staan; en zij waren met hun leger over de grenzen gerukt, om koning Leopold ter hulp te snellen.

Juist toen de veldslag van Leuven op het hoogste was en de meeste Belgische regimenten met groot verlies den IJzerberg afgedreven werden, boden de eerste Fransche officieren, als zendelingen huns generaals, zich bij den hoofdstaf der Hollanders aan, en deden den Prins van Oranje en den Prins van Saksen-Weimar begrijpen, dat, indien er nog één kanonsbal geschoten werd, het Fransche leger in naam der Mogendheden, hun eenen nieuwen veldslag zou komen aanbieden, waarin de Hollanders ontwijfelbaar zouden bezwijken. Een Engelsch zaakgelastigde, dien wij dien dag meermaals met onzen Koning gezien hadden, was daar insgelijks tegenwoordig. Er werd een wapenbestand getroffen, waarbij men bepaalde, dat alle vijandelijkheden zouden ophouden, en dat het Hollandsche leger des anderen daags, - wel door de Franschen opgevolgd, doch ongehinderd, - naar de grenzen zou vertrekken. Het geschiedde zoo.

Wanneer alles rondom mij stil geworden was, richtte ik mij op en poogde van boom tot boom voort te gaan. Mijn voet was zeer gezwollen; ik had mijnen schoen in stukken gesneden, om hem te kunnen uitdoen, en ik sukkelde nu onder het lijden van hevige pijnen, langzaam nevens den steenweg voort, van tijd tot tijd mij nederzettende om te rusten.

De avond begon reeds te vallen; en ik lag weder met den rug tegen eenen boom der baan, wanneer een open fourgon voorbijreed, waarin nog eenige gekwetste soldaten zich bevonden. Men vroeg mij, waarom ik daar zoo eenzaam bleef zitten; op mijn antwoord hieven de voerlieden mij in den fourgon.

Toen wij te Mechelen kwamen, vonden wij al de straten overdekt met Belgische soldaten van alle regimenten en wapenen, die in de grootste verwarring op de steenen uitgestrekt lagen en sliepen. Ik bleef in den fourgon tot den morgen, als wanneer ik met behulp van eenen kameraad mij naar de Antwerpsche poort begaf, waar de verstrooide mannen van ons regiment zouden vergaderen. Na de oproeping der namen zouden wij Mechelen verlaten en weder den steenweg naar Leuven optrekken.

Omtrent elf uren des morgens was alles tot het vertrek gereed; eenige gekwetsten, waaronder ik zelf, lagen op karren en zouden volgen.

Bij de poort der stad werden de karren echter teruggehouden, en er werd bevel gegeven om de gekwetsten naar het hospitaal te voeren.

Het hospitaal, waarbinnen men ons bracht, was slechts voorloopig ingericht, en men noemde het eene infirmerie.

Wij werden elk in een bed gelegd; er kwamen zusters van liefde, die ons allerlei goed voedsel, wijn, lekkernijen en zelfs geld gaven. Een heelmeester verbond mijnen voet.... en, alhoewel mijne pijn nog uiterst hevig was, viel ik welhaast in eenen diepen slaap, die bijna tot den volgende morgen duurde.

Mijn voet bleef zeer pijnlijk gloeiend tot den tienden dag; dan kwam er eene spoedige beternis, eene week later kon ik reeds de infirmerie verlaten, om mij naar mijn regiment te begeven, dat zich in en rondom Dendermonde bevond.


VI.

De slag van Leuven en de voorvallen, die hem waren voorafgegaan, hadden elkeen de overtuiging gegeven, dat onze nederlaag alleenlijk toe te wijten was aan de slechte inrichting des legers en aan de afwezigheid van het gevoel der onderschikking, zoowel tusschen de officieren als tusschen de soldaten. Het Staatsbestuur, door eenen ervaringrijken koning aangedreven, hield zich onverwijld met de herinrichting des legers bezig; men zou den officiers, die de noodige bekwaamheid niet bezaten, hun ontslag geven, andere, oudgediende oversten in hunne plaats stellen, de tucht strengelijk doen handhaven, en met onverbiddelijke krachtdadigheid de gedachte van persoonlijke onafhankelijkheid versmachten, welke de vrijwilligers in het leger hadden gebracht.

Bij mijnen terugkeer in het regiment had men mij aangewezen, om voorloopig het ambt van sergeant-majoor in eene andere compagnie te gaan waarnemen. Ik deed mijn uiterste best om de gunst mijner nieuwe oversten te verdienen, en arbeidde zes halve nachten om de achtergeblevene schriften der compagnie gansch in orde te brengen.

Men sprak grooten lof van mijnen ijver en van mijne bekwaamheid; niemand twijfelde, of ik zou tot den graad van sergeant-majoor worden verheven. In dezelfde overtuiging schreef ik met hoogmoed en blijdschap aan mijnen vader aangaande mijne onfeilbare verhooging, en ik ontving daarover zijne liefderijke gelukwenschen.

Eenige dagen later kwam de generaal-inspecteur Olivier te Dendermonde, om de herinrichting van ons regiment te bestieren. Vele officieren, - onze kolonel zelfs, - werden op halve soldij weggezonden of verplaatst; anderen, die wij niet kenden, werden ons tot oversten gegeven; de nauwe uitvoering der tuchtwetten werd verzekerd, en zoo kreeg ons regiment een gansch nieuw voorkomen.

Toen men de benoemingen tot de openstaande plaatsen van onderofficier wilde doen, werd ik door den nieuwen kolonel onderzocht. Ik was slechts negentien jaar oud; en, tot overmaat van ongeluk, deed mijne magerheid en iets kinderlijks in mijn opzicht, mij nog veel jonger schijnen.

Met mijne bekwaamheid had de kolonel wel vrede; maar een sergeant-majoor, zeide hij, moet ontzag kunnen inboezemen, dewijl hij in eene compagnie de ware werkspil is en met de uitvoering der ontvangene bevelen is belast. Nu men voor doel had, de tucht in het leger te doen eerbiedigen, mocht men geene kinderen tot sergeant-majoor aanstellen.

Hij deed mij met goedheid in de stemme begrijpen, dat ik nog te jong en te klein was, om zulk gewichtig ambt naar behooren te vervullen; ik had tijd genoeg om te wachten, en men zou zich mijner herinneren, wanneer het nieuwe regiment aan de nieuwe inrichting zou gewend zijn. Ik werd te zelfder tijd aangewezen, om in eene nieuwe compagnie van het eerste bataljon mijnen vorigen dienst van fourier te hernemen.

Het was met het hoofd onder smart en spijt gebogen, dat ik de woning des kolonels en de stad verliet, om mij naar het dorp te begeven, waar onze compagnie alsdan geherbergd was.

Onderweg dreven mij allerlei treurige gepeinzen door het hoofd; ik morde met bitterheid tegen mijnen geringen ouderdom en mijne kleine gestalte, en klaagde het den boomen, dat mijn uiterlijk voorkomen mij als een kind met minachting deed behandelen, ofschoon, volgens mijne meening, een krachtig mannenhart mij in den boezem klopte. Daarbij voegde zich de overweging, dat mijn vader mijne teleurstelling met verdriet zou vernemen en mij misschien van laatdunkendheid zou beschuldigen! Mijne vrienden in het regiment zouden weten, waarom ik tegen de algemeene verwachting niet was verhoogd geworden.... Omdat ik nog te veel aan een kind geleek! Dewijl deze reden mij reeds veel had doen lijden, en waarlijk in het krijgsleven mij een bestendige hinderpaal en eene bron van kleinachting was geweest, was ik ten uiterste gevoelig geworden aan allen twijfel aangaande mijne hoedanigheid van man.

Twee dagen later werd ik bij mijne nieuwe compagnie ingelijfd. Dáár kende mij niemand, en ook niemand scheen geneigd om mijn stil en zoet karakter te ontzien of te sparen.

Nu begint voor mij een tijdstip van ramp en lijden, van ziekte der inbeelding, van droomachtige zelfverknaging, van kwalen, die mij alle lichaamskracht zullen ontrooven en mij tot op den boord van het graf moeten voeren....

De kapitein mijner nieuwe compagnie was een zonderling man, wiens inborst en daden als een ondoorgrondelijk raadsel iedereen verwonderden; hij had vele jaren als stafofficier onder de Turken gediend: ik twijfelde somwijlen, of hij zelf niet een Turk was, die zich voor eenen Franschman deed doorgaan.

Tamelijk lang van gestalte was hij, hoekig en baldadig in al zijne bewegingen, uiterst ruw, kort en streng in al zijne woorden. Zijne kleine, grijze oogen fonkelden in diepe holen, en hun doordringende blik was indrukwekkend voor ieder, als de blik des arends. Meest stampte hij onder het spreken geweldig met de scheede van zijnen sabel op den grond, mengde de krachtigste soldatenwoorden, tusschen zijne reden en had de gewoonte, onverpoosd naar alle kanten in het ronde te spuwen. Somwijlen zou men gewaand hebben, dat hem iets in de hersens faalde en hij zinneloos was.

In zulke oogenblikken was het hem eenerlei wie voor hem stond: officieren of soldaten, ieder moest zwichten en zijne harde verwijten in stilte verkroppen. Geraakte hij in twist met zijne gelijken, hij liet hooren, dat hij gereed was, om met sabel of pistool zijn woord gestand te doen; en dikwijls was een tweegevecht - voor hem altijd gelukkig afloopend - het einde zijner schijnbare ruwheid.

Met sommigen zijner oversten was hij even hard; ook werden door deze niet zelden pogingen aangewend om hem ernstigere straffen te doen ondergaan, dan men er bij het regiment kon opleggen. Hoe het kwam, weet niemand, maar telkenmaal - zelfs voor het krijgsgerechtshof - kreeg hij gelijk en bleef ongehinderd. Zijne verdedigingen, welke hij zelf schriftelijk opstelde, waren ongemeen krachtig en talentvol: wie hem tot tegenstrever had, kwam er nooit ongedeerd van af.

Vele redenen maakten hem echter bij de meeste soldaten der compagnie bemind en ontzien; eenigen zelfs zouden voor hem zonder aarzelen hun leven in gevaar gebracht hebben, indien hij het hadde verlangd. In den slag van Leuven had hij zich als een onversaagd officier gedragen, en zich meer dan eens met wonderbare vermetelheid ten doel der vijandelijke kogels vooruitgeworpen. In alle gevallen, waar het mogelijk was, verdedigde hij de soldaten tegen de mindere officiers en onderofficiers; soms ook wel tegen de hoogere oversten. Een groot gedeelte zijner soldij schonk hij aan de wakkerste mannen der compagnie tot drinkgeld weg, en toonde zich bij vlagen zoo goedhartig en zoo mild jegens hen, dat men hem roemde als een voorbeeld van belangeloosheid en van edelmoed.

Wat hij niet lijden kon, was de zachtheid van taal en zeden, welke sommige officiers uit het burgerlijk leven hadden behouden. Hij schold zulke manieren uit voor verwijfdheid en zwoer, dat elkeen onder zijn bevel soldaat zou worden in den vollen zin des woords, of er onder zou bezwijken.

Met eene opmerkelijke ruwheid bezat deze onbegrijpelijke man een diep en vlug verstand; hij was zeer geleerd en wist over zaken van krijgsdienst zooveel als een generaal hoeft te weten. Daarenboven pleitten vele zijner daden in hem voor zekere goedheid des harten. Dit mengsel van allerlei hoedanigheden maakte hem tot een soort van raadselachtig wezen, dat den meesten eenen geheimzinnigen schrik of ten minste een gevoel van verwijdering inboezemde.

Deze kapitein zou mijn overste worden! Men begrijpt lichtelijk tot hoeverre mijne inborst, mijne zwakheid en mijne lijdzame achterhoudendheid hem moesten mishagen.

Toen ik, met den ransel op den rug en het geweer op den schouder, voor de eerste maal bij mijne nieuwe compagnie mij vertoonde, stonden de mannen tot eenen oogenschouw der wapenen in gelederen geschaard. De adjudant-majoor van het bataljon leidde mij tot de compagnie en verwijderde zich, terwijl hij kortweg zeide: "Kapitein, ziehier uwen nieuwen fourier!"

Het was een onuitdrukkelijke blik van spijt en minachting, dien de kapitein op mij wierp; hij aanschouwde mij van hoofd tot voeten, keerde rondom mij, spuwde langs alle kanten met gramstorig gemor en riep dan, als in woede, tusschen vele indrukwekkende woorden, die men niet nederschrijft:

"Ah sa, wat hebben ze ginder in het hoofd? Of meenen ze, dat mijne compagnie eene kinderschool is? Men spot met mij! Er zijn andere mannen noodig om de gaillards mijner compagnie te bevelen. Wij zullen het zien: het zal er niet bij blijven!"

En onder het uitspreken dezer woorden liep hij verder de Markt op naar den kant, waar zich de kolonel en de groot-majoor bevonden.

Ik was, van schaamte bevend, in mijn gelid tusschen de onderofficieren gaan staan, en van daar zag ik, hoe de kapitein voor den kolonel geweldig met armen en beenen gebaarde en zijne sabel ten gronde stiet. Mij was het klaarblijkend, dat hij zich tegen mijne benoeming in zijne compagnie verzette en weigerde mij als fourier te aanvaarden.

Hij gelukte echter in zijne pogingen niet, vermits hij, een oogenblik later, vloekend en morrend tot mij kwam geloopen, mij nog eens van hoofd tot voeten beschouwde, en dan op scherpen toon zeide:

"Het is wel, wij zullen zien! Maak dat gij recht in uwe schoenen loopt, en toon, dat gij haar op uwe tanden hebt, of gij zult een zuur leven met mij hebben!"

Den bliksem van zijnen oogslag niet kunnende verdragen, liet ik het hoofd voorovergaan.

"Hoofd recht, en zie mij in de oogen!" riep de kapitein.

Ik weet niet, maar het was mij, alsof iets vreselijks uit zijnen blik mij in de ziele drong; en opnieuw boog ik het hoofd, van benauwdheid en van schaamte schier bezwijkend.

"Wie heeft om Gods wil zulke soldaten geschapen? Hij beeft als een oud wijf!" morde de kapitein met verachting.

"Te twee uren in mijne herberg!" beval hij. "Wij zullen beproeven of het mogelijk is, iets van u te maken."

Verder bemoeide hij zich niet meer met mij, dan alleenlijk dat hij nog bijwijlen eenen minachtenden blik op mij wierp. Ik was zoozeer onthutst door deze ruwe behandeling, dat ik bijna niet wist wat te antwoorden op de vragen en bevelen, mij door den sergeant-majoor, mijnen onmiddellijken overste, toegestuurd.

Te twee uren begaf ik mij naar de herberg des kapiteins. Mij sidderde het hart, en ik was benauwd, alsof mij iets zeer ongelukkigs moest overkomen.

In zijne kamer toegelaten, vond ik hem bij eene tafel aan het schrijven; hij sprong op met eene geweldige beweging, beschouwde mij eene wijl, beklaagde zich nog, dat ik hem tot fourier was gegeven, en vroeg mij dan, van waar ik was, en wat ik had geleerd.

Met zoete, nederige stemme vertelde ik hem van mijnen vader en van mijne vorige bestemming tot het onderwijzerschap. Ik beloofde hem mijn uiterste best te zullen doen om hem te believen, en smeekte hem, mij toch niet zoo ruw te behandelen, dewijl mij dit oneindig meer verdriet aandeed dan hij mij wilde veroorzaken.

In het eerst scheen hij met genoegen of met geduld op mijne uitleggingen te luisteren; maar mijn gebed tot zachtere behandeling deed hem in woede ontsteken, of ten minste hij gebaarde, dat het hem tot het uiterste punt der gramschap had vervoerd.

Nu rolden de toornige woorden als een vloed van zijne lippen, en uit zijn oog schoten gensters, die mij deden sidderen; dan weder verkalmde hij en beweerde, dat ik van den groven borstel noodig had om soldaat te worden. Andere malen greep hij mij gulhartig bij de hand en zeide:

"Gij zijt vervaard van mij? Gij beeft? Hoe kreegt gij het toch in uw hoofd, soldaat te worden? Gij trekt gezichten, alsof gij nog op den schoot uws moeders zaat! Kom, schep moed, ik zal eenen man van u maken. Wat ik doe, is voor u goed.... Maar zoo gij kind wilt blijven, dan vindt gij geene verschooning voor mijne oogen: ieder moet zijn' stiel doen, en het is al veel te lang, dat men in het leger muscadyns en oude wijven hunnen vrijen gang laat gaan."

Mijne vreesachtige antwoorden en bovenal de moedelooze toon mijner stem bevielen hem niet. Opnieuw begon hij mij te bedreigen en voor kind en melkbaard te schelden, tot zooverre dat ik, onder eene ware verschriktheid bezwijkend, in tranen losborst.

Dan kende zijne woede geene palen meer; hij vatte mij bulderend bij den schouder, duwde mij de kamer uit en sloot de deure toe.

Met vermorzeld hart, gansch moedeloos en van de toekomst schrikkend, sukkelde ik naar mijne herberg, waar ik den sergeant-majoor mijn wedervaren vertelde.

Deze poogde mij te doen begrijpen, dat de kapitein inderdaad zonderlinge manieren had, maar dat men het niet ernstig opvatten moest, dewijl hij zelf het zoo niet meende; dat hij in den grond een goed hart had, en niemand wetens en willens kwaad zou doen; ja, dat het gebeurde een bewijs was, dat hij veel geneigdheid voor mij gevoelde, en rechtzinnelijk moeite wilde doen om mij soldaat te maken, eene hoedanigheid, die mij klaarblijkend ontbrak.

Hoe het zij, de wijze, op welke men mijne inborst wilde veranderen, krenkte mij den geest en maakte mij wanhopig. Elken dag overlaadde de kapitein mij met harde woorden, en poogde als het ware mijn lijdzaam gemoed tegen zijne ruwe behandeling in opstand te brengen; hij scheurde mijn schrijfwerk onder alle voorwendsels aan stukken, strafte mij om de minste schijnreden, en vernederde mij bloedig in tegenwoordigheid der soldaten, die ik in vele gevallen te gebieden had.

Welhaast verlieten wij Dendermonde, om in het kamp bij Diest te gaan liggen, waarna wij eenigen tijd op de dorpen geherbergd bleven, en eindelijk te Bergen-Henegouw in de groote kazerne geraakten.

In November 1831 vertrokken onze sergeant-majoors naar het depôt, om er de schriften der compagniën door wederzijdsche vergelijking in orde te brengen. Zij bleven zes maanden afwezig, en lieten gedurende dien tijd de fouriers met de vervulling van hun ambt belast. Dezen laatsten werd een korporaal toegevoegd, om hen in hunne dubbele hoedanigheid te helpen.

Nu vielen mij eene groote verantwoordelijkheid en ongemeen veel bezigheid ten laste; mijne vreesachtigheid maakte mij de taak veel zwaarder dan zij was; ik kon schier niet slapen van ongerustheid en bekommernis, en beging daarom juist nu en dan wel eens eenen misgreep in de uitvoering der ontvangen bevelen.

Mijn kapitein bleef nog immer bij zijn inzicht om, zooals hij zeide, een soldaat van mij te maken. Bijna elk uur van den dag moest ik nu met hem in aanraking komen; hij bejegende mij telkens met ontmoedigende hardheid, strafte mij onbarmhartiglijk en vervulde mijn neergeknakt gemoed met hopeloosheid en met schrik.

Langzamerhand werd mijne inbeelding krank; mijn verstand geraakte in de war; de kapitein met zijne bliksemende oogen kreeg voor mij de vormen van een geheimzinnig wezen, van eenen boozen geest. Zijne stem deed mij sidderen; des nachts droomde ik van vervaarlijke dingen, van uitteren en van sterven, en telkens stond de vreeselijke beeltenis des kapiteins bij mijne doodsponde te lachen, als verblijdde hem het laatste oogenblik zijner uitgeputte prooi.... Ook mijn lichaam vermagerde spoedig; de wangen werden mij geel en doorschijnend, en alhoewel ik mij zelden over mijn lot beklaagde, gevoelde ik iets in mij, dat mij een vroegen dood voorspelde.

Dat mijn kapitein een boosaardig man was, mag men niet gelooven; maar wat doet het er toe? De inbeelding, wanneer zij met ziekelijke ontsteltenis is getroffen, schept spoken en ondergaat hunnen invloed, alsof zij werkelijk bestonden. - Met mij was het zoo gesteld.

Ik was tot zooverre geraakt, dat ik elk mensch voor eenen vijand en voor een zielloos en kwaadaardig wezen aanschouwde, en ik haatte in mijn binnenste de wereld en het leven, wier onschuldig slachtoffer ik mij waande te zijn.

Mijne gezellen vluchtte ik; des avonds, wanneer mij geene haastige bezigheden tot den arbeid dwongen, zat ik eenzaam in mijne kamer, met het hoofd op de handen, te mijmeren en te droomen van mijn vorig leven; alsdan somtijds tot eene ziekelijke begeestering der smart opgevoerd, sprak ik tot God, Hem zeggende, dat ik mij verduldig boog onder het gewicht van Zijnen arm, en lijdzaam het lot te gemoet zag, dat Zijn wil mij had beschikt.

Terwijl mijne kameraden zich buiten de kazerne vermaakten en den avond in vreugde doorbrachten, hield ik mij dus bezig met mijn eigen hart te verknagen en mij de gemoedskracht te ontnemen, die er noodig was om niet onder het verdriet te bezwijken.... Ik leed aan de schrikkelijke en meest altijd doodelijke kwaal, die men landziekte of heimwee noemt....

Het heimwee is eene zonderlinge en geheimzinnige ziekte der hersens. Zij vindt hare meeste slachtoffers onder de jonge soldaten; eenige ook onder de scholieren, die verre van het ouderlijk huis met dwang in een kostschool worden opgevoed; of onder jonge kloosterlingen, of onder jonge gevangenen: in één woord, onder zulke menschen, die te vroeg van de geboorteplek zijn weggerukt en nog iets van de teergevoeligheid hunner kindsheid hebben behouden.

Wanneer een soldaat de landziekte krijgen zal, bekomt zijn gelaat eene bleeke kleur van eenen eigendommelijken toon; zijne oogen worden weifelend en bewegen langzaam; het hoofd nijgt hem op de borst. Hij schijnt altijd in diepe mijmering verzonken; en, spreekt men hem hard toe, hij schiet met verrassing uit zijnen droom, als iemand die ontwaakt. Niets kan hem vermaken; zijn lach, indien hij nog bekwaam is om te veinzen, is bitter en droef als eene klacht. Hij vlucht zijne vrienden en is liefst alleen; wanneer zijne gezellen de kazerne verlaten, om uit wandelen te gaan, blijft hij in de kamer; als zij te huis zijn, verbergt hij zich in den eenen of anderen hoek der kazerne om ongezien met het hoofd op de borst in vrijheid te kunnen droomen.

Altijd mijmert hij van de zelfde dingen; zijne oogen zien het vaderlijke huis en de bergen, waar zijne wiege stond. Hij spreekt tot zijne afwezige moeder; hij noemt de namen der vrienden zijner kindsheid; hij ziet en hoort alles, wat hem te huis dierbaar was. In dezen engen kring beweegt zich zijne ziel; en, of hij onder de wapens zij of niet, wat hij doe of verrichte, er is geene plaats voor andere gedachten meer in zijn hoofd.

Door deze eendenkerij vervallen zijne hersens welhaast in eene durende verlamming, die voor gevolg heeft, dat het lichaam de noodige zenuwsappen niet meer toegezonden worden.

Allengs begint de maag van den heimzieken soldaat voedsel te weigeren; hij vermagert spoedig, laat zijne leden krachteloos hangen en beweegt zich met eene opmerkelijke traagheid. Onderwijl geschiedt er in zijn binnenste iets vervaarlijks: zijne longen verdrogen, verengen en baren in de verholenheid zijner borst die ronde verhardingen, welke een doodvonnis zijn.... Hij begint te kuchen en te hoesten.... Men schrijft hem een briefje om naar het hospitaal te gaan; zijne kameraden zien hem met treurigen oogslag achterna, terwijl hij de kazerne uitsukkelt.... Zij weten wel, dat hij niet wederkeeren zal....!

Er zijn zoovele jonge soldaten, welke dien weg ingaan! En het zijn de begaafdste zielen, de gevoeligste harten; want een ruw jongeling of een kerel met stoffelijke neigingen krijgt het heimwee niet.

Vele regimentsdokters pogen, wanneer zij de teekens dezer ziekte in eenen loteling bespeuren, hem een verlof te bezorgen, om voor eenige dagen naar het ouderlijk huis terug te keeren. Mochten zij allen dus handelen! Er is geen ander geneesmiddel: al het overige dient slechts om den noodlottigen loop der kwaal te verhaasten. Maar men moet het aanwenden, zoo haast de gemakkelijk herkenbare teekenen der kwaal zich openbaren; want heeft het heimwee eens de kiemen des doods in de longen neergelegd, dan is het voor alle menschelijke hulp te laat.

Die ijselijke ziekte ondermijnde mijn leven; - ik hoestte echter nog niet....

Tot overmaat van ongeluk deserteerde omtrent dien tijd de korporaal, dien men mij als hulp had toegevoegd. Hij had de schriften der broodlevering vervalscht en zeven paar nieuwe beddelakens verkocht of medegenomen. Deze laatste voorwerpen en eene groote hoeveelheid brood moest ik te goed doen; men zou de waarde er van, die eene voor mij aanzienlijke som beliep, op mijne soldij afhouden. Daarbij, men beschuldigde mij van verzuimenis, van moedeloosheid, ja zelfs van lafheid.

Dien dag onderstond ik vanwege mijnen kapitein eene wreede berisping, die mij verpletterde en de laatste vonk van levenslust in mij verdoofde.

In den loop van den avond, terwijl ik in eenzaamheid zat te treuren, werden mijne leden allengskens ijskoud; alles beefde met groot geweld aan mijn lichaam. Geneigd om immer den zwartsten kant der zaken te zien, meende ik, dat mijn stervensuur ging naderen; doch, alzoo ik mij nu op mijn bed had neergelegd, begonnen mijne hersens te gloeien en mijne huid te blaken, alsof mijn leger een brandstapel ware geworden. Zoo duurde het den halven nacht, todat ik eindelijk in eenen lastigen slaap wegzonk. Eene zenuwkoorts had mij aangedaan, en nu keerde deze kwaal elken dag op ongeregelde uren met hernieuwde kracht terug.

Evenals aan iederen ontmoedigden soldaat, boezemde het hospitaal mij eenen hevigen schrik in; ik had de overtuiging, dat, indien ik eens onder de poort van het ziekenhuis moest doorgaan, zij zich nimmer weder voor mij zou openen, dan alleen tot het wegvoeren van mijn lijk. Daarom, ik verborg mijne kwaal en smeekte de weinigen, die er van wisten, dat zij toch niets er over zouden zeggen.

Den dag na den eersten aanval had ik eenen brief vol verzuchtingen en vol tranen voor mijnen vader geschreven; zelfs had ik er eenen zin in gesteld, die beteekende, dat hij zich haasten moest, wilde hij de zekerheid hebben mij nog in leven te zien; doch de gedachte, dat ik mijnen vader te veel schrik en verdriet zou aandoen, deed mij eenen anderen brief schrijven, waarin ik mij bepaalde bij droeve klachten en bij het gebed om een bezoek van hem te ontvangen.

Hij antwoordde mij, dat hij binnen vijf of zes dagen te Bergen zou komen; maar hij schreef ook onder anderen:

"Gij zegt dat uw kapitein u behandelt als eenen slaaf? Wat beteekent dit? Wat doet gij dan om zoo te worden bejegend? Ik geloof, dat er veel van uwe schuld in dit alles is: uw karakter is niet wat het zou moeten zijn. De philosophische gedachten, die u door het hoofd rollen, zijn de oorzaak van uw misnoegen en van uwen onwil. Dit is het wat u onaangenaam maakt bij uwe oversten en kameraden, die uwe bewegingen van ontevredenheid wel bemerken, bovenal wanneer gij iets te doen hebt, dat u niet aanstaat. Geloof mij, verander van gedachten; zoo niet, zult gij ongelukkig zijn, zoowel in den burgerstand als onder dienst. Het leven is geen droom, al zeggen het de philosofen; het is een werkelijke strijd; het lot is de vijand, en men overwint hem met hem onversaagd in de oogen te zien."

Mijn goede vader kende mijn hart; hij wist, wat er te veel en wat er te weinig in was, en nu ook wees hij mij de wonde mijns gemoeds met klaarheid aan. In den toestand, waarin ik mij bevond, kon ik hem echter niet begrijpen; zijne wijze vermaningen vielen als olie in het vuur mijner verterende smart, en ik waande mij door iedereen op de wereld verlaten, ook door mijnen vader!

Des anderen daags greep de koorts mij in den morgen aan; en het was reeds tien uren, wanneer ik, van de eerste koude huiverende, nog half gekleed op mijn bed lag.

Op dit oogenblik trad de kapitein in de kamer; ik sprong verschrikt ten gronde en bedwong de siddering der koorts een kort oogenblik; doch de kwaal was mij meester en deed mij onmiddellijk met meer geweld beven. Mijne bleeke wangen en blauwachtige lippen verrieden ook genoeg mijnen toestand.

Mij doordringend bezien hebbende, zeide de kapitein:

"Gij hebt de koorts? Stel u op het ziekenrapport: gij moet naar het hospitaal."

Hij zag, hoe dit woord mij met angst en vervaardheid sloeg.

"Wat betekent dit?" vroeg hij.

"Ach, kapitein," smeekte ik, met de handen biddend te zaam gevouwen, "doe mij niet naar het hospitaal gaan; ik ben zeker, dat ik er zal sterven!"

"Zinnelooze droomer!" morde hij, "ik geloof inderdaad, dat gij de waarheid zegt! Kom aan, schep moed, volg mij, ik zal u genezen!"

En, alzoo ik nu met trage bewegingen mijne kleederen aantrok, begon hij van ongeduld te bulderen, mij mijne lamheid te verwijten en mij zoodanig met ruwe woorden te overladen, terwijl hij zijn inzicht om zelf mij te genezen herhaalde, dat ik schier van schrik bezweek, in de gedachte, dat hij iets ijselijks met mij voorhad.

Ik volgde hem evenwel, daar hij de kazerne verliet, om met mij naar zijne woning te gaan. Zoo diep rampzalig in mijn gemoed was ik, dat ik onderweg met glinsterende oogen eenen bedelaar aanschouwde, en in mij zelven met een gevoel van heeten nijd uitriep:

"Hoe gelukkig! Hij is vrij!"

Ware het mij vergund geworden, mijne soldatenkleederen en mijn fourierschap tegen de gescheurde plunje en tegen de ellende van dien bedelaar te verwisselen, hoe hadde ik God gedankt om die weldaad! Hoe hadde ik door eenen blijden zegekreet mijne verlossing begroet!

Terwijl wij de hooge straat naar de markt opklommen, ontmoette ons de kolonel des regiments, M. Le Hardy.

Van verre reeds bezag hij mij met opmerkzaam medelijden, en, genaderd zijnde, vroeg hij den kapitein:

"Wat heeft toch uw arme fourier? Hij schijnt wel ernstig ziek? Gij moest hem wat rust gunnen."

Uit mijne oogen lichtte eene vonk der dankbaarheid den medelijdenden overste tegen. De kapitein vervorderde echter zijnen weg, terwijl hij groetend antwoordde:

"Eene lichte ontsteltenis, kolonel; het is zijn hoofd, dat niet deugt. Ik ga hem genezen...."

Eindelijk kwamen wij in zijne woning en op de kamer, waar hij zich gewoonlijk hield. Hij kondigde mij aan, dat hij mij een geneesmiddel zou doen nemen, dat mij onfeilbaar en voor altijd genezen zou; zijne oogen, die op mij gevestigd waren, schenen mij met een geheimzinnig vuur te flikkeren; zijne woorden waren dubbelzinnig en voor mij schrikverwekkend.

Ik durf het bijna niet bekennen; maar mijne zieke inbeelding zeide mij, dat de kapitein mij vergif ging aanbieden! Ik sidderde; en, op mijne beenen waggelend, steunde ik mij met de hand aan den rug van eenen stoel.

De kapitein had intusschen eene kas geopend. Hij haalde er eene flesch uit, en schonk een donkergroen vocht in een glas.

Groen was voor mijnen geest de eigen kleur van vergif. Onzeglijk werd mijn schrik; als met versteendheid geslagen, zag ik het glas mij tot de lippen naderen!

In het eerst weigerde ik van het gevreesde vocht te drinken; doch ik kon het tegen den kapitein niet lang uithouden, en welhaast, mij in mijn lot gelatende als iemand, die den marteldood aanvaardt, ledigde ik de helft van het glas in eene enkele koortsige teug. De groene drank was bitter als gal, en liep daarbij brandend door mijn ingewand.

Mij hebbende doen nederzitten, begon de kapitein op vriendelijken toon eene lange rede over de hoedanigheden van een goed soldaat; hij beloofde als een vader voor mijne verhooging te zullen zorgen, indien ik slechts man wilde worden en, zooals hij zeide, mijn kindervel wilde uitschudden. Hij noemde mijne droomachtige gevoeligheid eene ellendige sensiblerie, die zelfs in een meisje van zestien jaar belachelijk zou schijnen.

Hoe gegrond zijne redenen ook mochten zijn, ik aanschouwde ze, in de dweepzucht des lijdens, als louter valschheid en spot; ik hoorde ze aan me een versteend en gesloten hart.

Onderwijl had de kapitein mij het glas doen ledigen en het ten tweeden male gevuld. Wanneer insgelijks deze tweede hoeveelheid vochts door mij gedronken was, begonnen mijne denkbeelden op eene vreemde wijze in de war te geraken; en als de kapitein mij dwong tot antwoorden, had ik moeite om te spreken.

Dan stond hij van zijnen zetel op en zeide:

"Het is genoeg; ga nu naar de kazerne, kruip in uw bed en blijf rusten, zoolang gij wilt. Ik zal bevelen geven, dat niemand u store; laat u noch aan dienst, noch aan schrijfwerk gelegen; ik geef u vier dagen verlof en volle vrijheid.... Welnu, sta op, zeg ik; vertrek!"

Ik verliet de kamer. Wat ik had, wist ik niet, maar ik moest mij met beide handen aan de leuning van de trap steunen om niet te vallen.

Toen ik op de straat getreden was en na een twintigtal stappen den indruk der lucht onderging, greep ik mij aan het ijzer van een venster vast: de huizen begonnen in woeste vaart rond mij te draaien; ik zag dansende lichten voor mijne oogen, en ik verloor in de bliksemsnelle wentelkolk, waarin ik scheen weg te zinken, mijn bewustzijn geheel en gansch.... Ik was dronken: voor de eerste maal mijns levens!

Bij geluk ging op dit oogenblik een sergeant van ons bataljon in de straat voorbij; hij hief mij van den grond op en leidde mij naar de kazerne, waar men mij in mijn bed legde.... Dat ik dien ganschen dag veel zieker was dan te voren, behoeft niet te worden gezegd.

Mijn kapitein had bevel gezonden, dat ik mijne kamer onder geen hoegenaamd voorwendsel mocht verlaten.

Slechts den derden dag zag ik hem voor de eerste maal weder; hij vond mij, terwijl ik met ongemeenen eetlust een groot stuk vleesch nuttigde.

"Zoo, zoo!" riep hij, "het schijnt, dat het geneesmiddel goed gewerkt heeft! - En de koorts, is zij teruggekeerd?"

Het speet mij, te moeten bekennen, dat ik waarlijk van de koorts was genezen; want inderdaad, ik had de minste huivering niet meer gevoeld, sedert ik van het groene vocht had gedronken.

De goede uitslag zijner poging scheen den kapitein zeer te verblijden. Hij moedigde mij opnieuw aan tot het verdrijven mijner zinnelooze gedachten, zooals hij ze wel eenigszins met reden noemde; en dan eindelijk mij een stuk van vijf franken in de hand duwende, verliet hij mij, zeggende:

"Gij hebt geen geld? Dáár, wandel nu en zoek eenig vermaak. Wat de beddelakens betreft, die men u ontstolen heeft, denk er niet te veel aan: ik zal die zaak wel regelen."

Met tegenzin begaf ik mij, volgens zijn bevel, ter wandeling buiten de stad; ik dwaalde er uren lang in eenzaamheid, droomend van mijne ijselijke slavernij, van den vurigen haat, dien ik meende, dat de kapitein mij toedroeg, van der menschen onrechtvaardigheid, en van allerlei andere dingen, die mijne krankzinnige dweepzucht konden voeden.

Bij het terugkeeren naar de stad ontmoette ik eenen kreupelen man, die mij eene aalmoes vroeg. Ik gaf hem het stuk van vijf franken, mij door den kapitein geschonken. De bedelaar aanschouwde mij met verbaasden blik, als wilde hij mij vragen, of ik wel bij mijne zinnen was. Een soldaat, die vijf franken wegschenkt, moest in zijne oogen zot of iets dergelijks zijn! Wel een vierendeel uurs bleef de verbaasde man mij achterna zien; wat mij betreft, ik was tevreden, dat het geld van hem, dien ik de oorzaak van mijn ongeluk waande, uit mijnen zak verdwenen was, zonder dat mijn geweten mij kon verwijten, iets er van te hebben gebruikt.

Des anderen daags kwam mijn vader te Bergen. Toen mijne oogen hem zagen, vloog ik hem weenend aan den hals en bezwijmde schier van aandoening. Mijne bleeke wangen boezemden hem een diep medelijden in: liefderijk en troostend waren zijne woorden in het eerst, doch na eene wijl begon hij eene hevige berisping tegen mijn gedrag uit te spreken, bovenal toen ik den kapitein van wreedheid en van haat tegen mij beschuldigde.

Mijn vader, om te weten, wat er in mijne brieven gegrond kon zijn, was tot den kapitein gegaan, vooraleer naar de kazerne te komen; hij was door hem gulhartig en vriendelijk onthaald geworden, had ten zijnen huize het middagmaal genomen, had met hem gesproken over Napoleon en de oorlogen van het keizerrijk; in één woord, men had hem bejegend als eenen broeder. De kapitein had hem ook uitgelegd, dat al mijn lijden slechts in mijne inbeelding bestond, en hoe hij zich vele moeite gaf om mij van mijne droomkwaal te genezen; hij had hem gerustgesteld over mijnen toestand en hem beloofd, voor mij als voor zijn eigen kind te zullen zorgen.

Het spreekt van zelf, dat mijn vader in zulke gemoedsstemming mijne klachten niet kon goedkeuren. Hij laakte mijne dwaze denkbeelden met bitterheid; ja, hij werd gram en spijtig als hij zag, dat mijne overtuiging door geene woorden of bewijzen te veranderen was, en ik met eene onplooibare stijfhoofdigheid allen troost, die mij ongelijk gaf, wegwierp als eene onrechtvaardigheid.

Na anderhalve dag verblijf te Bergen, keerde mijn vader mistroostig naar Antwerpen terug. Ik gevoelde mij ongelukkiger dan te voren. Niemand, niemand kon mij begrijpen, zelfs niet mijn vader!


VII.

In den loop der maand Mei 1832 borst eensklaps de choleraziekte in Bergen los; het was hare eerste verschijning in België. Deze schrikkelijke kwaal, die voor zoovele huisgezinnen eene bron van smart en ongeluk moest zijn, werd mijne redding.

Om de soldaten zooveel mogelijk van de ziekte te bevrijden, verspreidde men ons regiment op de dorpen der provincie Henegouwen; deze bewegingen en het vrijere leven bij de boeren gaven mijnen geest wat rust en mijn lichaam den tijd om zijne krachten een weinig te herstellen. Mijne bleekheid verdween; en, alhoewel ik nog zeer mager bleef, scheen toch het gevaar des doods van mij afgekeerd. Mijn sergeant-majoor was uit het depôt teruggekeerd; daardoor werd ik verlost van zorgen en hoofdbrekerij, welke in den toestand mijns geestes veel hadden bijgebracht om mijne zinnen te verwarren.

Wij vertrokken welhaast naar de provincie Limburg, om het Hollandsch garnizoen der stad Maastricht te bewaken; op de dorpen rondom deze vesting bleven wij eenigen tijd bij de boeren geherbergd.

In zekere gemeente, niet verre van Meersen, geraakte ik over zaken van dienst in twist met eenen sergeant onzer compagnie, die een zeer ruwe en ongemeen sterke kerel was. In zijne gramschap sloeg hij mij geweldig in het aangezicht, en misschien zou hij mij nog verder mishandeld hebben, zoo niet de sergeant-majoor mijne verdediging genomen hadde. Men sprak wel van een noodig tweegevecht, om mijne gekrenkte eer te herstellen; doch mijn moed was te verre weg om aan zulk iets te durven denken.

De kapitein vernam het gebeurde en deed mij naar zijne herberg komen. Op zijn bevel verhaalde ik hem wat er was geschied; maar ik sprak waarschijnlijk op een toon van uiterste zwakheid, want mijne woorden deden hem opbruisen van spijt en gramschap. Toen eindelijk mijne opgehouden tranen losbraken, nam hij mij bij den schouder en stiet mij ten huize uit, zeggende, dat hij mij van mijne kinderachtige lafheid zou genezen, even gelijk hij mij van de koorts genezen had.

Een half uur daarna kwam de sergeant-majoor mij melden, dat ik voor vier dagen in de politiekamer moest gezet worden, en dat ik hem onmiddellijk te volgen had om mijne straf te ondergaan.

De politiekamer was een vertrek in een steenen huis des dorps; ik ging er zonder groote ontroering naar toe, want ik wist, dat vier dagen gevangenis voor mij vier dagen van eenzaamheid en van rust waren.

Hoe verschikte ik echter niet, toen ik, nadat de deur achter mij was gesloten, een aangezicht, van blijde wraakzucht en van haat verkrampt, uit eenen duisteren hoek des vertreks mij zag tegengrijzen.... Het was de sergeant, die mij een uur te voren had geslagen!

Verpletterd en sidderend, bleef ik met gebogen hoofd staan, zonder mij te verroeren.

"Ah, ah, domme lafaard," brulde de sergeant, "nu heb ik u in mijne klauwen! Gij hebt voor den kapitein eenen hoop valschheden over mij gezegd; maar nu zult gij het duur gaan betalen!"

Bij deze woorden begon hij mij zonder ophouden te schudden, te slaan en te stampen. Van angst en vervaardheid schier bewusteloos, liet ik mij zonder klacht of tegenspraak over en weder stooten als iemand, die allen moed opgeeft en zich gedwee aan een onvermijdelijk lot overlevert. Slechts toen mijn vijand zich vermoeid gevoelde, gunde hij mij eene verpoozing, terwijl hij zich nederzette en, met de vuist dreigend, mij toeriep:

"Ellendige bloodaard! Dat laat zich hoonen en mishandelen als een kind, waar ziel noch hart insteekt! Gij gelooft, dat het gedaan is? dat ik u gerust zal laten? Neen, neen, geen oogenblik rust zult gij hebben: meteenen zal ik u de kapot eens voor goed uitkloppen: elk half uur zult gij knoflook eten, dat u hooren en zien vergaan!"

Met het aangezicht naar den muur gekeerd, stond ik in eenen hoek der donkere kamer; tranen vloeiden uit mijne oogen, en ik sidderde in de gedachte, dat de sergeant mij een ongeluk zou doen.

Niet lang bleef ik aan mijne wanhopige gepeinzen overgeleverd; onvoorziens rukte de hand mijns vijands mij geweldig uit den hoek en smeet mij met eenen krachtigen zwaai tot aan den anderen kant der kamer. Opnieuw begon hij mij te slaan en te stooten, totdat hij weder, om te rusten, zich van mij verwijderde.

Zoo duurde het den ganschen dag.

Alhoewel ik deze bemerking slechts later maakte, was het echter klaarblijkend, dat de sergeant mij niet ernstig wilde bezeeren; want met al zijn slaan en schudden voelde ik toch geene blijvende pijn aan mijne leden.

Op dit oogenblik echter deed mijn verschrikt gemoed mij gelooven, dat hij zich wel vast voorgenomen had, mij dood te martelen; en het was met ijzing, dat ik den avond zag dalen, in de overtuiging, dat mijn vijand mij des nachts zou kunnen doodslaan. Ik had reeds meer dan eens op wanhopigen toon om hulp geschreeuwd; doch de schildwacht voor de deur, noch de lieden uit den huize schenen er aandacht op te geven.

Het was reeds duister in de politiekamer, toen de sergeant opnieuw tegen mij inviel en, onder het schokken en schudden, mij voor de eerste maal zulke gevoelige pijn veroorzaakte, dat een schreeuw der smart mij ontvloog. De overtuiging dat mijn laatste uur gekomen was, voerde mij tot eene zinnelooze vertwijfeling, en bracht eenen ganschen omkeer in mijn gemoed. In blinde razernij ontstoken, begon ik mij met verrassend geweld te verdedigen: ik stompte met vuisten, ik krabde, ik beet, ik scheurde als een zwak dier, welks krachten door de vrees des doods zijn verdubbeld.

Met verbaasdheid liet de sergeant mij los, om het bloed te stelpen, dat hem ten neuze uitvloeide; hij bulderde, vloekte en dreigde met verschrikkelijke woorden, dat hij mij onmiddellijk den hals ging breken; doch ik, sidderend van ontroering, zeide hem op heeschen toon:

"Kom, ik verwacht u, ik ben gereed, mijn leven ben ik moede; maar ik zal het u duur verkoopen. Kom, dat het eindige! Kom!"

Hij schoot inderdaad op mij toe en gaf mij eenen bedwelmenden vuistslag op het voorhoofd; ik boog wel de knie onder zijn geweld, maar even ras sprong ik in de hoogte en begon opnieuw in het wild te slaan, te stampen en te krabben. Ik moest mijnen tegenstrever zeer pijnlijk in het aangezicht getroffen hebben, want hem ook ontsnapte een kreet der pijn, en hij verwijderde zich voor goed van mij.

Dan zeide hij, onder vele grove woorden:

"Ik vecht niet meer in de duisternis. Morgen vroeg zullen wij onze rekening vereffenen: ik zal u vermorzelen, u vertrappen onder mijne voeten!"

"Ah," riep ik hem toe, "bij dag of bij nacht, het is mij gelijk; gij moogt met mij doen wat gij wilt, ik ben tot alles gereed. Het is beslist: sterven of niet, zoo gij mij nog met den vinger aanraakt, scheur ik u het vleesch van het aangezicht!"

De sergeant scheen te zwichten voor de onbegrijpelijke opgevoerdheid mijns geestes; misschien vreesde hij, dat ik zinneloos geworden was. Althans, hij raadde mij aan, in het stroo neer te liggen en te slapen; des anderen daags 's morgens zouden wij vechten, totdat één van beiden ter plaatse bleve liggen.

Uren lang staarde ik in de donkere ruimte; mijn borst scheen mij tot eene ongewone breedte gezwollen; ik hijgde met machtige ademhalingen; de vuisten waren mij krampachtig gesloten; het voorhoofd gloeide mij van gramschap en van strijdlust. Meer dan eens meende ik op te staan en mijnen vijand tot een nieuw en beslissend gevecht te dwingen; niet omdat ik hem haatte, maar er gebeurde iets onuitlegbaars in mij.

Nu had ik ééns in mijn leven tegen een bijzonder mensch gestaan, zonder plooien. Hij was sterk als een reus, en ik had hem overwonnen! De moed en de onversaagdheid waren dus krachten, die tegen lichaamssterkte bestand zijn?

Zulke overwegingen vervulden mijnen boezem met hoogmoed en met blijdschap. Voortaan zou ik mij niet meer laten hoonen!

Den volgende morgen, als het licht geworden was, konden wij op elkanders aangezicht de teekens van den strijd bemerken; wij hadden elk een blauw oog, en het aangezicht van mijnen makker was daarenboven met sporen mijner nagelen overdekt.

Hij was merkelijk bedaard en bepaalde zich nu met mij te zeggen, dat ik tegen hem in tweegevecht zou gaan, zoo haast wij uit de politiekamer zouden vrijgelaten worden. Ik antwoordde hem met stil, doch vast besluit, dat mij alles gelijk was; maar dat ik, als uitgedaagde, de pistolen tot het tweegevecht verkoos, om reden dat door dit wapen de zaak zich spoediger en ernstiger liet beslissen: het ergste was mij het beste....

Omtrent zeven uren des morgens werd de sergeant uit de politiekamer gelaten; ik bleef diensvolgens alleen.

In de eenzaamheid begon ik te overwegen, wat mij was geschied en hoe ik den sterken en gevreesden kerel tot rust en tot zwijgen had gedwongen. Mij door de inbeelding aanjagend, tooverde ik al de personen voor mijne oogen, die mij ooit hadden mishandeld of gehoond; ik sprak met luider stemme en hield redevoeringen, om dezen mijnen vijanden te doen verstaan, dat ik geene minachting meer wilde verdragen en mij over elke beleediging zou wreken. Allerlei machtspreuken rolden mij in klinkende bewoordingen van de lippen; en zooverre voerde mij de koorts des geestes, dat ik mij de vuisten tegen de muren ten bloede bezeerde, als waren deze de vijanden geweest, die ik tot den strijd had uitgedaagd.

Het spreekt van zelf, dat het grootste gedeelte mijner bedreigingen tegen mijnen kapitein waren gericht.

Een uur na het vertrek des sergeants stelde men mij insgelijks in vrijheid!

Nu durf ik niet vooronderstellen, dat de kapitein den sergeant bevolen had, mij te mishandelen. Misschien heeft hij hem slechts gezegd, dat hij moest pogingen doen om mij wat los te schudden; of, zooals hij in zijne soldatentaal zich kon uitdrukken: "Tâche donc de le dégourdir un peu."

Hoe het zij, in dien tijd meende ik mij verzekerd te mogen houden, dat de sergeant slechts gedaan had, wat hem letterlijk was bevolen geworden. In deze overtuiging zou ik den kapitein dankbaar moeten geweest zijn; want hij had mij werkelijk van mijne kinderachtige blooheid genezen en mij eensklaps tot man gemaakt, iets wat ik, zonder de krachtdadigste middelen, in vele jaren waarschijnlijk niet zou geworden zijn.

In mijne herberg komende, vond ik den sergeant, die op mij scheen te wachten.

Zonder hem den tijd te gunnen om iets te zeggen, liep ik naar den koffer des sergeant-majoors, nam er twee pistolen uit en sprak:

"Hier zijn twee wapenen; kom, dat het spoedig beslist zij!"

"De kapitein heeft allen verderen twist tusschen ons verboden," was zijn antwoord.

"Zulks kan mij niet wederhouden!" riep ik.

"Maar, fourier, misschien hebt gij zelden of nooit met een pistool naar het doel geschoten; ik integendeel, tref eenen pijpekop op dertig stappen...."

"Het is gelijk; maak zooveel beslag niet; mijn moed zou kunnen verkoelen; nu gevoel ik mij sterk. Kom!"

Mij de hand reikende, zeide de sergeant met stillen glimlach:

"Het is de gewoonte, ja de wet der eer, dat het tweegevecht onderblijft, zoo haast eene der beide partijen haar ongelijk bekent. Welnu, fourier, het lag niet in mijn inzicht u te bezeeren. Het was eene grap, die ongelukkiglijk door uwen hardnekkigen tegenstand in een ernstig gevecht is veranderd. Ik heb mij over u bedrogen, en ik erken, dat ik ongelijk had. Vergeet wat er is geschied en laat ons vrienden zijn als te voren! Indien nog iemand u een kwaad woord durft toesturen, hij zal mij tot vijand hebben. - Welnu?"

Mijn gemoed verweet mij mijne hardheid; want inderdaad, deze sergeant, hoe ruw ook van taal en omgang, was in den grond een goede jongen, die meer dan eens bewijzen van genegenheid had gegeven. Ik greep zijne hand met gulhartigheid en stemde toe in de verzoening.

De sergeant hield zijn woord: sedert dit voorval bleef hij altijd mijn vriend.

Dienzelfden morgen deed de kapitein mij bevel brengen om naar zijne herberg te gaan. Ditmaal gevoelde ik mij geenszins ontsteld; het hart klopte mij wel krachtig, doch in volle vrijheid, en ik hitste mij zelven onderweg tot stoutheid aan, om mijnen kapitein eens en voor altijd te doen begrijpen, dat ik als een man wilde behandeld worden.

Toen ik voor hem verscheen, zag hij eene wijl mij sprakeloos in de oogen met denzelfden blik, die mij zoo dikwijls heeft doen sidderen. Ik schouwde hem onversaagd in het aangezicht, zóó vast, dat hij zelf het moede werd, en eindelijk, het hoofd schuddende, met eenen grimlach uitriep:

"Gij zijt zinneloos op mijn woord! Gij ziet er knap uit, met uw blauw oog!"

"Kapitein, gij hebt mij doen roepen," zeide ik op ernstigen toon, "ik wacht uwe bevelen."

Nogmaals zag hij mij diep in de oogen, en, bemerkende, dat mijn gelaat even onbewogen bleef, vroeg hij in gedachten:

"Nu, zeg mij, is het ditmaal gemeend? Of hebt gij weder de koorts?"

Ik antwoordde niet. De kapitein zette zich neder; en, met het doordringend oog immer op mij gevestigd, beval hij:

"Nu, zeg mij, wat is er in de politiezaal omgegaan? Ik weet het reeds; zorg aldus, dat gij waarheid spreket, - of anders!"

Zonder de minste bijzonderheid te verzwijgen, verhaalde ik hem mijn wedervaren met den sergeant; en zelfs voegde ik er bij, dat het tweegevecht slechts was ondergebleven, omdat mijn tegenstrever zijn ongelijk had bekend. Tot slot zeide ik:

"En nu, kapitein, laat mij toe u te zeggen, dat ik wel vast en onherroepelijk heb besloten, voortaan zelfs geenen schijn van minachting meer te verdragen, van niemand hoegenaamd...."

"Van mij ook niet?" bulderde de kapitein met geveinsde gramschap.

Ik liet mij evenwel niet ontroeren en herhaalde:

"Van niemand.... Ik weet, kapitein, dat gij mijn overste zijt; maar dezelfde wet, die mij aan uwe bevelen onderwerpt, legt u insgelijks de rechtvaardigheid tot plicht op. Ik heb overwogen, dat het toch voordeeliger is, met gevaar des levens zelfs tegen geweld en onrecht op te staan, dan uit te teren en langzaam te sterven van verdriet...."

"Wat beteekent dit?" riep hij uit. "Weet gij wel, dat wij hier vóór den vijand zijn, en ik, bij de minste weigering tot gehoorzaamheid, over uw lot kan beschikken?"

Met koele stijfhoofdigheid antwoordde ik:

"Mijnen dienst zal ik doen, kapitein, beter dan te voren; maar ik herhaal het u, ik wil behandeld zijn als een man!"

"En zoo het mij beliefde, u anders te behandelen, wat zoudt gij doen?"

"Ik weet het niet: eene zinneloosheid misschien."

"Onbegrijpelijk!" morde hij, terwijl hij van zijnen stoel opstond en twee- of driemaal rond de kamer stapte.

Eensklaps sprong hij op mij toe, greep mij de hand, schudde ze zeer hevig en wees mij eenen stoel.

"Gij zijt een zonderlinge geest; er zijn veel goede dingen in u, doch zij liggen nog in de war. Kon het slechts klaar in uw hoofd worden! Zit neer: ik wil met u een ernstig onderhoud hebben."

"Zit neer!" herhaalde hij met ongeduld.

Zoo haast ik zijn bevel had gehoorzaamd, langde hij eene flesch en twee glazen uit eenen koffer.

"Trek zulk afkeerig gezicht niet," morde hij.

"Meent gij, dat ik u weder van het groene vocht wil doen drinken? Neen, ik bewaar dat sterke alsembitter om de koorts te genezen. Ziehier een glas fijnen Madera-wijn. Neem aan! Drink, ik wil het!"

Er was niets aan te doen; ofschoon al zijne woorden en zijne vriendelijkheid mij bitteren spot schenen, moest ik het glas tot den bodem ledigen.

"Luister nu, foerier," sprak hij op zoeten, bedaarden toon. "Ik heb uwen ouden vader beloofd, dat ik zou pogingen doen, om uwe inborst de vastheid te geven, die haar ontbreekt. Uw hoofd is hard; ik beken, dat het mij vele moeite heeft gekost. Gij hebt gemeend, dat ik boos tegen u was, dat ik u haatte? Ik heb het u inderdaad doen gelooven, omdat het noodig was tot mijn doel; maar gij hebt verstand genoeg om te begrijpen, dat ik mij niet elken dag zoo bijzonder met u zou hebben bezig gehouden, indien geen gevoel van geneigdheid of van achting, al ware het slechts voor uwen vader, mij hadde aangedreven. Genoeg daarover. Indien ik mij niet bedrieg, - wie kan het weten met een veranderlijken kerel als gij? - indien ik mij niet bedrieg, is er nu sterkmoedigheid genoeg in uwen boezem gegroeid, om u voortaan toe te laten, den last en de wederwaardigheden van het krijgsleven zonder plooien te dragen, ja zelfs om deze baan met geluk en tevredenheid te doorwandelen. Evenwel, geloof mij, uwe inborst is gevaarlijk voor u zelven: zij kent geene maat. Indien ik nu voortvoer met mijne pogingen om u uit uwe schadelijke droomzucht los te rukken, zoudt gij u misschien te veel man willen toonen, gekheden begaan en u zelven ongelukkig maken. Dit zou uwen ouden vader verdriet aandoen. Alzoo, ik zal mij voortaan jegens u houden, alsof ik met een echt soldaat te doen had. Verrechtvaardig gij van uwen kant dit vermoeden, en gij zult ondervinden, dat ik geen boos mensch ben, gelijk gij het tot nu toe waarschijnlijk hebt gedacht. Uw vader hoopt, dat gij eens officier worden zult; hij heeft zijn vaderland onder Napoleon met eere gediend en ziet het krijgsleven aan als eene schoone loopbaan. Het hangt van uwen wil af, zijne liefderijke hoop te verwezenlijken. Wat mij betreft, ik zal naar mijn vermogen er toe helpen."

Ik luisterde verbaasd op de woorden des kapiteins; zulken toon van ongeveinsde kalmte en van ware goedhartigheid had ik nooit in zijne stem opgemerkt, en ik vroeg mij zelven met wantrouwen, of ik zijne betuigingen van genegenheid voor waarheid of voor spot te nemen had.

Intusschen had de kapitein ten tweeden male wijn in mijn glas geschonken; en opstaande, zeide hij met dezelfde bevelende blikken en scherpen toon, die hem eigen waren:

"Drink, - en houd u voortaan recht in uwe schoenen! - Geloof niet, dat ik van zin ben u te behandelen als eenen porseleinen soldaat, dien men vreest te breken. Ik ben kapitein, en ieder moet het weten. Wat gezegd is, blijft gezegd. Ga nu naar uwe herberg, herkauw mijne woorden onderweg zeer goed, en hang er al droomende geene nuttelooze staarten aan."

Ik deed wat hij mij had bevolen, en overwoog zijne woorden zoo lang en zoo diep, dat mijne spijt tegen hem - mijn haat zou ik moeten zeggen - verminderde, verkoelde en geheel verging. Alhoewel ik het nog voor mij zelven poogde te verbergen, toch erkende ik innerlijk, dat ik, ten minste grootendeels, door overdrijving had gedwaald.

Van dien tijd af was deze kapitein niet bijzonder barsch meer tegen mij; ja, hij betoonde mij somwijlen achting en vriendschap. Hij bleef wel dezelfde als te voren, wierp mij nog bij gelegenheid eenen vloed harde woorden naar het hoofd, spuwde en bulderde, evenals hij het jegens iedereen deed; doch nu had ik begrepen, dat deze uiterlijke gebaren en woorden hem niet uit het hart kwamen. Ik genoot rust en vrede; mijne lichaamskrachten herstelden zich geheel; en, alhoewel ik weinig lust in het soldatenleven vond, ik leed er geen verdriet meer.