Hendrik Conscience - Baas Gansendonck.

Herinnering

In een dorp tusschen Hoogstraten en Calmpthout, in de Antwerpsche Kempen, woonde Peer Gansendonck, de Baas uit de afspanning de St.-Sebastiaan.

Ik heb hem gekend na 1830, toen ik soldaat was. Van dien tijd weet ik echter niets meer over hem, dan alleenlijk, dat hij geene soldaten en boeren lijden kon en liefst met officieren te doen had. Ook was hij ten uiterste tegen den burgemeester verstoord, omdat deze den kapitein der compagnie in zijne eigene woning genomen had, de drie officieren bij den baron, den notaris en den dokter had gelegd, en hem, Peer Gansendonck, niemand te herbergen overgelaten had dan den sergeant-majoor, uwen ootmoedigen dienaar.

Ik herinner mij ook, dat ik mijne ledige uren veeltijds doorbracht met allerlei aardig speelgoed te maken voor Liesken, het vijfjarig dochterken van Baas Gansendonck. Het kind was ziek en scheen te verkwijnen; maar er was iets zoo lieftalligs in hare engelenoogskens, iets zoo zuivers in haar marmeren aangezichtje, iets zoo zoetklagends in haar zilveren stemmeken, dat ik er eene soort van geluk in vond, het kranke lam door spel, zang en vertellingen te troosten en te verkwikken.

Wat schreide Liesken bitter, hoe biggelden haar de tranen over de wangen, toen de trommels het laatste vaarwel roffelden, en dat haar goede vriend, de sergeant-majoor, met den ransel op den rug daar gereedstond om voor altijd te vertrekken!

Maar zulke indrukken verdwijnen zoo snel uit het jonge gemoed! Sedert heb ik nooit meer aan het kleine Liesken gedacht, en het kind heeft mij ongetwijfeld even diep vergeten.

Nu onlangs brachten mijne dwaalreizen door de Kempen mij voor de eerste maal weder in hetzelfde dorp. Ik trad er in zonder voorgevoel, zonder de minste verwachting.

Evenwel, niet zoohaast had ik het beeld der kerk, der huizen en der boomen in mijn binnenste ontvangen, of een glimlach van verrassing klom op mijn gelaat, en de borst zwol mij van blijde aandoening. Bovenal deed het gezicht van het oude uithangbord boven de afspanning mijn hart kloppen... Ik boog het hoofd met ontsteltenis en bleef eene wijl roerloos staan, om den stroom van jeugdige herinneringen te genieten, die als een zoele balsemvloed mij door het hoofd golfde.

Wat moet in de jonkheid onze ziele toch beminnend en machtig zijn, daar zij alles, wat haar omringt, voor eeuwig in zich zelve opsluit en met eene onvergankelijke liefdewolk omhult! Menschen, boomen, huizen, woorden, alles, - levend of levenloos, - wordt een gedeelte van ons eigen wezen; aan elk voorwerp hechten wij eene herinnering, zoo schoon en zoo zoet als onze jeugd zelve. Onze ziele loopt over van kracht; zij spat vonken en sprankels van haar leven over al het geschapene, en terwijl wij onophoudend het geluk tegenjuichen, dat ons, kinderen of jongelingen, in de onbegrensde toekomst te wachten staat, juicht en zingt alles in de natuur eenstemmig met ons.

Ach, hoe bemin ik de weide, den lindeboom, de pachthoeve, het kerksken en alle andere dingen, die mij zagen, toen de rozen der jeugd en de lelin der zuivere levenspozie mij den schedel sierden! Zij hebben genoten wat ik genoot, ik zag ze weelderig groeien en lachend in het zonnelicht glanzen, toen ik vroolijk was en dartelend vooruitstroomde in de onbekende baan der menschelijke bestemming. Zij zijn mijne oude speelgenooten, mijne gezellen; elk van hen roept iets aangenaams, iets verrukkends tot mij: zij spreken de taal mijns harten; al de fijnste snaren mijner ziel trillen weder met jeugdigde kracht bij dien roep... en in stille, goedsdienstige aandoening dank ik den Heer, dat Hij, zelfs in het bevrozen hart van den afgesloofden mensch, nog de zoete bron der herinnering vlieten laat.

Voor de deur der oude afspanning staande, was ik gansch teruggetooverd naar betere tijden. Ik zag mijne kameraden, mijne officieren weder; de trommel bromde in de verte, ik hoorde het manhaftig commando klinken, den wegrukkenden zang boven de huizen galmen, den jagershoorn in het lindenloover schallen... maar tusschen dit alles verscheen nog klaarder en frisscher het rustig engelenbeeld van Liesken, dat mij toelachte uit het verledene.

De gedachte des menschen schiet sneller door de wereld der gepeinzen dan het bliksemvuur door de ruimte des hemels: eene minuut slechts had ik ontroerd gestaan, en reeds ware vijf schoone maanden van mijn leven in volle helderheid voor mijne oogen heengewandeld.

Met groot verlangen en vroolijk gelaat stapte ik op de afspanning aan. - Liesken zal ik zien; zij kan mij niet herkennen, ik weet het wel, want het kind moet nu eene vrouw geworden zijn; haar aanblik toch zal mij verblijden. - Zij was ziek en kwijnend; misschien ligt zij onder de aarde op het stille kerkhof! Weg deze akelige gedachte, door de koele rede tusschen mijne warme herinnering geworpen!

Maar wat is mij dit hier vreemd en droef in den St.-Sebastiaan! Alles is veranderd: menschen en zaken. Waar is Baas Gansendonck? Waar is Liesken? Waar de schuiftafel, op welke ik met mijne kameraden zoo menige kanne bier verspeelde? Alles is verdwenen!

Arm Liesken, ik zie nog den hoek bij het venster, waar gij met uw hoofdeken op de knie uwer moeder te rusten laagt, waar ik u zoo verblijdde met dien kaartenwagen, door vier meikevers getrokken, waar uw trage oogslag als een gebedeken mij dankte voor mijne vriendschap.

Ik had het altemaal zoo diep vergeten! Ik wist zelfs niet meer, dat ik eens in deze streek gekomen was; maar nu ontspringt uit elke zaak een beeld, uit elk beeld eene stem; ik zie, ik hoor alles weder; alles wordt jong en lachend, - ook mijn hart, dat terugkeert in harmonische eenstemmigheid met deze gekende en geliefde natuur!

Zoet Liesken, wie zou alsdan gezegd hebben, dat ik eens uwe geschiedenis aan mijne landgenooten verhalen zou, gelijk ik eertijds uw hart verkwikte door kinderlijke vertellingen?

Het leven is gelijk aan eene dier reuzenstroomen van Amerika, die eenen tijd vreedzaam tusschen lachende oevers vloeien; maar dan eensklaps van eene berghoogte afstorten en in huilende draaikolken stormend en verbrijzelend voortrollen. De mensch is eene stroohalm, die vlot op den stroom; de stille vaart tusschen de bloeiende oevers is de jeugd; de brieschende waterval, de slingerende maalstroom is de menschelijke maatschappij, waarin de Man als een stroohalm wordt gestort; hij valt, hij gaat ten gronde, hij verheft zich weder, hij duikt opnieuw, hij wordt gefolterd, gekneusd, gepletterd, afgesleten. Wie kan weten, op welken oever de stroohalm zal worden geworpen?


I.

Als niet komt tot iet, dan ken iet zich zelven niet.

Baas Gansendonck was een zonderling man. Ofschoon uit de nederigste dorpsbewoners geboren, had hij zich echter al vroeg gaan inbeelden, dat hij van veel edeler stof gemaakt was dan de andere boeren; dat hij alleen veel meer wist dan een gansche hoop geleerden te zamen; dat de gemeentezaken in de war liepen en den kreeftengang gingen, alleenlijk omdat hij, met zijn groot verstand, geen burgemeester was, - en vele andere dingen van dien aard.

En nochtans, de arme man kon lezen noch schrijven en had van de meeste zaken zeer weinig vergeten ... maar hij had toch veel geld!

Langs dien kant ten minste geleek hij aan vele voorname lieden, wier verstand ook in eene kist onder slot ligt, of wier wijsheid, tegen 5 percent uitgezet, jaarlijks met den interest opnieuw in hun hoofd komt.

De bewoners van het dorp, dagelijks door de verwaandheid van Baas Gansendonck gehoond, hadden allengs eenen diepen haat tegen hem opgevat en noemden hem spottenderwijze den Blaaskaak.

De baas uit den St.-Sebastiaan was weduwnaar en had slechts n kind. Het was eene dochter van achttien of negentien jaren, zwak en bleek, evenwel zoo zuiver en zoo fijn van gelaatstrekken, dat zij de oogen veler jonkmans schemeren deed. Volgens het waanwijs stelsel haars vaders was zij veel te goed, te geleerd en te schoon om met eenen boerenzoon te trouwen. Hij had haar gedurende eenige jaren naar een vermaard pensionaat gezonden, om er Fransch te leeren en manieren aan te winnen, die met hare hooge bestemming mochten overeenkomen.

Gelukkiglijk was Lisa of Liesken, zooals de boeren haar noemden, even eenvoudig teruggekeerd, alhoewel er wel eenige kiemen van ijdelheid en lichtzin in haren geest gestort waren; maar de natuurlijke zuiverheid haars harten hield deze spruiten der ondeugd onderdrukt, terwijl hare maagdelijke onnoozelheid zelfs aan de teekenen er van iets bekoorlijks bijzette, dat alles in haar verontschuldigen deed.

Naar gewoonte had zij slechts eene halve opvoeding genoten; zij verstond het Fransch tamelijk wel, doch sprak het maar gebrekkiglijk. Daarentegen kon zij uitnemend keurig borduren, veelkleurige muilen en voetkussens maken, met parelen breien, bloemen uit papier snijden, uiterst vriendelijk goeden dag zeggen, nijgen en buigen, zeer kunstmatig dansen, - en vele andere liefelijkheden meer, die in het boerenhuis haars vaders te pas kwamen, gelijk een kanten kraag aan den hals eener koe, zooals het spreekwoord zegt.

Van hare kindsheid af was Lisa bestemd geworden om een huwelijk aan te gaan met Karel, den zoon des brouwers, die een der schoonste jongens was, die men vinden kon; daarbij zeer welhebbend voor eenen dorpeling, en tamelijk geleerd, vermits hij eenige jaren in het Collegie te Hoogstraten had doorgebracht.

Evenwel, de studie had hem weinig veranderd: hij beminde de ongedwongene vrijheid van het boerenleven, was vroolijk als een vogel, drinkende en zingende in eere en deugd met iedereen, vol levenslust, vriend en makker van elkeen, die hem kende.

De vroegtijdige dood zijns vaders had hem het Collegie doen verlaten, om, als leider der brouwerij, zijne moeder behulpzaam te zijn; en de goede vrouw dankte den Heer dagelijks, dat Hij haar zulken braven zoon tot troost gelaten had; want werkzamer en deugdelijker jongen was er waarlijk niet.

Slechts in tegenwoordigheid van Lisa verloor Karel zijne losse geestigheid en verviel in dichterlijken ernst en in onbestemde droomerijen. Dr, bij de geliefde maagd gezeten, maakte hij zich kind met haar, vond genoegen in hare onbeduidende bezigheden en volgde met godsdienstige aandacht hare minste wenschen in. Zij was toch zoo teer, zoo zwak, maar tevens zoo zuiver schoon, zijne verloofde! Ook hij, de sterke, manmoedige jongeling, omringde het tengere meisje met eerbied, met toegevendheid en met angstige zorg, als ware hem het leven eener kwijnende bloeme toevertrouwd geweest.

Tot voor vijf of zes maanden had Baas Gansendonck er geen groot kwaad in gezien, dat zijne dochter de echtgenoote van Karel wierd. Wel is waar, het had nooit zijnen hoogmoed gansch bevredigd; doch daar een brouwerszoon, volgens zijne meening, hoogstgenomen geen boer was, had hij zijn lang gehouden woord niet willen breken en zelfs toegestemd, dat men alles voor het aanstaande huwelijk vergaderde en in gereedheid bracht.

Zoo stond de zaak der jongelieden op een tamelijk goeden voet, - toen de ongetrouwde broeder van Baas Gansendonck aan eene kortstondige ziekte overleed en eene schoone erfenis naliet, die niet lang daarna in klinkende munt, binnen de afspanning de St.-Sebastiaan, bij de andere hoopen schijven werd gestort.

Peer Gansendonck was met vele anderen van meening, dat het verstand, de edelheid en de voortreffelijkheid des menschen alleenlijk moeten afgemeten worden op het geld, dat hij bezit: en, alhoewel hij geen Engelsch kende, was hij niettemin uit natuur tot de verhevene Engelsche gedachte geraakt, dat de vraag: Hoeveel pond zilver weegt de man? op alles afdoende en onwederleglijk antwoordt, volgens het oud Vlaamsche spreekvers:

Het geld, dat stom is,
Maakt recht wat krom is,
En wijs wat dom is.

Het spreek van zelf, dat met zulk schoon leerstelsel zijn hoogmoed of liever zijne dolheid nog meer dan zijne goederen was aangegroeid. Hij achtte zich ten minste gelijk met mijnheer den baron van het dorp; want hij geloofde, dat hij ruim zooveel pond woog als deze adellijke grondbezitter.

Van dien dag af kreeg Baas Gansendonck het nog meer in zijne bovenkamer, en waande zich een der eerste mannen des lands. Dikwijls droomde hij gansche nachten, dat hij van eenen edelen stam afkomstig was, en zelfs bij dag wiegelde deze streelende gedachte hem onophoudend in het hoofd. Om de tegenproeve dezer ingebeelde voortreffelijkheid te hebben, poogde hij menigmaal te ontdekken, welk verschil er tusschen hem en eenen edelman mocht bestaan; maar waarlijk, hij vond er geen.

Wel zeide hem zijn geweten somwijlen, dat hij te oud was om nu nog Fransch te leeren of om zijne levenswijs gansch te veranderen en in eene hoogere maatschappij te treden; maar kon hij zulks niet meer, zijne dochter ten minste zou opklimmen in de samenleving en trouwen met den eersten baron den beste. - Wat zalige zekerheid voor Baas Gansendonck! Eer hij stierve, zou hij nog het genoegen hebben zijne Lisa mevrouw de barones te hooren noemen! Hij zelf zou grootvader van eenige baronnekens zijn!

Daarom begon de liefde van Karel den brouwer hem geweldig tegen het hoofd te steken, en hij betichtte in zijn gemoed den vroolijken jonkman van een hinderpaal voor de toekomst zijner dochter te zijn. Reeds had hij, in Lisa's tegenwoordigheid, met bitsige kleinachting van Karel gesproken en dingen gezegd, die het meisje dusdanig gewond hadden, dat zij voor de eerste maal haars levens met spijt tegen haren vader was opgestaan, en wel gedurende twee uren bittere tranen had gestort.

Om zijne dochter niet te bedroeven, zag hij van allen rechtstreekschen aanval tegen de liefde des brouwers af; maar hij zou het huwelijk wel weten uit te stellen, totdat de tijd Lisa den blinddoek kwame afrukken, en zij zelve overtuigd wierd, dat Karel slechts een grove boer was gelijk de anderen.


II.

Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.

Op den hof der afspanning St.-Sebastiaan waren de dienstboden en werklieden, reeds met het krieken van den dag, aan den gewonen arbeid bezig. Trees, de koemeid, stond bij den bornput en wiesch rapen voor het vee; in de opene schuur hoorde men het trippelend gekletter der dorschvlegels; de stalknecht zong een ruw lied en roskamde de paarden.

Een enkel man wandelde onachtzaam over en weder en rookte zijne pijp, terwijl hij hier en daar staan bleef om de anderen te zien arbeiden. Hij was insgelijks als een werkman gekleed, droeg een vest aan het lijf en houten klompen aan de voeten. Ofschoon zijn aangezicht in volle rust van onverschillige luiheid getuigde, blonk niettemin in zijne oogen zekere schalkheid en arglist. Overigens was het genoeg op zijne glimmende wangen en rooden neus te zien, dat hij aan eene vette tafel zat en den weg tot den kelder wist.

De koemeid liet hare rapen staan en naderde tot de schuur, waar de dorschers bezig waren met nieuwe schooven op den vloer te spreiden, en die gelegenheid waarnamen om tusschen den arbeid al een woord te wisselen. De man met zijne pijp stond er op te zien.

"Kobe, Kobe," riep de koemeid hem toe, "gij hebt het rechte briefken gevonden! Wij slaven ons dood van den morgen tot den avond, en krijgen voor allen loon wat scheldwoorden naar den kop. Gij hebt den wind van achter, gij wandelt, gij rookt uw pijpken, gij zijt vriend van den Baas, gij krijgt de vette brokskens. Gij moogt zeggen, dat uw brood in den honig gevallen is! Het spreekwoord heeft gelijk: menschen foppen is maar eene weet."

Kobe glimlachte met slimheid en antwoordde:

"Hebben is hebben en krijgen is de kunst; het geluk vliegt: die het vangt, die heeft het."

"Mouwvegen is bedriegen, en fleemen is kruipen," morde een der arbeiders met bitsigheid.

"Woorden zijn geene oorden," schertste Kob. "Ieder is op de wereld om den zoon zijns vaders deugd te doen; en die wat vindt, mag het oprapen."

"Ik zou beschaamd zijn!" riep de verstoorde arbeider. "Het is gemakkelijk riemen snijden uit een andermans leder; maar een varken wordt ook wel vet gemaakt, al werkt het niet."

"Het is den eenen hond leed, dat de andere in de keuken gaat," lachte Kobe. "Ongelijke schotelen maken kwade broeders; maar het is beter benijd dan beklaagd. En vermits een mensch op de wereld toch ergens zitten moet, zit ik liever op het kussen dan op de doornen."

"Zwijg, schuimer, en denk, dat het van ons zweet is, dat gij zoo vet wordt."

"Tistje, Tistje, waarom zijt gij dus op mij gebeten? Gij kunt niet verdragen dat de zon in mijnen vijver schijnt. Kent gij dan het spreekwoord niet: wie een ander benijdt, vreet zijn hart en verkwist zijnen tijd? - Zoo ik nu eens wat minder kreeg, zoudt gij er iets te meer om hebben? Ben ik hoogmoedig? Doe ik u kwaad? Integendeel, ik verwittig u tegen dat de Baas komt, en ik steek u al dikwijls eene goede kanne bier door het keldergat. Gij zoekt waar het niet verloren is, Tistje."

"Ja, ja, wij kennen uwe mildheid; gij slacht den pastoor: die zegent iedereen, maar hij zegent zich zelven eerst."

"Hij heeft gelijk en ik ook; die den autaar dient, mag van den autaar leven."

"Het is waar!" riep een ander arbeider. "Kobe is een goede jongen, en ik wilde wel, dat mijne voeten in zijne schoenen staken; dan zou ik ook mijn brood verdienen met wolkskens rook naar de kraaien te blazen; buiksken vol, harteken rust."

"Ja, dikke buik, slapende voet; - volle krop, dolle kop!"

"Laat ze maar praten, Kobe, elkeen kan geene even schoone star aan den hemel hebben; en ik zeg, dat gij veel verstand hebt!"

"Niet meer verstand dan de paddenstoel, die daar aan den kerseboom zit," antwoordde Kobe met gemaakten ootmoed.

Allen zagen verwonderd op naar eene groote zwamschijf, die tusschen de zwaarste takken des kersebooms groeide. Even ras keerden zij het gezicht naar Kobe om uit hem, volgens gewoonte, eene kluchtige verklaring te bekomen.

"Ah, ah!" riep de koemeid, "niet meer verstand dan de paddenstoel! Dan moet gij al een schrikkelijke lomperik zijn!"

"Gij weet het niet, Mieken. Wat zegt het spreekwoord?... Het werken is voor de botterikken. Ik doe niets. Dus?..."

"Maar wat heeft de paddenstoel daarmede te stellen?"

"Zie, het is een raadsel: de schoone, groote kerseboom is onze Baas..."

"O, gij mouwveger!" riep de meid.

"En ik ben de arme ootmoedige paddenstoel..."

"Schijnheilige!" morde de gispende arbeider.

"En als gij dit kunt raden, zult gij weten, wat de kleine honden moeten doen, om met de groote uit denzelfden schotel te mogen eten zonder gebeten te worden."

Kobe meende hen nog langer met zijn dubbelzinnige woorden te plagen; maar hij vernam de stem van den Baas binnen in de afspanning, en zeide tot de arbeiders, terwijl hij zijne pijp in haren koker stak:

"Laat de boeren maar dorschen, jongens! Daar is onze brave vriendelijke Baas, die komt zien of het werk vooruitgaat."

"Wij gaan ons morgeneten krijgen: het zal weer geen klein geschreeuw zijn!" riep de koemeid, naar den bornput loopende.

"Zoo hij mij nog toesnauwt van dagdief en lompen boer, gelijk gisteren, dan werp ik hem den vlegel naar den kop," zeide een der arbeiders met gramschap.

"De kruik zou tegen den steen vechten, en zij viel aan stukken bij den eersten stoot," schertste Kobe.

"Wat mij betreft, ik lach met zijne scheldwoorden, en ik laat hem al aanrazen," sprak een tweede.

"Gij doet best," viel Kobe in, "zet uwe twee ooren wijd open, dan vliegt het langs hier in en langs daar uit. De Baas mag ook al wat hebben voor zijn geld. Geef hem gelijk, en doe wat hij zegt."

"Doen wat hij zegt? En als men het niet kan?"

"Dan geef hem toch gelijk, en doe het niet; - of liever, zeg niets en houd u, alsof gij van toeten noch blazen wist, en denk, dat zwijgen niet kan verbeterd worden."

"Alle menschen zijn menschen! Ik spot met zijne barschheid. Dat hij maar beginne, ik zal hem ook de tanden eens laten zien. Hij heeft geen recht om mij voor een beest uit te maken, al ben ik maar een werkman."

"Het is wel waar wat gij zegt, en toch slaat gij er nevens, Driesken," bemerkte Kobe. "Ieder moet zijne plaats in de wereld kennen. Wat zegt het spreekwoord? Zijt gij aanbeeld, verdraag als een aanbeeld; zijt gij hamer, sla als een hamer. Daarenboven, een klein, goed woord breekt groote gramschap. En wilt gij het beter hebben, gedenk, dat het moeielijk is met azijn vliegen of met trommelen hazen te vangen..."

"Kobe! Kobe!" riep eene stem van binnen met hoorbaar ongeduld.

"Zie, zie hem nu zijn hypokrietengezicht aantrekken!" spotte een andere dorscher.

"Dat is juist de kunst, die gij nooit zult leeren!" antwoordde Kobe.

En zich tot de inspanning keerende, riep hij op smeekenden toon, als ware hij verschrikt geweest:

"Ik kom, ik kom, Baas lief; maak u niet kwaad; ik vlieg, hier ben ik al!"

"Hij wint zijn brood met den schoothond te spelen!" morde de vergramde arbeider met verachting, "dan dorsch ik nog liever mijn geheele leven! Dit heeft men van mannen, die door alle netten gevlogen zijn, gelijk hij."

"Hij is tien jaar lang onder dienst geweest. Dr leert men den onnoozele in de klucht spelen, om zoo weinig te doen als mogelijk is. Daarna is hij heerenknecht geworden, en van dit stieltje krijgt men ook geene weeren in de handen. - Maar wat aardig raadsel gaf hij ons daar op? Verstaat gij, wat het beteekent?"

"Och, het is gemakkelijk om te raden," antwoordde de eerste; "hij wil zeggen, dat hij den Baas op den nek zit en hem uitzuigt, gelijk de paddenstoel den kerseboom. Kom, kom, laat ons nu maar voortdorschen!"


III.

's Keizers kat is zijne nicht, groote lantaarn, maar klein licht.

"Welnu, Kobe," vroeg Baas Gansendonck aan zijnen knecht, "hoe zie ik er uit met mijne nieuwe muts?"

De knecht week twee stappen achteruit en wreef zich de oogen, als iemand, die over eene ongeloofelijke zaak verwonderd staat.

"Och, Baas," riep hij, "zeg het eens rechtuit: zijt gij het wel? Ik meende, dat ik mijnheer den baron zag staan. Maar, heilige deugd, hoe kan het zijn! Hef uwen kop eens wat omhoog, Baas; draai u nog eens om, Baas; stap nu eens voort, Baas. Zie, gij trekt op mijnheer den baron, gelijk een druppel water..."

"Kobe!" viel de Baas met gemaakten ernst in, "gij wilt mij vleien; dat heb ik niet gaarne."

"Ik weet het, Baas," antwoordde de knecht.

"Er zijn weinig menschen, die minder hoogmoed hebben dan ik, al zeggen zij uit nijd, dat ik hoovaardig ben, omdat ik geene boeren kan verdragen."

"Gij hebt gelijk, Baas. Wel, wel, ik twijfel nog, of gij de baron niet zijt!"

De vreugde blonk in de oogen van Baas Gansendonck; met het hoofd achterover en in fiere houding staande, bezag hij glimlachende den knecht, die voortging met allerlei gebaren van verwondering te maken.

Kobe had zijnen meester niet gansch bedrogen. Op het uiterlijke, en zijn dom gelaat niet in aanmerking genomen, geleek Baas Gansendonck zeer nauwkeurig op den baron. En geen wonder, hij had sedert maanden de dagelijksche klederen des barons doen namaken; iets, waarop weinig menschen acht gegeven hadden, dewijl de baron op zijn buitengoed in volle vrijheid leefde en slechts zeer gewone kleederen droeg.

Maar nu, vr eenige weken, had de baron ook eene gril gehad. Wie heeft er geene? Een allerschoonste waterhond was hem gestorven, en hij had zich van de huid eene muts laten maken. Deze aardige muts had de oogen van Baas Gansendonck uitgestoken, totdat hij zich ook zulk eene in de stad had doen vervaardigen. Nu prijkte ze met hare duizenden krullen op het hoofd van den Baas uit de St.-Sebastiaan, die zich zelven niet genoeg in den spiegel bewonderen kon sedert de vleiende uitroeping zijns knechts.

Eindelijk maakte hij zich bereid om uit te gaan, en zeide:

"Kobe, neem mijne gaffel; wij gaan langs het dorp."

"Ja, Baas," antwoordde de knecht, zijnen meester met gemaakt gelaat op de hielen volgende.

Op de groote baan, tusschen de huizen, ontmoetten zij vele dorpelingen, die beleefdelijk hunnen hoed of klak voor Baas Gansendonck afnamen, doch in eenen lach schoten, zoohaast zij hem voorbij waren. Vele inwoners kwamen ook met nieuwsgierigheid uit huizen en stallen geloopen, om de haren muts van den Baas te bewonderen; deze groette niemand eerst en ging met het hoofd omhoog en met tragen, statigen tred voort, gelijk de baron gewoon was te doen. Kobe stapte met een schijnbaar onnoozel gelaat stilzwijgend achter zijnen meester, en volgde hem in al zijne wendingen zoo getrouw en zoo lijdzaam na, als hadde hij de plaats van eenen hond vervuld.

Alles verging wel tot voor de smidse. Dr stonden eenige lieden te kouten. Zoohaast zij den Baas zagen aankomen, begonnen zij zoo luidop te lachen, dat het de gansche straat overklonk.

Sus, de zoon van den smid, die bekend was voor een schalkachtig spotter, wandelde met het hoofd achterover en op kunstmatigen tred voor de smidse, en bootste Baas Gansendonck zoo juist na, dat deze van spijt meende te barsten. In het voorbijgaan bezag hij den jongen smid met eenen vurigen blik, en trok zijne oogen bijna tot scheurens toe open; maar de smid bekeek hem met tergenden lach, totdat Baas Gansendonck, van gramschap dol, morrende en dreigende voortging en eene zijstraat insloeg.

"Blaaskaak! Blaaskaak!" riep men hem achterna.

"Welnu, Kobe, wat zegt ge van dat boerengespuis?" vroeg hij, toen zijn toorn wat gevallen was. "Dat durft mij tergen! mij voor den zot houden! Eenen man als ik!"

"Ja, Baas, de vliegen steken wel een paard, en dat is zulk groot beest."

"Maar ik zal ze vinden, die lomperiken! Dat ze maar opletten; ze zullen het duur bekoopen. Bergen loopen elkander niet in 't gezicht, maar menschen wel."

"Zeker, Baas, uitgesteld is niet verloren."

"Ik zou wel zot zijn, dat ik mijne paarden bij dien onbeschaafden dwarskop nog liet beslaan, of mijn ander werk liet doen."

"Ja, Baas, veel te goed is halfzot."

"Er zal niemand van mijne boden nog eenen voet in zijne smidse zetten."

"Neen, Baas."

"En dan zal de spotter staan kijken en op zijne vingeren bijten, niet waar?"

"Ongetwijfeld, Baas."

"Maar, Kobe, ik geloof, dat die schelmachtige smid van iemand betaald wordt om mij te vervolgen en te tergen. De veldwachter meent, dat hij het ook is, die op den laatsten Meinacht iets op ons uithangbord geschreven had."

"In den Zilveren Ezel, Baas."

"Het is niet noodig, die leelijke onbeschoftheden te herhalen!"

"Neen, Baas."

"Gij moest hem eens eene goede afrossing geven tusschen vier oogen, dat het niemand zie. En doe hem dan mijne komplimenten."

"Ja, Baas."

"Zult gij het doen?"

"De komplimenten? Ja, Baas."

"Neen, de afrossing."

"Dit is te zeggen, als ge mij gaarne zonder armen of beenen zoudt zien naar huis komen. Ik ben niet heel sterk, Baas; en de smid is geene kat om zonder handschoenen aan te pakken."

"Zijt gij van zulken laffen snoever vervaard? Ik zou beschaamd zijn!"

"Het is kwaad vechten tegen iemand, die zijn leven moede is. Beter bloode Jan dan doode Jan, zegt het spreekwoord, Baas."

"Kobe, Kobe, ik geloof, dat gij van moed niet sterven zult."

"Ik hoop het, Baas."

Al koutende verging de toorn van Baas Gansendonck. Tusschen vele gebreken had hij toch eene goede hoedanigheid: alhoewel hij zeer kort van stof was, vergat hij evenwel spoedig het leed, dat men hem aandeed.

Nu was hij tot achter eenige mastbosschen geraakt en wandelde er tusschen zijne eigene velden, waar hij allerlei redenen vond om zijn overdreven gevoel van eigendom lucht te geven, en tegen Jan en Alleman te bulderen en te kijven. Hier had eene koe zich mistrapt en van het pad op zijn land getreden; dr had eene geit wat loof van zijn plantsoen gebeten; verder meende hij de voetstappen van jagers en de treden hunner honden te ontdekken.

Dit laatste bovenal deed hem trappelen van woede. Hij had op al de hoeken zijner velden hooge palen doen stellen met het opschrift Verbodene Jacht; en niettegenstaande dit was er nog iemand stout genoeg geweest om zijn recht van eigendom te schenden!

Hij was bezig met daarover eene gansche reeks gramme woorden in de lucht te werpen, en sloeg van toorn met de vuist tegen den stam van eenen beukeboom.

Kobe stond achter den Baas en dacht aan het middagmaal; want er zou een haas zijn. Hij droomde, dat men de saus niet goed zou bereiden, en stampte daarover ook al met den voet. Intusschen antwoordde hij niets dan "ja, Baas," en "neen, Baas," zonder acht te geven op hetgeen zijn meester zeide.

Eensklaps hoorde Peer Gansendonck eene stem, die spottend riep:

"Blaaskaak! Blaaskaak!"

Hij zag grammoedig in het ronde, doch bemerkte niemand dan zijnen knecht, die met de oogen ten gronde de lippen verroerde, als ware hij aan het eten geweest.

"Wat, schelm, zijt gij het geweest?" riep Baas Gansendonck woedend uit.

"Ik ben het nog, Baas," antwoordde Kobe. "Maar, och Heer, wat krijgt gij, Baas?"

"Ik vraag, lomperik, of gij het zijt, die daar gesproken hebt?"

"Gij hebt het immers wel gehoord, Baas?"

De getergde Gansendonck rukte hem de gaffel uit de handen en meende hem er mede te slaan; maar toen de verbaasde knecht bemerkte, dat het ernst was, sprong hij achteruit en riep, met de armen in de hoogte:

"Och Heer, och arme, nu is onze Baas geheel en gansch zot!"

"Blaaskaak, Blaaskaak!" riep weder iemand achter den rug van Peer Gansendonck.

Dr zag hij in de takken van den beukeboom eene ekster zitten, en hoorde, dat de vogel het scheldwoord nog herhaalde.

"Kobe, Kobe," riep hij, "loop en haal mijn jachtgeweer. Het is de ekster van den smid: zij moet sterven, dat lompe beest!"

Maar de ekster sprong weg uit den boom en vloog naar huis.

De knecht schoot in zulken koortsigen lach, dat hij op het gras nederviel en zich daar eene wijl over- en wederrolde.

"Scheid uit!" schreeuwde de Baas, "of ik jaag u weg. Scheid uit van lachen, zeg ik u!"

"Ik kan niet, Baas."

"Sta op!"

"Ja, Baas."

"Ik zal uwe onbeschoftheid vergeten op ne voorwaarde: gij moet de ekster van den smid vergeven."

"Waarmede, Baas?"

"Met vergift."

"Ja, Baas; als ze het maar wil eten."

"Schiet ze dan dood."

"Ja, Baas."

"Kom, laat ons voortgaan... Maar wat zie ik ginder in mijn mastbosch? Wees dan al eigenaar om van iedereen geplunderd te worden!"

Bij deze woorden liep hij, door den knecht gevolgd, bulderend vooruit.

Hij had van verre gezien, dat eene arme vrouw en twee kinderen bezig waren met de dorre takken uit zijne mastboomen te breken en daarvan eenen grooten mutsaard samen te binden. Alhoewel eene overoude gewoonte den armen toelaat het droge hout uit de mastbosschen te halen, kon Baas Gansendonck dit echter niet lijden. Het dorre hout was immers zoowel zijn eigendom als het groene, en aan zijn eigendom mocht niemand roeren. Daarbij, het was eene vrouw, en hij had dus noch tegenstand noch spot te vreezen. Dit maakte hem moedig en liet hem nu eens toe den vollen toom aan zijne gramschap te vieren.

Hij vatte de arme moeder bij den schouder, terwijl hij uitriep:

"Onbeschaamde houtdieven! Op, vooruit, mede naar het dorp! In de handen der gendarmes! Naar het kot, luie schelmen!"

De bevende vrouw liet het opgeraapte hout vallen en was zoozeer door deze schrikkelijke bedreigingen verpletterd, dat zij sprakeloos begon te weenen. De beide kinderen hechtten zich aan de kleederen hunner moeder vast en vervulden het bosch met hun droef gekrijt.

Kobe schudde spijtig het hoofd; de onverschillige uitdrukking was van zijn gelaat verdwenen: men zou gezegd hebben, dat een gevoel van medelijden hem had bevangen.

"Hier, gij luierik!" riep de Baas hem toe, "steek al eene hand uit, om de dievegge naar de gendarmes te brengen."

"Man lief, ik zal het nooit meer doen!" smeekte de vrouw. "Zie toch mijne arme schaapkens van kinderen aan; zij sterven van schrik!"

"Zwijg, landloopster," bulderde de Baas, "ik zal u dat rooven en stelen wel afleeren!"

De knecht vatte de vrouw met geveinsde gramschap bij den arm en schudde haar hevig; doch hij mompelde terzelfder tijd zachtjes aan haar oor:

"Val op uwe knien en zeg Mijnheer."

De vrouw wierp zich voor Baas Gansendonck geknield ten gronde, en, de handen tot hem opstekende, bad zij:

"Och, mijnheer, mijnheer, genade, als het u belieft, mijnheer! Och, voor mijne arme kinderkens, mijnheerken lief!"

Door eene verborgene oorzaak scheen de Baas getroffen. Hij liet de vrouw los en zag haar half droomend aan met een vermilderd en zoet gelaat; evenwel, hij deed haar niet opstaan.

Iemand voor hem nedergeknield! met de handen opgeheven! en smeekend om genade! Het was koninklijk!

Na eene wijl het grootste geluk gesmaakt te hebben, lichtte hij zelf de arme vrouw van den grond op en veegde zich eenen traan van ontroering uit de oogen, terwijl hij zeide:

"Arme moeder, ik ben wat haastig geweest; het is alweder gedaan. Neem gij uwen mutsaard maar op; gij zijt eene brave vrouw. Voortaan moogt gij het droge hout uit al mijne bosschen breken; en viel er wat groen tusschen, ik zou er nog niets op zeggen. Wees gerust, ik schenk u mijne volle genade!"

Met groote verwondering zag de vrouw de beide zonderlinge menschen aan, die voor haar stonden: den Baas met zijn beschermend gelaat, den knecht, die op de lippen beet en zichtbaar geweld deed om niet te lachen.

"Ja, moederken," herhaalde de Baas, "gij moogt hout breken in al mijne bosschen."

Dit zeggende, wees hij met de hand in het ronde, alsof de gansche landstreek hem hadde toebehoord.

De arme vrouw ging eenige stappen achteruit om haren mutsaard op te nemen, en zuchtte met dankbare ontsteltenis:

"God zegene u voor uwe goedheid, mijnheer de baron."

Eene rilling doorliep de leden van Baas Gansendonck; zijn gelaat werd als beglansd met het licht des geluks.

"Vrouw, vrouw, kom eens hier!" riep hij. "Wat hebt gij daar gezegd? Ik verstond het niet."

"Dat gij duizendmaal bedankt zijt, mijnheer de baron," antwoordde de houtraapster.

Baas Gansendonck stak de hand in den zak en haalde er een zilveren muntstuk uit, dat hij der vrouwe toereikte, terwijl hij met de tranen in de oogen haar zeide:

"Daar, moederken, wees gij ook al eens vroolijk, en als het winter is, kom dan alle Zaterdagen ginder in de St.-Sebastiaan: er zal u hout en brood in overvloed gegeven worden. Ga nu maar naar huis."

Met deze woorden verliet hij de vrouw en keerde haastig uit het bosch. Hij weende, dat de tranen hem over de wangen rolden. De knecht, die het bemerkte, veegde ook met de mouw van zijn vest aan de oogen.

"Het is wonder," zuchtte eindelijk de Baas, "dat ik geene menschen kan zien lijden, of mijn hart loopt er van over."

"Ik ook niet, Baas."

"Hebt gij het gehoord, Kobe? Die vrouw nam mij voor mijnheer de baron!"

"Zij heeft gelijk, Baas!"

"Zwijg nu een weinig, Kobe; wij zullen stillekens naar huis gaan."

"Ja, Baas."

Kobe schikte zich met de grootste onderdanigheid in het voetspoor zijns meesters. Beiden gingen droomend voort: de Baas dacht aan den schoonen naam, dien de arme vrouw hem gegeven had; de knecht mijmerde van hazenhutspot met wijnsaus.

Sedert eenige oogenblikken waren drie jagers van achter eenen eikenkant verschenen, en stonden daar nu, lachend en spottend op Baas Gansendonck te kijken. Het waren drie jonge heerkens in schoone jachtkleederen, met het geweer onder den arm.

En van hen scheen den Baas uit de St.-Sebastiaan bijzonder wel te kennen. Hij legde aan zijne makkers uit, door welken zonderlingen duivel van hoogmoed en waan de man bezeten was, en sprak hen met veel lof van Liesken, zijne dochter.

"Komt, komt," riep hij eindelijk, "wij zijn vermoeid; laat ons nu wat vroolijk zijn. Volgt mij, wij gaan met den Baas naar de St.-Sebastiaan eene flesch ledigen. Maar let op, dat gij hem eerbiedig toespreket en vele komplimenten maket; hoe gekker, hoe beter."

Dit zeggende, sprong hij met zijne makkers over de droge gracht en liep tot den Baas. Hij boog zich diep en groette hem met vele hoffelijkheden.

Peer Gansendonck nam zijne haren muts in de twee handen en poogde te doen wat de jonge heer hem had voorgedaan. De beide andere jagers, in stede van in deze plichtplegingen te deelen, verborgen zich achter den rug des knechts en deden daar een uiterst geweld om niet in eenen luiden lach uit te barsten.

"Wel, mijnheer Adolf, mijn vriend," zeide de Baas, "hoe gaat het met uwen papa? Nog altijd dik en vet? Hij komt ons niet meer bezoeken, sedert hij in de stad woont. Maar uit der oogen, uit der harten! zegt het spreekwoord."

Adolf greep eenen zijner lachende vrienden bij de hand en trok hem met geweld vr den Baas.

"Mijnheer Gansendonck," sprak hij statig, "ik heb de eer u den jongen heer Baron Victor van Bruinkasteel aan te bieden; maar gij moet zijn gebrek verontschuldigen; het is eene zenuwkwaal, die hij uit de stuipen gehouden heeft: hij kan geen mensch bezien, of hij schiet in eenen lach."

Victor kon zich niet inhouden; hij wierp het hoofd achterover, trappelde met de voeten en werd paarsch en blauw van lachen.

"Gij gaat het spel bederven," snauwde Adolf hem in het oor. "Schei uit, of hij zal het merken."

"Doe maar naar uwe beliefte, mijnheer van Bruinkasteel," sprak de Baas, "van lachen zult gij toch geene eksteroogen krijgen!"

Zijne vriend weder bij den arm vattende, herhaalde Adolf zijne aanbeveling.

"Mijnheer van Bruinkasteel heeft de eer niet mij te kennen," sprak de Baas met eene buiging.

"Inderdaad," antwoordde Victor, "ik heb de eer u onbekend te zijn."

"Die eer is niet groot, mijnheer," zeide de Baas, zich buigend. "Mijnheer komt zeker met onzen vriend Adolf het jachtseizoen op het hofken doorbrengen?"

"Om u te dienen, mijnheer Gansendonck."

"Zijn heer vader heeft den Jachthof van ons afgekocht," sprak Adolf. "Mijnheer van Bruinkasteel zal jaarlijks gedurende den wintertijd, uw gebuur zijn en u waarschijnlijk dikwijls bezoeken, mijnheer Gansendonck."

"Maar, Adolf, mijn vriend, waarom blijft die andere jonge heer daar achter Kobe staan? Is hij dan vervaard van mij?"

"Hij is beschaamd, mijnheer Gansendonck: wat kan men er aan doen? De bittere jonkheid! Maar, mijnheer Gansendonck, gij bezit eene vrije jacht, zie ik; dus zijt gij ook jager?"

"Ik ben een groot liefhebber, niet waar, Kobe?"

"Ja, Baas, van hazen. Ik ook... Als ze hem maar niet laten aanbranden," voegde hij er in zich zelven bij.

"Wat mompelt gij daar?" riep de Baas met hevige gramschap, om den heeren te doen zien, dat hij meesterschap over zijne dienstboden had, "wat mompelt gij daar, onbeschaamde lomperik?"

"Ik vraag, of gij niet gelooft, dat het tijd is om naar huis te gaan, Baas. En ik zeide zoo al in mij zelven: visschen en jagen maakt hongerige magen."

"Als een varken droomt, dan is 't van draf! Gij moet zwijgen."

"Ja, Baas, zwijgen en denken zal niemand krenken."

"Geen woord meer, zeg ik u!"

"Neen, Baas."

"Die heeren zullen mij wel de eer aandoen, een glas morgenwijn ten mijnent te drinken?" vroeg Peer Gansendonck.

"Het was ons inzicht, mijnheer, u dit te verzoeken."

"Wel, komt aan dan; gij zult er van weten te spreken, van dat wijntje. Niet waar, Kobe, gij hebt hem eens in uw leven geproefd? En zoo gij uwe vingeren er niet van aflikt, mijnheeren, zegt dan, dat ik een boer ben."

"Het is waar, Baas," antwoordde de knecht.

De baas trad statig in de baan voort en koutte vriendelijk met Adolf, terwijl diens beide makkers achteruitbleven om hunne vreugde lucht te kunnen geven. Kobe zag alles met schuinsche blikken na en zou ook wel gelachen hebben, hadde de hazenhutspot hem niet zoodanig in het hoofd gezeten, dat hij er krampen aan de maag van kreeg.

Het gezelschap trok langzaam naar de St.-Sebastiaan.


IV.

Breng den wolf in uwen schaepsstal nooit!

Het was een prachtige morgenstond. De zon verscheen op de kimme in eenen gloed van brandend goud, waaruit glanzende stralenbusselen door den ganschen hemel schoten. Haar glinsterend licht boorde spelend door de vensterruiten van de St.-Sebastiaan, en viel daar als eene roosvervige tint op het albasten voorhoofd eener maagd.

Lisa Gansendonck zat bij het venster, voor eene tafel. Zij droomde; - want hare lange zwarte wimpers hingen over hare oogappelen gebogen, en een stille glimlach dartelde om haren mond, terwijl bij poozen een rood wolkje op hare bleeke wangen van zekere aandoening haars harten kwam getuigen... En dan weder rechtte zij zich eensklaps op haren stoel; een helder vuur scheen in haar oog te fonkelen, en meer zichtbaar lachte zij, alsof een gevoel van geluk haar ontroerde.

Zij vatte een Antwerpsch Fransch dagblad, dat voor haar geopend lag, en na er eenige regelen te hebben van gelezen, verviel zij in hare eerste, stille houding.

Wat was zij betooverend, daar zittend als een liefelijke droom! omringd door de diepste stilte en verlicht door den warmsten morgenstraal! bleek en tenger, jong en zuiver als eene halfgeslotene witte roze, wier hart eerst morgen zich openen moet!

Tonen, zoo fijn en zoo weifelend als de stervende zucht van een ver snarenspel, ontvielen haren lippen. Zij zeide zuchtend:

"O, in de stad moet men gelukkig zijn! Zulk een bal! Al die rijke toiletten, diamanten, bloemen in het haar, kleederen, zoo kostelijk, dat men er wel een half dorp mede koopen zou, alles glinsterend van goud en licht! En daarbij de beleefdheid, de schoone taal... O, mocht ik dat eens zien, al ware het maar door een venster!"

Na eene lange mijmering scheen de wegrukkende gedachte van een bal in de stad haar te verlaten. Zij verwijderde zich van de tafel en ging voor eenen spiegel staan, waarin zij haar beeld aandachtig beschouwde, hier en daar eene plooi verbeterde en met de handen over het hoofd streek om haar schoon zwart haar te doen glimmen.

Zij was nochtans zeer eenvoudig gekleed, en voorzeker, men hadde op haar tooisel niet veel weten af te wijzen, ware het niet geweest, dat de reuk van den koestal, de berookte muren der afspanning en de tinnen kannen in het rek van alle kanten schreeuwden, dat juffrouw Lisa op hare plaats niet was.

Anders was haar zwart zijden kleed zeer effen en slechts met eenen enkelen volant; haar fichu was roosvervig; dit stond zoo schoon op haar zuiver bleek gelaat! Het haar droeg zij onbedekt; maar het was alleenlijk in blessen platgestreken en achter op het hoofd in een kroontje saamgebonden.

Na eenigen tijd voor den spiegel gestaan te hebben, keerde zij weder bij de tafel en begon onachtzaam aan eenen kanten kraag te borduren, terwijl hare dwalende blikken genoeg getuigden, dat hare onvaste gedachten van den arbeid weg waren. Welhaast zeide zij overpeinzend en met bijna onhoorbare stemme:

"De jacht is open; de heeren uit de stad gaan nu weder naar buiten komen. Ik moet hun vriendelijk zijn, zegt vader. - Hij zal mij mede naar de stad nemen, om een satijnen hoed voor mij te koopen... Ik mag niet met de oogen neergeslagen zitten; ik moet lachen en de heeren in de oogen zien, als zij mij aanspreken? Wat wil vader daarmede? Ik weet niet waarvoor het goed kan zijn, zegt hij... Maar Karel! Hij schijnt ontevreden, als ik mijne kleeding te dikwijls verander; hij lijdt, als de vreemdelingen te veel met mij spreken... Wat moet ik doen? Vader wil het. Ik mag toch niet onbeleefd tegen de lieden zijn. Maar Karel wil ik ook geen verdriet aandoen..."

De stem haars vaders klonk voor de deur; zij zag hem buigen en gebaren van beleefdheid maken tegen drie jonge heeren in jachtgewaad. Een hevig rood klom op haar voorhoofd. Was het van verlangen of van beschaamdheid? - Zij streek nog eens over hare zwarte blessen en bleef zitten, alsof zij niets had gehoord.

Baas Gansendonck trad met zijn gezelschap binnen en riep in volle vreugde:

"Ziet, mijnheeren, dit is mijne dochter. Wat zegt gij van zulke bloem? Zij is geleerd, zij kent Fransch, mijnheeren; tusschen mijn Liesken en eene boerin is zooveel verschil als tusschen eene koe en eenen kruiwagen!"

De knecht schoot in eenen luiden lach.

"Onbeleefderik!" riep Baas Gansendonck in gramschap, "wat staat gij daar zoo lomp te lachen? Pak u weg!"

"Ja, Baas."

Kobe ging in den hoek van den haard zitten en snoof met wellust den hazereuk op, die uit eene achterkeuken in geurige walmen tot hem kwam. Onderwijl blikte hij in het vuur, en luisterde met schijnbaar onverschillig gelaat op hetgeen men omtrent hem al zeide.

Terwijl Lisa opgestaan was en in de Fransche taal eenige komplimenten met de heerkens wisselde, was Baas Gansendonck in den kelder gegaan en keerde even ras terug met glazen en eene flesch, welke hij vr zijne dochter op de tafel plaatste.

"Zit neer, zit neer, mijnheeren," sprak hij, "wij gaan eens tikken met Lisa; zij zal u bescheid doen. Ah, het is in 't Fransch? Het is wonder, dat ik zoo gaarne Fransch hoor; ik zou er eenen ganschen dag op staan luisteren: mij dunkt altijd, dat ik liedekens hoor zingen!"

Hij vatte Victor bij den arm en dwong hem, nevens Lisa te zitten.

"Zoovele komplimenten niet, mijnheer van Bruinkasteel," riep hij, "doe, alsof gij te huis waart."

Het schoon en stil gelaat van Lisa had bij den eersten blik eene soort van eerbied aan twee der jonge jagers ingeboezemd; zij zaten aan de andere zijde der tafel en beschouwden sprakeloos de eenvoudige maagd, die zichtbaar geweld deed om beleefd te schijnen, doch wier verschrikte kuischheid haar voorhoofd als met rood vuur deed gloeien.

Zoo ingetogen was Victor van Bruinkasteel niet; hij begon stoutelijk het meisje te vleien over hare schoonheid, over haar borduurwerk, over het Fransch, dat zij sprak, en wist de streelende woorden zoo los en zoo zwierig dooreen te werpen, zonder in het minste buiten de schijnbaar betamelijke vormen te gaan, dat Lisa droomend op zijne taal luisterde, als hadde zij een harmonisch gezang gehoord.

Baas Gansendonck, die bij elk woord de hoop in zijnen boezem voelde zinken en eene zekere voorliefde voor mijnheer Victor koesterde, wreef zich lachend de handen en zeide bij zich zelven:

"Niemand weet hoe een dubbeltje rollen kan, en alles is mogelijk, behalve naar omhoog vallen. - Dat zou eerst een schoon koppeltje zijn!... Nu, mijnheeren, drinkt nog eens. Op uwe gezondheid, mijnheer van Bruinkasteel! Ga maar voort met Fransch spreken; op mij moogt gij geene acht geven: ik zie in uwe oogen wat gij zeggen wilt."

De jonge jagers schenen zich ten uiterste te vermaken. Lisa sprak wel geen goed Fransch; maar uit haren mond viel alles zoo betooverend eenvoudig; de bestendige schaamteblos op haar voorhoofd was zoo bekoorlijk, haar gansche beeld zoo frisch en zoo aanminnig, dat de toon harer stem alleen genoeg was om in het hart zoete aandoeningen op te wekken.

Victor, als een afgericht saletjonker, gelijk hij was, had welhaast de zwakke zijde van Lisa's maagdelijk gemoed gevonden. Hij sprak haar over de nieuwe mode, over schoone kleeding, over het stadsleven, beschreef haar in prachtige verven bals en feesten, en wist hare aandacht zoodanig te boeien, dat het arme meisje van haren toestand schier onbewust geworden was.

Allengskens verstoutte zich Victor tot zooverre, dat hij onder het kouten, als bij onachtzaamheid, Lisa's hand vastnam.

De maagd scheen nu eerst te ontwaken; zij trok sidderend hare hand terug, schoof haren stoel achteruit en wierp eenen droeven, vragenden blik in haars vaders oogen. Maar deze als van blijdschap dwalend, bezag haar verwijtend en knikte met het hoofd, dat zij zou blijven zitten.

De terugstootende beweging van Lisa verraste Victor; hij keerde het gezicht af om zijne verlegenheid te verbergen. Daar zag hij, hoe de knecht in den hoek van den haard rechtstond en hem met eenen dreigenden blik en scherp lachend in de oogen staarde.

Met gramschap keerde hij zich tot den Baas en vroeg:

"Wat heeft die lomperik hier te zeggen, dat hij mij zoo onbeschaamd bekijken durft en mij uitlacht?"

"Hij iets te zeggen?" schreeuwde de Baas, "gij zult het gaan zien! - Kobe!"

"Wat is het, Baas?"

"Hebt gij mijnheer van Bruinkasteel onbeleefd bezien? Durft gij hem uitlachen, aardworm?"

"Ik lach gelijk een hond, dien men mosterd aan de tanden gewreven heeft; ik heb mijne hand gebrand, Baas."

"Foei, gij zijt nog te bot om voor den duivel te dansen, gij. Het huis uit!"

"Ja, Baas."

De knecht verliet de kamer met slepende voeten, en nam zijne muts onhandig af als een onnoozele.

Eene wijl daarna was het uitwerksel van Victors stoutheid reeds vergeten; de jongelieden koutten weder minnelijk in de Fransche taal met Lisa, en de Baas moedigde hen aan om zijne dochter dikwijls te komen bezoeken; er zou altijd eene flesch van den besten wijn voor hen gereed staan. Lisa vond weder genoegen in den lichtzinnigen Franschen praat van Victor, en zeide ook in zich zelve dat zulke hoofsche taal toch duizendmaal schooner was dan de gemeene dagelijksche spraak der boeren.

Een jongeling opende de achterdeur en trad, door den knecht gevolgd, de kamer binnen.

"Een glas bier, Kobe, en tap er voor u ook een," sprak hij.

Deze jonge, struische man droeg eenen kiel van fijn blauw lijnwaad, eenen zijden halsdoek en eene klak van ottervel. Zijn schoon en regelmatig aangezicht was door de zon bruingezengd; zijne breede handen getuigden insgelijks van den dagelijkschen arbeid, terwijl zijne groote blauwe oogen, vol vuur en leven, deden denken, dat geest en hart bij hem niet minder begaafd waren dan het lichaam.

Bij zijne verschijning stond Lisa op en lachte hem verwelkomend toe, op eene zoo vriendelijke en gemeenzame wijze, dat twee der jonge jagers met verwondering hem aanzagen. Adolf, de derde jager, kende hem reeds lang.

De Baas mompelde eenige onheusche woorden en trok een stuursch gelaat, alsof de tegenwoordigheid van Karel, den brouwer, hem uiterst lastig viel; hij trapte zelfs verdrietig met de voeten en verborg zijne spijt niet.

Op dit alles scheen de jongeling weinig acht te geven; hij hield de oogen op Lisa gevestigd en scheen haar iets te vragen. Het meisje lacht hem nog zoeter en vrijer tegen; dan eerst verscheen ook op Karels aangezicht eene uitdrukking van tevredenheid.

"Vader,..." sprak Lisa.

"Alweer dat boerenwoord!" riep de Baas.

"Papa," vroeg Lisa, zich hervattende, "papa, zou Karel geen glas met ons drinken?"

"Wel, dat hij dan eenen roemer uit de kas neme!" was het barsch antwoord.

"Ik dank u, Baas Ganzendonck," zeide Karel met eenen scherpen grimlach, "de wijn smaakt mij 's morgens niet."

"Neen, drink liever bier, jongen; daar krijgt gij eenen dikken kop van!" schertste de Baas lachend, gelijk iemand, die meent iets geestigs gezegd te hebben.

Karel was de onheusche taal van den groven Gansendonck gewoon, en gaf er nu ook geene aandacht op; hij meende zich over den knecht, in den anderen hoek van den haard, neder te zetten; doch Lisa riep hem tot zich en zeide:

"Karel, hier is een stoel; kom, zit bij en kout ook al wat met ons."

Baas Gansendonck bezag zijne dochter met vergramd gelaat en beet op de tanden van ongeduld. Dit belette Karel niet, aan de vriendelijke uitnoodiging van Lisa te voldoen, ofschoon hij de hoonende gebaren haars vaders wel merkte.

"Gij zult dit jaar eene goede jacht hebben, mijnheeren," zeide hij in de Vlaamsche taal, zich nevens Adolf zettende, "het krielt van hazen en patrijzen."

"Inderdaad, ik denk het ook," antwoordde Adolf, "maar dezen morgen is het ons toch niet gelukt iets te schieten: de honden hebben geen reuk."

"Ik dacht het," riep de Baas spottend uit, "dat hij weer stokken in de wielen zou komen steken! Met zijn eeuwig Vlaamsch! Nu zult gij weer niets anders hooren dan van honden, koeien, paarden en pataten. Laat gij hem maar praten, mijnheer van Bruinkasteel, en spreek gij maar Fransch met onze Lisa; ik hoor het immers zoo gaarne, dat ik het niet zeggen kan!"

Karel lachte schokschouderend en bezag Victor gansch vrij en stout in de oogen. Deze laatste scheen van zijne losse welsprekendheid beroofd en toonde zich in het geheel niet genegen, om in Karels tegenwoordigheid zijne vleiende samenspraak met Lisa voort te zetten. - Er kwam een oogenblik der lastigste stilte. Met eene soort van wanhoop zag de Baas, dat mijnheer van Bruinkasteel zich begon te verdrieten; hij wierp eenen verwijtenden blik op Karel en zeide:

"Mijnheer Victor, gij moogt op hem niet letten; hij is onze brouwer en een kennis van den huize. Maar hij heeft hier toch niet te zeggen, al meent hij, dat hij nummer n getrokken heeft. Ga maar voort, mijnheer van Bruinkasteel: ik wil hebben dat mijne dochter u vriendelijk zij, en dat zij lache, als gij haar aanspreekt. Zoo de brouwer wat leelijke gezichten wil trekken, kan hij het op de straat gaan doen."

Door deze woorden aangemoedigd, en willende misschien den jongen brouwer tergen, neigde Victor zich naar Lisa en zag haar aan, sprekende met een dier verwijfde lonken, die men in de hoogere maatschappij zich toelaat, als men geene groote gedachte heeft van de eerbaarheid eener vrouw.

Karel verbleekte sidderend; zijne tanden sloten zich krampachtig op een, doch hij bedwong even spoedig deze uitdrukking van pijn en toorn. Niettemin, elkeen had ze bemerkt. Victor had zij gansch ontsteld; niet dat hij eenige vrees gevoeld had, maar zij had indruk genoeg op zijn gemoed gedaan om hem allen lust tot verderen jok en vroolijkheid te ontnemen. De Baas was er hevig door vergramd geworden en stond morrende te stampvoeten; Lisa, die meende, dat haars vaders harde woorden alleen den jongeling gewond hadden, hield de oogen neergeslagen en scheen gereed om aan het weenen te gaan; Karel zat rustig op zijnen stoel, nog eenigszins bleek en bevend, doch met schijnbaar hersteld gelaat.

Eensklaps stond Victor recht, nam zijn geweer en sprak tot zijne makkers:

"Komt aan, wij gaan nog wat jagen. Juffer Lisa zal het mij vergeven, zoo ik onwetend iets mocht gezegd hebben, dat haar onaangenaam was."

"Wat? Wat?" riep de Baas, "alwat gij gezegd hebt, was schoon en onverbeterlijk! En ik hoop wel, dat het de laatstemaal niet zal zijn, dat zij u zal zien en hooren."

"Juffer Lisa denkt misschien anders, ofschoon mijn inzicht geweest is, haar alle eer en vriendschap te bewijzen."

Ziende, dat zijne dochter niet antwoordde, viel de Baas in gramschap tegen haar uit:

"Sa, wat gaat dat hier worden met dat zotte boerenspel? Lisa, Lisa, hoe zit gij daar gelijk een Truiken-roert-mij-niet! Antwoord eens gauw!"

Lisa stond op en zeide in het Vlaamsch op koelen, beleefden toon:

"Mijnheer van Bruinkasteel, neem het niet kwalijk, dat iets anders mij doet verstrooid zijn. Wat gij de goedheid gehad hebt mij te zeggen, is mij zeer aangenaam geweest; en doet gij ons nog de eer aan, in ons huis te komen, en gij zult er telkens welkom zijn."

"Dat is het! dat is het," riep de Baas, in de handen klappende. "Ach, mijnheer van Bruinkasteel, het is een parel van een meisken! Gij kent ze nog niet! Zij kan zingen gelijk een nachtegaal!... Zoudt ge nog wat gaan zitten? Ik zal eene nieuwe flesch ophalen."

"Neen wij moeten vertrekken, of de dag verloopt geheel. Wees bedankt voor uw vriendelijk onthaal."

"Ik ga nog een eind mede, indien de heeren het toelaten," sprak de Baas, "ik heb daar tegen de baan nog een boschken liggen, waar ik eens ga naar omzien; 's meesters voeten beteren 't land, zegt het spreekwoord."

De jonge heeren betuigden te gelijk, dat het gezelschap van mijnheer Gansendonck hun veel vermaak zou doen, en gingen met hem onder heusche woorden de afspanning uit. De knecht volgde zijnen meester.

Zoohaast de beide jongelieden alleen waren, zeide Lisa op zoeten toon:

"Karel, gij moogt niet droef zijn, omdat mijn vader u wat hard toespreekt; gij weet, dat hij het niet meent."

De jongeling schudde het hoofd en antwoordde:

"Dit is het niet, Lisa, dat mij pijn doet."

"Wat is het dan?" vroeg het meisje met verwondering.

"Ik kan het u moeielijk uitleggen, Lisa. Uw eenvoudig en zuiver gemoed zou mij niet begrijpen. Laat ons liever daarover zwijgen."

"Neen, gij moet het mij zeggen."

"Welnu, ik heb niet gaarne, dat die jonge losbollen uit de stad hunne flauwe komplimenten voor u komen uitkramen. Er loopt zoo licht iets tusschen, dat onbetamelijk is; en in alle geval, die schoone Fransche manieren en dat vriendelijk oogentrekken bewijzen, dat zij u niet met den eerbied naderen, die eene vrouw toekomt."

Op het gelaat der maagd schetsten zich ongeduld en droefheid.

"Gij zijt onrechtvaardig, Karel," sprak zij verwijtend, "die heeren hebben mij niets gezegd, dat onbetamelijk was. Integendeel, met hen te hooren leer ik, hoe men zich houden en spreken moet, om niet voor eene boerin door te gaan."

Karel boog sprakeloos het hoofd; een pijnlijke zucht ontsnapte zijner borst.

"Ja, ik weet het," ging Lisa voort, "gij haat de stadsmenschen en de stadsmanieren; maar, wat gij ook daarover denket, mij is het niet mogelijk onbeleefd te zijn. Gij hebt wel groot ongelijk, Karel, dat gij mij dwingen wilt tot haat ten opzichte van menschen, die meer dan anderen verdienen geacht te worden."

Het meisje had deze woorden met zekere bitsigheid gesproken. Karel zat stilzwijgend vr haar en blikte haar zonderling in de oogen; zij gevoelde, dat hij smartelijk was ontsteld, ofschoon zij niet begrijpen kon hoe het kwam, dat hare woorden hem zoo diep bedroefden. Zij greep de hand haars vriends met medelijden en sprak:

"Maar, Karel, ik begrijp u niet. Wat verlangt gij dan, dat ik doe? Zoo gij in mijne plaats waart, hoe zoudt gij u dan gedragen, als er vreemde heeren komen en u aanspreken?"

"Het is eene zaak van gevoel, Lisa, " antwoordde de jongeling, het hoofd schuddend. "Ik weet zelf niet wat ik u aanraden moet; maar bij voorbeeld, als het zulke jonge komplimentenmakers zijn, zou ik hun wel beleefdelijk antwoorden, doch niet lijden, dat ze met drien rondom mij komen zitten, om mij de ooren vol ijdele woorden te blazen."

"En mijn vader, die mij dwingt!" riep Lisa met ontsteltenis.

"Men vindt honderden redenen om op te staan, als men niet wil blijven zitten."

"Alzoo heb ik in uwe oogen misdaan?" snikte de maagd, terwijl eensklaps de tranen uit hare oogen sprongen. "Ik heb mij niet wel gedragen?"

De jongeling naderde dichter met zijnen stoel bij Lisa en sprak op smeekenden toon:

"Lisa, vergeef het mij! Gij moet al wat toegevend voor mij zijn: het is mijne schuld niet, dat ik u zoo gaarne zie. Het hart is mij meester; ik kan het niet bedwingen. Gij zijt schoon en kuisch als eene lelie; ik beef bij de gedachte, dat een twijfelachtig woord, een onzuivere adem u treffen kan; ik bemin u met angstigen eerbied, met ontzag. Is het dan wonder, dat de verwijfde blikken dezer Jonkers mij sidderen doen? O, Lisa, gij gelooft, dat mijn gevoel laakbaar is? Misschien is het zoo, inderdaad; maar, vriendinne, kondet gij weten, welke pijn mij den boezem doorgrieft, wat verdriet mij dit baart, gij zoudt medelijden hebben met mijne al te groote liefde; gij zoudt mij die gedachten vergeven en mij troosten in mijne droefheid."

Deze woorden, op stillen toon gesproken, roerden het meisje diep; zij zeide met minzaamheid tusschen hare tranen:

"Ach, Karel, ik weet niet welke gedachten de uwe zijn; maar, hoe het zij, vermits het u verdriet doet, het zal niet meer geschieden. Als er voortaan nog heeren komen, zal ik opstaan en in eene andere kamer gaan!"

"Neen, neen, Lisa, zoo meen ik het niet," zuchtte Karel half beschaamd over den uitslag zijner bemerkingen. "Blijf beleefd en vriendelijk met iedereen, gelijk het betaamt, ook met de heeren, die daar straks hier waren. Gij verstaat mij niet, lieve. Doe als te voren; maar herinner u, dat zekere dingen mij bedroeven; vergeet in zulke gevallen niet, dat uw vader zich somtijds bedriegt, en neem het gevoel uwer eigene waardigheid tot maatstaf van hetgeen u te doen staat. Ik ken uw zuiver hart, Lisa; mij is het gelijk, wie hier in de St.-Sebastiaan komt; maar ik wil hebben, dat men u eerbiedige: de minste vergetelheid, de schijn alleen van kleinachting ten uwen opzichte doorvlijmt mij den boezem zoo wreedelijk!"

"Maar, Karel, gij hebt gehoord, dat mijnheer Adolf en zijne vrienden nog dikwijls hier zullen komen. Ik zal hun wel moeten taal en antwoord geven, zoo ik in hunne tegenwoordigheid blijf. Zult gij dan telkens kwaad zijn en verdriet hebben?"

Karel werd rood; hij verweet zich innerlijk de bemerkingen, welke hij zich veroorloofd had, en bewonderde de eenvoudige goedheid zijner geliefde. Haar de hand vattende, sprak hij met zoeten glimlach:

"Lisa, ik ben een dwaas. Wilt gij mij nu een genoegen geven?"

"Zeker, Karel."

"Ja, maar in ernst, in volle rechtzinnigheid. Vergeet deze gril van mijnentwege. Waarlijk, het zou mij nu bedroeven, indien ik zag, dat gij uw gedrag gingt veranderen. Ook, waarom zou ik het eischen, dewijl uw vader meester is en u toch zou dwingen, volgens zijnen wil te handelen?"

"Zie, Karel, nu zijt gij redelijk," sprak het meisje. "Ik kan toch niet anders dan beleefd zijn, niet waar? Mijn vader is meester. Langs een anderen kant hebt gij toch ongelijk; mijnheer Van Bruinkasteel heeft lang met mij gesproken. Wat hij zeide, was zeer betamelijk; en ik beken gaarne, dat ik met veel genoegen op zijne woorden heb geluisterd."

Karel voelde weder iets, dat zijn hart beklemmen wilde; maar hij dreef dit opwellend gevoel terug en sprak smeekend:

"Laat ons het gebeurde vergeten, lieve. Ik heb eene goede tijding. Mijne moeder heeft eindelijk toegestemd: wij gaan ons huis merkelijk vergrooten; de werklieden zullen Maandag reeds beginnen te graven. Eene schoone kamer zal er voor u alleen zijn, met marmeren schouw en fraai behangsel. Wij zullen eene woning hebben met bijzondere deur en eene remise, waar een rijtuig voor u zal staan. Zoo, Lisa lief, zult gij door de brouwerij niet moeten gaan, noch aan den gemeenen haard zitten; gij zult stil en gerust leven, en alles hebben, wat uw hart verlangen mag. Verblijdt u dit niet vriendinne?"

"Uwe goedheid is te groot, Karel," antwoordde het meisje, "ik ben u dankbaar voor zooveel genegenheid en vriendschap; maar ik geloof, dat vader u van iets beters spreken zal. Waarschijnlijk zal het u insgelijks bevallen; hij zou gaarne zien, dat wij het Hofken huurden, dat achter het kasteel ledigstaat. Mij dunkt, dat deze gedachte zoo slecht niet is. Zoo zouden wij toch onder de boeren niet meer zijn, en allengskens met deftige menschen kunnen kennis maken."

"Maar, Lisa," viel de jongeling met ongeduld in, "hoe is het mogelijk, dat gij daaraan denkt? Ik zou mijne moeder verlaten? Zij is weduwe en heeft niemand op de wereld dan mij alleen!... En zonder dit dede ik het toch niet: ik heb gewerkt van kindsbeen af, ik moet blijven werken voor mijn eigen genoegen en gezondheid, voor mijner moeder welvaren; - voor u, Lisa, om uw leven te kunnen versieren met genoechten, en te mogen weten, dat de vrucht mijns arbeids tot uw geluk bijdraagt."

"Och, dit is immers niet noodig?" zuchtte Lisa. "Onze ouders bezitten geld en goed genoeg."

"En dan, Lisa, overweeg, dat wij nu tusschen de eersten van onzen stand zijn. Uw vader is een der voornaamste eigenaars in onze gemeente; onze brouwerij moet voor geene andere achteruitstaan. Zal ik nu gaan toestemmen om een nieuwe rijke te worden; de vriendschap van hoogmoedige lieden moeten afbedelen en verfoeid worden van mijne vorige gezellen als een, die uit hoogmoed Mijnheer gaat spelen? Neen, Lisa, dit moge de eigenliefde van sommigen vleien, mij zou het vernederen en doen verkwijnen. Liever tusschen boeren geacht en bemind, dan tusschen heeren miszien en misprezen!"

Lisa meende op de driftige taal van Karel te antwoorden; doch de knecht opende de deur en kwam met schijnbare haast voor den jongeling staan, zeer snel zeggende:

"Karel, zoudt gij gaarne een uur of twee met onzen Baas kijven? Neen? Ga dan maar gauw loopen; want hij is razend tegen u. Gij moet hem leelijk op den teen getrapt hebben. Zoo gij niet vertrekt, zal het huis geen beetje overhoop gaan staan."

"Ach, Karel, " zuchtte Lisa, zijne hand drukkende, "ga maar, totdat mijns vaders gramschap over is. Dezen namiddag zal hij er niet meer aan denken."

De jonge brouwer schudde het hoofd, groette zijne verloofde met eenen droeven oogslag, en haastte zich langs de achterdeur de herberg uit.

De knecht volgde hem en zeide in het voorbijgaan:

"Vrees niet, Karel, ik zal een oog in 't zeil houden en u verwittigen, als de wagen te veel uit het spoor loopt. Er is eene vijs losgeschoten bij onzen Baas. Stel u evenwel gerust, de gril zal wel overgaan. De haan op den toren draait ook gelijk een zot, en toch wijst hij somtijd wel schoon weer!"


V.

Eerbaarheid, der vrouwen roem, schoone, doch ook broze bloem!

Twee maanden waren verloopen.

Op eenen vroegen morgen stonden drie of vier jonge boeren in de smidse, en spraken daar over velerlei zaken. Sus hield met de eene hand een ijzer in het vuur en trok met de andere aan den blaasbalg, onder het fluiten van een langzaam deuntje.

"Sa, wie heeft het nieuws gehoord?" riep een der jongelingen. "Lisa Gansendonck gaat trouwen met eenen baron!"

"Ah, ah," lachte de smid, "ten naasten jare komt Paschen op eenen Vrijdag! Ga, verkoop dit nieuws op eene andere markt."

"Ja, ja, zij gaat trouwen met den jonker, die sedert zes of zeven weken niet meer uit de St.-Sebastiaan te slaan is."

"Als het wel lukt, kalft de os!" riep Sus.

"Gij gelooft het niet? De Blaaskaak heeft het zelf aan den notaris gezegd."

"Dan geloof ik het nog veel minder."

"Weet gij wat ik denk? Baas Gansendonck is bezig met zich zelven een bitter bier te brouwen; Er loopen al vreemde geruchten op de kap van juffrouw Lisa. De lieden spreken van haar gelijk de Joden van het spek."

"De Blaaskaak zal niet meer hebben dan hij verdient, en die lichtzinnige modepop ook. Die met de kat speelt, wordt er van gekrabd, zegt het spreekwoord."

"En de ongelukkige Karel, - die zot genoeg is om daar verdriet in te maken! Ik zou ze wat schoon naar de maan laten loopen met haren baron!"

"Ginder komt Karel!" zeide een der jongelingen, die bij de deur stond. "Men kan zelfs van zooverre zien, dat hij treurt: hij gaat met de kin op de borst, gelijk iemand, die spelden zoekt. Men zou zeggen, dat hij de spade al op den rug draagt!"

Allen staken het hoofd buiten en zagen naar Karel, die langzaam met het gezicht ten gronde en onachtzaam droomend over de baan stapte.

Sus wierp zijnen hamer met geweld tegen het aanbeeld en morde binnensmonds, als hadde plotselijke gramschap hem ontsteld.

"Wat krijgt gij nu?" vroegen de anderen.

"Als ik Karel zie, kookt mijn bloed!" riep Sus. "Ik wilde wel een gansch jaar blijven zonder bier te zien, zoo ik den Blaaskaak tusschen vier oogen eens op den rug mocht smeden! Die hoogmoedige lomperik! Hij zal door zijne zotte grillen zijne dochter in schande brengen: daar is hij meester over, zij verdient toch niet veel beters, de lichtvink! Maar dat hij mijnen vriend Karel doet verkwijnen van verdriet en in den put helpt... eenen jongen gelijk een boom, rijk, geleerd en goed van harte, die wel honderd Blaaskaken en modepoppen waard is, - dit is niet te verkroppen. Zie, ik wensch niemand kwaad; maar als Gansendonck bij geval den nek brak, ik zou denken, het is eene straf van den Heer."

"Wees maar gerust, Sus; loontje komt altijd om zijn boontje. Als de mier vleugelen krijgt, dan is zij haast dood."

"Dreig zooveel niet, Sus; de Blaaskaak heeft gezegd, dat hij u zal doen gevangen zetten."

"Bah, ik acht den snorker zooveel, alsof hij op den muur geschilderd ware."

"Maar kunt gij Karel dan niet doen begrijpen, dat hij ze moet laten loopen waar ze goed voor is?"

"Daar is geene zalf aan te strijken; hoe meer men hem in de St.-Sebastiaan voor den zot doet dienen, hoe erger het wordt: men maakt hem daar wijs, dat de kat eieren legt; hij is zuiver van zijne zinnen. Moed steekt er ook niet meer in: als men wat veel van die zaken spreekt, komen de tranen in zijne oogen; hij keert zich om, en goeden dag tot morgen!"

"Wel, kan Kobe zijnen Baas dan niet doen begrijpen, dat, als eene kraai met de ooievaars vliegen wil, zij al spoedig neertuimelt en in de zee verdrinkt?"

"Baas en knecht zijn op denzelfden kam geschoren; twee natte zakken drogen malkander niet."

"Zwijg, Sus, daar is hij; ik geloof, dat hij naar de smidse komt."

Inderdaad, Karel trad de smidse binnen en groette de gezellen met eenen gedwongen glimlach. Sprakeloos ging hij bij de werkbank staan, en draaide droomend aan de vijs of vatte onoplettend het een of ander gereedschap in de hand, terwijl de jonge boeren hem met nieuwsgierigheid en medelijden bezagen.

Gewis, een onophoudend lijden moest Karel verteren; op zulken korten tijd was hij reeds veranderd. Zijn gelaat was bleek en aschvervig, zijne oogen draaiden zonder glans in het ronde of vestigden zich starend op onverschillige voorwerpen; zijne wangen waren ingevallen en vermagerd. In zijn gansche voorkomen was iets, dat van verzuimenis en onachtzaamheid getuigde; zijne kleederen schenen niet zoo zuiver als te voren, zijn haar viel verward in zijnen hals.

"Wel, Karel," riep Sus, "gij treedt hier alweder binnen gelijk de zonneschijn, zonder spreken! Kom, kom, werp die leelijke gedachten over de haag, en denk dat gij beter zijt dan degenen, die u tergen. Maak er een kruis over en drink er eene goede pint op; met al dat treuren zult gij den Blaaskaak toch geen verstand geven. En van zijne lekkere dochter zult gij ook niets anders maken dan eene..."

Eene siddering en een scherpe blik van Karel deden het woord hem in den mond blijven.

"Ja," hernam hij, "ik weet wel, dat ik dit kuipken niet ontdekken mag; gij slacht de slechte zieken, gij werpt de fleschkens in de gracht; maar dat geeft er niet aan; het duurt al veel te lang met die dwaze grillen. Weet gij wel wat de Blaaskaak zegt? Mammezel Lisa gaat trouwen met mijnheer Van Bruinkasteel; trouwen voor Wet en Kerk!"

"Ik heb liever, dat hij er mede trouwt dan ik," sprak een ander, "hij zal er wat schoons aan hebben aan die verloopen boerin, die met hare deugd geen weg meer weet!"

Karel had zijne vuist krampachtig aan de vijs geslagen en zag de sprekenden met bittere scherts in de oogen.

"Lisa?" zuchtte hij op doffen toon, "Lisa is onnoozel en zuiver! Boos en onrechtvaardig spreekt gij!"

Met deze weinige woorden keerde hij zich naar de baan en verliet de smidse met langzamen tred, zonder acht te geven op hetgeen zijn vriend Sus nog tot hem riep.

Hij ging dwars over de straat, in een voetpad, dat naar de velden leidde. Onderweg sprak hij bij poozen tot zich zelven, bleef somwijlen stampvoetend staan, ging dan weder met versnelden stap en dwaalde zoo droomend immer verder, totdat hij bij den hoek van een mastboschken eensklaps zijnen naam hoorde noemen.

Daar zag hij den knecht van Baas Gansendonck op den kant zitten, met eene flesch in de eene hand, een stuk vleesch in de andere en een jachtgeweer aan de zijde.

"Ha, Kobe!" riep de jongeling met blijdschap. "Wat doet gij hier?"

"Het is alweder eene gril van onzen Baas," antwoordde de knecht. "Zoohaast hij mij nu derven kan, moet ik op weg om den boschwachter te gaan spelen. Ik zit hier op te letten, dat de boomen niet wegvliegen."

"Ga, wat met mij!" smeekte Karel.

"Ik heb juist gedaan met schoven," zeide de knecht opstaande. "Zie, Karel, dit is een schoon jachtgeweer: de haan is zoo vast verroest, dat men hem nog met geen paard zou kunnen spannen, en de loop is reeds twintig jaar en drie maanden geladen. Zulke meesters, zulke geweren!"

"Kom, Kobe," sprak de brouwer, toen de knecht nevens hem stapte, "zeg iets, dat mij troosten moge. Hoe staat het ginder?"

"Ik weet niet, Karel, langs welken kant ik den bedorven appel aanpakken zal. Het zit er maar scheef: de Baas weet niet meer wat hij doet van blijdschap; hij droomt luidop van baronnen en kasteelen; hij loopt wel driemaal daags naar den notaris."

"Waarom? Wat beteekent dit?" vroeg Karel met ontsteltenis.

"Hij zegt, dat Lisa binnen weinig tijds met mijnheer van Bruinkasteel gaat trouwen."

De brouwer verbleeke en zag den knecht met droeve verbaasdheid in de oogen.

"Ja, maar," ging Kobe voort, "de jonge baron weet er niets van en denkt er niet aan."

"En Lisa?"

"Lisa ook niet."

"Ah!" zuchtte Karel, als viele er een steen van zijn hart. "Gij hebt mij pijn gedaan."

"Ware ik in uwe plaats," hernam Koe, "ik zou er klaar willen inzien. Als men het onkruid te lang laat groeien, vreet het wel het schoonste koren op. Gij komt nooit in de St.-Sebastiaan dan nadat mijnheer van Bruinkasteel is weggegaan; gij zit daar halve dagen bij Lisa te treuren, dat de steenen er weemoedig zouden van worden. Als Lisa u naar de oorzaak uwer droefheid vraagt, maakt gij haar wijs, dat gij ziek zijt, en zij gelooft u."

"Maar, Kobe, wat kan ik doen? Bij het minste woord, dat ik daarover begin te spreken, barsten de tranen uit hare oogen! Zij begrijpt mij niet."

"Vrouwentranen zijn goedkoop, Karel; ik zou daar niet veel op letten: te laat is de put gevuld, als het kalf verdronken is. Een hond blijft niet lang aan eene worst gebonden."

"Wat wilt gij zeggen?" morde de jongeling met schrik. "Verdenkt gij Lisa? Vreest gij, dat zij?..."

"Zoo ik wist, dat een haar op mijn hoofd eene kwade gedachte van Lisa had, ik trok het uit. Neen, neen, Lisa is onnoozel in de zaak. Zij meent, och arme, dat dit flikflooien en dit Fransch spreken de goede manieren zijn. En wanneer zij al eens uit liefde tot u den baron met koelheid afwijst, dan komt onzen Baas en dwingt haar tot vriendelijkheid. Mijnheer van Bruinkasteel moet wel goed zijn: de Baas werpt Lisa tienmaal op de week in zijne armen."

"Hoe? in zijne armen!" riep Karel op somberen toon.

"Het is maar eene wijze van spreken," bemerkte de knecht, "verstaat gij mij niet, des te beter!"

"Wat moet ik doen? wat kan ik doen?" riep Karel met wanhoop, op den grond stampende.

"Onder het zand ligt het niet verborgen, Karel. Dat het mij te doen stond, ik sloeg er dwars door: beter eene ruit gebroken, dan een huis verloren."

"Wat wilt gij zeggen? Om Gods wil, spreek klaarder."

"Welnu, zoek een krakeel tegen mijnheer Victor; al moest er gevochten worden, het zal toch eene verandering te weeg brengen; en wat slecht is, wordt door verandering gewoonlijk beter."

"Gave hij mij maar eene reden!" riep Karel uit, "maar wat hij zegt en doet, is zoo slim berekend, dat men tot barstens toe zonder wraak het aanhooren moet."

"Kom, kom, het is zoover niet te zoeken voor wie het vinden wil. Trap hem voorzichtig op den voet; gij weet wel, op zijn boersch, met fluweelen schoentjes! Dan zal het spel seffens aan den gang zijn."

"Ach, Kobe, wat zou Lisa daarvan zeggen? En zou ik hare faam gaan schenden door eenen aanval, dien men zou aanzien als een bewijs, dat ik insgelijks kwaad vermoed?"

"Onnoozele, gij denkt, dat Lisa nu bij de lieden niet op de tonge rijdt? Er is niets zoo erg, of men zegt het dagelijks van haar. De heele zaak hangt aan het klokkezeel, en iedereen hangt er nog wat bij."

"God, God, zij is onschuldig, en zij wordt beticht als eene misdadige!"

"Karel, is er geen bloed meer in uw hart. Gij ziet het kwaad dagelijks aangroeien, en gij legt als een onmachtig kind het hoofd er bij neder. Gij ziet, dat alles samenloopt om uwe onnoozele vriendin in het verderf te storten: de betooverende taal van Victor, de dwaze hoogmoed haars vaders en hare eigene zucht naar al wat steedsch is. Niemand vermag iets te doen om haar te redden dan gij... engelbewaarder, die in slaap valt, terwijl de duivel bezig is met het zieltje te verschalken! Alzoo door uwe vreesachtige lijdzaamheid laat gij Lisa alleen tegen het dreigend gevaar staan. Indien zij ongelukkig struikelde, aan wien zou de schuld zijn? Kom aan, help u zelven, zoo helpt u God, word moedig, snijd den knoop over, word man! - Zegt het spreekwoord niet: omdat zij dolen, die den weg weten, ziet men den wolf het schaap eten?"

Karel antwoordde slechts na eene wijl.

"Eilaas, eilaas," zuchtte hij, "ik ben vervaard van alles. Wat wil ik ondernemen? Ik weet, dat bij den eersten blik van Lisa de laatste vonk van moed mijn ontvallen zou. Het hart is ziek, Kobe; ik moet mijn bitter lot onderstaan."

"Verdedig haar dan ten minste tegen den bloedigen hoon van den baron zelven!"

"Den hoon? Heeft hij haar dan gehoond?"

"Weet gij wat mijnheer van Bruinkasteel eergisteren spottend tot zijne gezellen zeide, in tegenwoordigheid van Adolfs jager?"

Hij naderde geheimzinnig tot den brouwer en sprak eenige woorden in zijn oor.

"Gij liegt! gij liegt!" riep Karel, den knecht van zich wegstootende. "Hij heeft het niet gezegd!"

"Gelijk gij wilt, Karel," mompelde Kobe, "ik ben ook tevreden. Ik lieg, de jager liegt; het is niet waar, het kan niet zijn, mijnheer van Bruinkasteel ziet Lisa veel te gaarne om zoo iets te zeggen!"

Karel had zich aan den stam van een mastboomken vastgegrepen; zijne borst hijgde geweldig; zijn adem versmolt in een akelig gorgelgeluid, terwijl zijne oogen met een somber vuur onder de neergezonken wenkbrauwen gloeiden. Wat de knecht hem in het oor gefluisterd had, moest hem eene ijselijke wonde in het hart geslagen hebben; want hij stond daar sidderend als een riet en brullend als een leeuw.

Eensklaps stak hij zijne vuist tot den knecht en riep gansch buiten zich zelven:

"Ah! het is dus een moord, dien gij mij aanraadt, duivel!"

Kobe trad eenige stappen met schrik achteruit en stamelde:

"Sa, Karel, is het om te lachen ofte niet, dat gij een gezicht trekt gelijk de hongersnood? Ik heb u immers niets misdaan? Als gij mij liever van achter ziet, gij moet het maar zeggen: met een goeden dag is alles uit, en ieder gaat zijnen weg."

"Blijf hier!" schreeuwde de brouwer.

"Doe dan uwe handen open," antwoordde Kobe, "ik zie niet gaarne gesloten vuisten."

Karel sloeg opnieuw de oogen ten gronde en bleef eene lange wijl roerloos staan, zonder naar den knecht om te zien. Eindelijk hief hij het hoofd op en vroeg met bevende stem:

"Kobe, is Victor van Bruinkasteel op dit uur in de St.-Sebastiaan?"

"Ja maar, ja maar," riep de knecht met angst, "gij gaat er niet naar toe, Karel; al moest ik met u vechten, ik zal u tegenhouden, zoolang er een lid aan mijn lijf levend blijft. Ik begrijp u niet; gij zijt, gelijk het spreekwoord zegt: nu te wijs, dan te zot, altijd bot. Gij zoudt daar al schoone dingen gaan doen in de St.-Sebastiaan! Gij ziet er uit als een losgebroken stier!"

Zonder op deze woorden te letten, keerde Karel zich om en stapte haastig in de richting der woning van Baas Gansendonck. De knecht liet zijn geweer vallen en sprong voor den brouwer, hem met geweld weerhoudende.

"Laat mij gaan," sprak Karel, terwijl hij Kobe met eenen scherpen grimlach aanzag, "zoo ik wil, kunt gij mij het immers toch niet beletten? Waarom mij dwingen u leed te doen?"

De koelheid dezer woorden verwonderde den knecht; hij liet echter niet los en vroeg:

"Belooft gij mij, dat het bij woorden blijven zal en dat gij de handen uit de mouw niet steken zult?"

"Ik zal niemand hinderen," antwoordde de jonge brouwer.

"Wat gaat gij dan doen?"

"Uwen raad volgen, Kobe; rekening vragen aan allen, en rechtuit zeggen wat mij op het harte ligt; maar vrees niet, Kobe, ik heb eene moeder."

"Ah, is uw verstand teruggekeerd? Gij zoudt den haan op den toren eene les kunnen geven. Het is ongeveinsd, niet waar? Wel, kom aan dan, ik ga mede. Houd u koel en sterk, Karel; stout gesproken is half gevochten. Maak wat gerucht, toon uwe tanden en lees den Baas zijn evangelie eens; hij zal van moed de koorts niet krijgen. God weet, zoo gij hem goed aan boord komt, of hij zelf den baron niet verzoekt om zijne deur voorbij te gaan, en dan: na lijden komt verblijden! Mij dunkt, ik zie den speelman reeds op het dak zitten!"

Zoo gingen beiden op matigen tred in de baan voort; de knecht toonde den jongeling een troostend uitzicht en moedigde hem aan tot berekende stoutmoedigheid, hem radende voor ditmaal op de tranen van Lisa niet eerder acht te slaan, dan nadat hij het voorgestelde doel gansch zou hebben bereikt.

Niet verre van de afspanning verliet Kobe zijnen mijmerenden makker, zeggende, dat het hem te vroeg was om naar huis te keeren, en hij nog wel een gansch uur boschwachter moest spelen.

Karel drukte hem dankbaar de hand en beloofde zijnen raad te volgen. Het scheen den jongeling, zoohaast hij alleen was, dat een doek hem van de oogen gevallen was, en hij nu eerst met klaarheid doorgrondde, wat er omging en wat hem te doen stond. Hij stelde zich voor, Baas Gansendonck rekening over zijn gedrag te vragen en hem, - het mocht hem lief of leed zijn, - te doen gevoelen, hoe zijne dwaasheid niet alleen den goeden naam van Lisa vernietigde, maar hare eerbaarheid zelve in gevaar bracht. Het aangezicht des jongelings, toen hij de afspanning naderde, getuigde van een kalm besluit.

Bij de achterdeur van de St.-Sebastiaan veranderde eensklaps deze stille gemoedsstemming.

Binnen in de kamer klonk de verleidende stem des barons; hij zong eene Fransche romance, waarvan toon en maat liefde en dartelheid ademden.

Karel bleef bij het hooren van dien zang bevend staan en luisterde met koortsige aandacht:

"Pourquoi, tendre Elise, toujours vous dfendre?
"A mes dsirs daignez vous rendre."

Stuiptrekkend verkrampten de vingeren des brouwers: een vreeselijke storm stond op in zijn gefolterd gemoed.

"Ayez moins de rigueur;
"Si mon amour vous touche,
"Qu'un mot de votre bouche
"Couronne mon ardeur!"

De stem van Lisa mengde zich vreesachtig tusschen het lied: zij zong ook de dartele woorden!

Het bloed bonsde onstuimig door de aderen des jongelings; zijne oogen werden rood, zijne tanden sloten krakend op elkander; en toen de laatste verzen van het gezang uit den mond van Lisa en uit den mond des barons als verterende vuursprankels op zijn hart vielen, klom zijn haar te berge op zijn hoofd.

"Piti! mon trouble est extrme.
"Ah, dites: je vous aime!"
"Je vous aime!"

"Bravo! Bravo!" riep de Baas, in de handen klappend, "och hoe schoon!"

Een sombere gorgelklank viel ratelend uit des jongelings mond, terwijl hij de afspanning binnenstapte.

Bij zijne verschijning in de kamer sprong elkeen van schrik of van verrassing recht. Lisa liet een snijdenden angstschreeuw en stak de armen biddend tot Karel uit; de baron zag hem met fierheid en ondervragend in de oogen; de Baas trapte van ongeduld met de voeten en morde hoonend in zich zelven.

Eene korte poos bleef Karel als een zinnelooze met de hand aan eenen stoel staan; hij beefde, dat zijne beenen onder het gewicht zijns lichaams dreigden te plooien; zijn gelaat was bleek als een linnen doek; over zijn voorhoofd en wangen liepen krampachtige zenuwrillingen. Akelig moest zijn gansche wezen zijn; want de baron, hoe moedig hij anders ook ware, verbleekte insgelijks en week eenige stappen achteruit, om zich uit het bereik van den woedenden brouwer te stellen. Baas Gansendonck scheen nog met Karel te spotten, en bezag hem met eenen lach van misprijzen.

Eensklaps wierp de jongeling eenen vurigen blik van haat en wraaklust in de oogen des barons. Deze, daardoor gehoond, riep op trotschen toon:

"Sa, wat beduidt hier dit kinderspel? Weet gij met wien gij te doen hebt? Ik verbied u, mij nog zoo barsch te bezien!"

De brouwer legde brieschend de vuist aan den stoel en meende hem ongetwijfeld in de hoogte te heffen, om den baron er mede op het hoofd te slaan; maar vooraleer hij deze beweging kon volvoeren, hing Lisa huilend en bitter weenend hem aan den hals. Zij schouwde hem zoo smeekend, zoo liefderijk in de oogen; zij noemde hem met zulke zoete namen, dat hij welhaast zich ontzenuwd op den stoel liet nedervallen, terwijl hij met eenen langen zucht haar zeide:

"O, dank, dank, Lisa: gij hebt mij gered! Zonder u was het gedaan!"

Het meisje hield zijne twee handen vast en ging voort met hem door woorden van liefde te stillen en te troosten; zij bemerkte wel aan zijne durende ontsteltenis, dat de woede nog in zijnen boezem brandde, en deed geweld om uit hem de oorzaak zijner verdwaaldheid te vernemen.

Ondertusschen naderde de baron tot de deur en meende de herberg te verlaten; maar Baas Gansendonck riep hem toe:

"Wel, mijnheer de baron, zijt gij van eenen dwazen boer vervaard? Blijf toch, ik ga hem door mijne boden aan de deur doen zetten."

"Ik ben van geenen dwazen boer vervaard," antwoordde de baron, de deur openende, "maar het betaamt mij niet, met eenen dwazen boer in strijd te komen."

Bij deze hoonende woorden sprong Karel op, rukte zich los uit de armen zijner vriendin en stapte naar de deur om den baron op de straat te volgen; maar Baas Gansendonck weerhield hem en riep in de uiterste gramschap:

"Hola, kerel, tusschen ons nu! Het duurt al lang genoeg. Wat? gij zult de lieden uit mijn huis jagen en hier baas komen spelen! mijnheer den baron van Bruinkasteel met stoelen slaan! Wat let mij, dat ik u door de gendarmes doe opbrengen? Kom aan, ik moet u dingen zeggen, die mijne dochter niet hooren mag; - zoo zal het in nen keer gedaan zijn, of ik zal u toonen wie hier meester is."

Op het gelaat van Karel glom een bittere lach. Hij volgde den Baas in eene andere kamer; deze sloot de deur langs binnen en stelde zich dan sprakeloos met dreigende oogen voor den brouwer, die zichtbaar geweld deed om zijne ontsteltenis te bedwingen en de kalmte te winnen, welke hem in deze gewenschte samenspraak tot zijn doel noodig was.

"Trek maar leelijke gezichten zooveel gij wilt," sprak de Baas, "ik lach met uwe grillen. Gij gaat mij eens gauw zeggen, wie u het recht geeft om in mijn huis te komen en baldadig te zijn tegen iedereen? Of meent gij, dat gij mijne dochter gekocht heb?"

"Terg mij niet, om Gods wil" smeekte Karel. "Laat mij wat bekomen; ik zal rede met u spreken; en wilt gij mij niet begrijpen, ik zal weggaan en nooit eenen voet meer over uwen dorpel zetten."

"Nu, nu, ik ben nieuwsgierig; ik weet wat liederen gij gaat zingen, maar het zal toch niet gelukken: gij klopt aan eene doovemansdeur!"

De woede schokte Karel bij deze scherts: hij sprak zeer haastig en met hoekige gebaren:

"Mijn vader heeft u bijgestaan, u van verval gered. Gij hebt hem op zijn doodsbed beloofd, dat Lisa mijne bruid zou worden; gij hebt onze liefde aangemoedigd..."

"De tijd verandert, en de menschen ook."

"Nu gij wat slijk gerfd hebt, slijk, dat men geld noemt, nu wilt gij niet alleen als een ondankbare uw plechtig woord breken; maar gij besmet den goeden naam mijner verloofde. Tegen de hoop op eene onmogelijke verheffing verkoopt gij hare kuischheid, en doet gij hare eer door de modder der straat sleuren..."

"Oh, oh, wat toon is dit? Tot wien meent gij, dat gij spreekt?"

"En mij doet gij verkwijnen, sterven van verdriet en wanhoop. Niet omdat gij mij Lisa ontrooven wilt; neen, dit kunt gij niet: mij bemint zij! Maar kan er eene grootere martelie gevonden worden dan zijne vriendinne, zijne bruid onder zijne oogen te zien bederven, te zien bevlekken door alles, wat de stad lichtzinnigs en zedeloos uitbroedt? Haar voor het autaar te moeten verwachten met het kleed der zielereinheid aan stukken gescheurd?"

"Hebt gij dien onverstaanbaren rimram van buiten geleerd? hij is er niets te klaarder om. Ik ben meester, en wat ik doe, is wel gedaan: of denkt gij, dat gij meer verstand hebt dan Baas Gansendonck?"

"O, gij blinde, gij dwingt uwe dochter tot het aanhooren der venijnige woorden des barons; iedere vleierij is eene smet op hare zuivere ziel. Gij stoot haar in het verderf en, valt zij... eilaas! de vader zelf zal den put gegraven hebben, waarin de eer van zijn kind verzinken moest. Wat hoopt gij? Dat zij met mijnheer van Bruinkasteel trouwe? Ah, ah, het kan niet! Al ware zijn vader en zijne maagschap niet dr om het te beletten, hij zelf zou eene vrouw verstooten, die, door uwe onbewimpelde aanlokkerij en door zijne laffe streelingen, in zijne eigene oogen reeds is onteerd."

"Ga maar voort," lachte Baas Gansendonck, "ik wist niet, dat gij zoovele noten op uwen zang hadt. Zij zal met den baron niet trouwen? Wij zullen het eens zien! Gij moogt nog al op de bruiloft komen, als gij u goed gedragen wilt. Stel de liefde uit uw hoofd, Karel, dit is het beste, dat gij doen kunt; gij mocht er anders nog in stikken. En blijf liever met vriendschap uit ons huis weg; - want gij kunt wel begrijpen, dat de baron nu bijna den ganschen dag hier zal zijn, en gij zoudt hem maar in den weg loopen: hij is geen man om veel met boeren om te gaan."

"Alzoo, niets vermag het aanschouwen mijner doodelijke smart op u? Hij zal nog komen, haar vleien, haar bedriegen met ijselijke woorden, zingen van lusten en driften, en het hart mijner Lisa vervullen met venijn, dat alle eerbaarheid verteren moet?"

"Venijn? Wat is dit te zeggen? Omdat gij het niet kunt nadoen. Zoo spreken de boeren altijd van de stadsmenschen; zij barsten van nijd, als ze iemand zien, die goede manieren kent en beleefd is. Maar haal uw hart op, jongen; ga maar voort, het helpt toch niet. De baron zal blijven komen, en Lisa zal mevrouw worden. Al liept ge uwen kop aan tween, het zou er nog niet meer aan helpen dan eene vlieg in uwen brouwketel. Ik heb het recht om in mijn huis en met mijne dochter te doen wat ik wil, en niemand heeft zijnen neus daar tusschen te steken, gij zoomin als een ander!"

"Het recht!" riep Karel met bitteren lach, "het recht om de eer van uw kind te vermoorden? Om haar, onschuldig en zuiver als zij is, over te leveren aan den laster van iedereen? Om haar te doen bespotten en haar als de lichtzinnige liefdepop van eenen verwijfden jonker door elkeen te doen verfoeien? Neen, neen, dat recht hebt gij niet. Mij hoort Lisa toe. Wil haar vader haar in de modder der schande dompelen, ik zal haar zegepralend er uit verheffen. Mijnen plicht had ik vergeten; maar nu is het gedaan! Uw baron zal wegblijven; Lisa zal gered worden tegen uwen dank. Neen, ik eerbiedig uwe noodlottige eerzucht niet meer!"

"Is dit nu alles, wat gij in te brengen hebt?" vroeg Baas Gansendonck met de grootste onverschilligheid. "Dan zal ik u maar in nen keer zeggen, dat ik u mijn huis verbied; en als gij nog hier durft komen, zal ik u door den veldwachter en mijne knechts aan de deur doen zetten."

"Een herberg staat voor iedereen open."

"Er zijn kamers genoeg aan mijn huis, waar de baron met mijne dochter kan spreken."

De jongeling viel afgemat en moedeloos op eenen stoel, liet het hoofd zinken en bleef sprakeloos met de oogen ten gronde zitten.

"Nu, nu, begin uwe matten maar op te rollen," zeide de Baas, "die blauwe scheen zal gauw genezen zijn. Ga naar huis en blijf voortaan uit de St.-Sebastiaan, zonder u met Lisa te bemoeien. Op die voorwaarde zullen wij van verre nog vrienden zijn. Ik zal uwen hoogmoed en uwe dwaze grillen vergeten. Laat verstand is ook wijsheid. - Welnu, gaat gij?"

Karel stond op; zijn gelaat had eene volledige verandering ondergaan. Nu was de overspanning zijner zenuwen verdwenen; de koortsige poging tot krachtdadigheid had hem uitgeput, de vruchteloosheid zijner woorden hem allen moed ontroofd. Smeekend en met de handen te zamen, kwam hij voor den Baas staan en bad met vochtige oogen:

"O, Gansendonck, heb medelijden met mij, met Lisa! Wees zeker, ik zal sterven... Bij de gedachtenis mijns vaders, ik bezweer u, open de oogen. Schenk mij uwe dochter tot vrouw, vooraleer haar naam gansch onteerd zij. Ik zal haar gelukkig maken, haar beminnen, als een slaaf voor haar zorgen en werken. Ik zal u eerbiedigen, u gehoorzaam zijn, u liefhebben als een zoon, u dienen als een knecht!"

Ziende dat Karel zich zoozeer voor hem vernederde, gevoelde de Baas eenig medelijden met hem en antwoordde:

"Karel, ik wil niet zeggen, dat gij geen goede jongen zijt, en dat mijne Lisa geenen braven man aan u zou hebben."

"O, Baas, om Gods wil!" smeekte de jongeling, hem met hoop in de oogen ziende, "ontferm u mijner! Geef mij Lisa tot bruid! Ik zal met kinderlijke onderwerping uwen minsten wensch volbrengen: de brouwerij verkoopen, op eenen hof gaan wonen, den boerenstand verlaten, mijn leven veranderen..."

"Het kan niet meer zijn, Karel lief: het is te laat."

"En als gij zeker wist, dat ik er van sterven zal?"

"Het zou mij waarlijk spijten; maar ik kan u niet dwingen in het leven te blijven."

"O, Gansendonck!" riep de jongeling, met opgehevene handen geknield nederstortende, "laat mij hopen! Vermoord mij niet!"

De Baas hief hem van den grond op en sprak:

"Maar gij zijt van uw verstand, Karel; ik kan er niets meer aan doen. Gij kunt denken hoeverre de zaken reeds staan: morgen gaan wij op het Hofken bij mijnheer den baron ter maaltijd; hij geeft een feest ter eere van Lisa."

"Zij? zij, mijne Lisa, op den Hof van den baron? Oh, hij gaat hare eer verbrijzelen, voor altijd, voor eeuwig. er is geene enkele vrouw op het Hofken!"

"Zij gaat kennis maken met het jachthuis van haren toekomenden man."

"Aldus, geene hoop meer! Voor haar de schande, voor mij het graf" huilde de brouwer op akeligen toon, terwijl hij de handen zich voor de oogen sloeg, en een tranenvloed hem van de wangen rolde.

"Ik beklaag u, Karel," sprak de baas met onverschilligheid. "Lisa zal mevrouw worden. Het stond daarboven geschreven, en het zal geschieden."

Hij vatte den droeven Karel zachtjes bij den schouder en duwde hem naar de deur, zeggende:

"Kom, het heeft lang genoeg geduurd, en het helpt er toch niet aan. Ga nu maar naar huis... En geene woorden meer met Lisa, hoort gij?"

Karel liet zich gedwee en sprakeloos voortstuwen. Zijn hoofd hing slap voorover, de tranen vielen uit zijne oogen op den grond. In de kamer tredende, waar Lisa zich bevond, wierp hij als een eeuwig vaarwel nog eenen stervenden blik op haar...

Het meisje, dat reeds zoolang met diepen angst op de verwarde klanken geluisterd had, die daarbinnen in de geslotene kamer hadden gegalmd, stond bevend te wachten, dat de deure zich opende.

Dr verscheen nu haar minnaar vr haar: weenend en stom als een onschuldig slachtoffer, dat den dood te gemoet gaat! Een luide schreeuw vloog op uit hare borst; zij sprong op den jongeling toe en hing zich krijtend aan zijnen hals, hem met angstig geweld van de deur wegrukkende. Karel zag lijdzaam op haar neer en glimlachte zoo droef, dat die akelige lach eenen nieuwen gil uit de borst van Lisa deed ontspringen.

Baas Gansendonck maakte onder dreigende woorden de armen zijner dochter van Karel los, duwde den jongeling de herberg uit en sloeg de deur achter hem toe.


VI.

Wie verwaend is ende zot, dient zich zelven maer tot spot.

Baas Gansendonck liep als een dwaas over en weder in zijne kamer, trok den spiegel vooruit om zijne beenen te kunnen zien, en wandelde achterwaarts en voorwaarts, onder het mompelen van allerlei kreten van bewondering. Hij stond in zijne hemdsmouwen en had eene splinternieuwe broek met souspieds aan. Op eenen stoel, bij den muur, lagen een paar gele handschoenen, een wit gilet en een kanten jabot.

De knecht stond in het midden der kamer met eenen platgestreken witten halsdoek op den arm. Hij zag den Baas met lijdzaam gelaat aan: slechts van tijd tot tijd verscheen op zijnen mond een bijna onzichtbare grimlach van medelijden of van ontevredenheid.

"Welnu, Kobe," vroeg de Baas met losse blijdschap, "wat zegt gij? Gaat ze niet goed?"

"Daar ken ik niets van, Baas," antwoordde Kobe als verstoord.

"Gij kunt toch wel zien, of hij mij goed of slecht staat?"

"Ik zie u liever zonder riemkens aan uwe broek, Baas; uwe beenen zijn zoo stijf als bezemstokken."

Met verwondering hoorde Gansendonck deze stoute bemerking; hij wierp eenen woedenden oogslag op den knecht en riep:

"Wat beteekent dit? Gij begint gelijk ook al uwe horens omhoog te steken! Of meent gij, dat ik u betaal en te eten geef, om mij dingen te zeggen, die mij niet aanstaan? Kom, laat eens hooren! Staat ze mij goed of niet?"

"Ja, Baas."

"Wat, ja, Baas?" schreeuwde Gansendonck stampvoetend. "Staat ze mij goed of niet, vraag ik u?"

"Ah, gij zijt koppig? Zoudt gij gaarne uwe rekening hebben en eenen anderen dienst moeten zoeken? Of hebt gij het hier niet goed genoeg, luierik? Gij wenscht misschien nog beter brood dan tarwebrood? Zoo geraakt men van de klaver naar de biezen; maar het is wel waar wat het spreekwoord zegt: geef eenen ezel haver, hij loopt naar de distels."

Kobe sprak smeekend met gemaakten of met waren angst:

"Och, Baas, ik heb zulke pijn in mijnen buik! Ik weet niet wat ik zeg; gij moet het mij vergeven; uwe broek staat u zoo schoon, alsof zij aan uwe beenen geschilderd ware."

"Zoo, gij hebt pijn in het lijf?" vroeg de Baas met belangstelling. "Open ginder dat kasken en schenk u eene teug alsem. Bitter in den mond maakt het hart gezond."

"Ja, Baas; gij zijt wel goed, Baas," antwoordde Kobe, naar het kasken gaande.

"Geef mij mijnen halsdoek," zeide de Baas. "Voorzichtig, dat gij hem niet verkrookt."

Terwijl hij voortging met zich te kleeden en op te schikken, sprak hij half droomend:

"Eh, Kobe, wat zullen de boeren staan gapen, als zij mij zullen zien voorbijgaan met een wit ondervest, met eenen kanten jabot en gele handschoenen! God weet, hebben zij het in hun leven nog gezien! Ik had met slimheid aan mijnheer van Bruinkasteel gevraagd, hoe de heeren, die hunne wereld kennen, zich kleeden, als zij uit eten gaan; en op vier dagen hebben ze mij dat daar in de stad aaneengeflikt. Met geld kan men meer dan tooveren, men doet er mirakels mede. En Lisa zal den lieden geen klein beetje de oogen uitsteken met de zes kragen van onder aan haar zijden kleed!"

"Zes volants, Baas? De mevrouw van het kasteel draagt er maar vijf aan haar kleed, en dan moet het nog al Zondag zijn!"

"Als Lisa mijne goesting wilde doen, zij droeg er wel tien: die het lang heeft, laat het lang hangen; en die het kan betalen, mag het koopen. Gij zult haar eens op zijn echt mevrouwsch voor den boer zien komen, Kobe; met een satijnen hoed, waarop bloemen hangen gelijk er des winters op het kasteel bloeien."

"Kamelia's, Baas?"

"Ja, Kamelia's. - Denk eens na, Kobe: daar hadden ze mij in de stad nagemaakte korenaren en boekweitbloemen op den hoed van Lisa gedaan! Maar ik heb er dat boerengetuig wat gauw doen afsleuren. - Geef mij mijn gilet; - maar kom er met uwe handen niet aan."

"Dat is eene kunst, die ik niet geleerd heb, Baas."

"Lomperik, ik wil zeggen, dat gij het met den handdoek opnemen zoudt."

"Ja, Baas."

"Zeg, Kobe, ziet gij mij daar op den Hof aan tafel zitten? Lisa tusschen mij en mijnheer den baron? Hoort gij ons daar komplimenten maken en schoone dingen zeggen? Van alle soorten van wijnen drinken en wild eten, dat gereedgemaakt is met sausen, waar de duivel de namen niet van onthouden zou? In vergulde schotels met zilveren lepels?"

"Och, Baas, zwijg, als het u belieft; ik krijg er den geeuwhonger van."

"Er is wel reden toe, Kobe; maar ik wil alleen niet gelukkig zijn: er staat nog een halve haas van gisteren; dien moogt gij opknabbelen; en drink er maar een paar kannen garstebier bij."

"Veel goedheid, Baas."

"En kon dan in den namiddag op den Hofken eens zien, of ik u niets te gebieden heb."

"Ja, Baas."

"Maar zeg eens, Kobe, zou Lisa reeds gekleed zijn?"

"Ik weet het niet, Baas; daar straks, toen ik om versch regenwater ging, zat zij nog bij de tafel."

"En wat kleed had zij aan?"

"Haar gewoon Zondagskleed, geloof ik, Baas."

"Heeft zij u niet gezegd, dat ik gisteren den brouwer aan de deur heb gezet?"

"Ik heb gezien, dat zij diep bedrukt is Baas; maar ik vraag niet naar dingen, die mij niet raken: hij is dwaas, die zich brandt aan eens andermans ketel."

"Gij hebt gelijk, Kobe; maar ik ben toch meester van er met u over te spreken, als ik wil. Zoudt gij kunnen gelooven, dat zij nog zooveel voor dien dwazen Karel overheeft, dat zij weigerde op het Hofken uit eten te gaan, omdat zij den sukkelaar tranen had zien storten, toen hij uitging? Heb ik met mijne eigene dochter den ganschen avond niet moeten kijven, om haar hoofd te breken?"

"En heeft zij dan eindelijk gezegd, dat zij mede zou gaan, Baas?"

"Wat? zij heeft er niets aan te zeggen. Ik ben meester!"

"Dat is zeker, Baas."

"Heeft zij zelve de stoutheid niet gehad, mij te zeggen, dat zij met den baron niet trouwen wil?"

"Zoo?"

"Ja, en dat zij haar leven lang ongetrouwd zal blijven, indien zij dien lompen Karel niet tot bruidegom krijgt. Zij zou er al schoon zitten, in die vuile brouwerij, met een spinnewiel bij den koeketel. - En als zij dan al eens naar de stad wilde rijden, kon zij op den bierwagen kruipen, niet waar, Kobe?"

"Ja, Baas."

"Kom, geef mij nu mijne handschoenen; ik ben gereed. Nu eens naar Lisa uitgezien; misschien zal die nog wat grillen verkoopen. Gisterenavond ten minste kon zij nog geene kennis krijgen met de zes kragen, die aan haar nieuw kleed hangen. Lief of leed, zij zal zich kleeden gelijk ik denk, dat het betaamt."

Lisa zat in de voorkamer bij het venster. Diepe droefheid stond op haar gelaat geprent; zij hield eene naald in de eene hand, en een borduurwerk in de andere; maar hare gedachten waren wel verre weg, want zij zat roerloos en arbeidde niet.

"Wat is dit?" riep Baas Gansendonck met gramschap. "Ik ben opgekleed van hoofd tot voeten, en gij zit daar nog, alsof er niets gebeuren moest."

"Ik ben gereed, vader," antwoordde Lisa met lijdzame gelatenheid.

"Vader? Vader? Gij wilt mij weer uit mijn vel doen springen!"

"Ik ben gereed, papa," herhaalde het meisje.

"Sta eens op," sprak Baas Gansendonck met stuursch gelaat, "wat kleed hebt gij daar aan?"

"Mijn Zondagskleed, papa."

"Eens wat gauw uw nieuw kleed aan! En den hoed met bloemen opgezet!"

Lisa boog het hoofd en antwoordde niet.

"Hoe langer hoe schooner!" schreeuwde Baas Gansendonck. "Gaat gij spreken, of niet?"

"Ach, papa," smeekte Lisa, "dwing mij niet. Het kleed en de hoed zijn boven onzen staat; ik durf er niet mede door het dorp gaan. Gij wilt, dat ik u naar het Hofken volge, alhoewel ik u op de knien gebeden heb mij thuis te laten. Welnu, ik zal het doen; maar om Gods wil, laat mij in mijne Zondagsche kleederen gaan."

"Met eene muts, met eenen enkelen kraag onder aan uw kleed?" spotte Baas Gansendonck. "Gij zoudt er fraai uitzien aan eene tafel met vergulde schotels en zilveren lepels. Kom, kom, zoovele woorden niet: uw nieuw kleed aan en den hoed op, ik wil het!"

"Gij moogt doen wat u goeddunkt, papa," zuchtte Lisa, het hoofd mistroostig latende zinken, "gij moogt mij bestraffen, mij bekijven; ik doe het nieuwe kleed niet aan, ik draag den hoed niet..."

Uit den hoek van den haard knikte Kobe met het hoofd, om de maagd in haren tegenstand aan te moedigen.

De Baas keerde zich tot den knecht en vroeg woedend:

"Welnu, wat zegt gij van eene dochter, die haren vader zoo durft toespreken?"

"Zij zou kunnen gelijk hebben, Baas."

"Hoe zegt gij daar? Gij ook? Hebt gij malkander verstaan om mij van gramschap te doen barsten? Ik zal u leeren, gij ondankbare lomperik: morgen vertrekt gij van hier!"

"Maar, Baas lief, gij verstaat mij niet," antwoordde Kobe met geveinsde bedeesdheid; "ik wil zeggen, dat Lisa gelijk zou kunnen hebben, als zij geen ongelijk had."

"Ah! spreek dan een andermaal wat klaarder."

"Ja, Baas."

"En gij, Lisa, haast gemaakt! Het moge u lief of leed zijn, gij zult mij gehoorzamen, al moest ik het kleed met geweld aan uw lijf trekken."

Het meisje borst in tranen los. Haar vader moest daarover nog meer ontevreden zijn; want hij morde hevig in zich zelven en stampte de stoelen met toorn door elkander.

"Nog beter!" schreeuwde hij schertsend, "krijsch een uur of twee, Lisa, dan zult gij eens recht fraai er uitzien, met een paar roode oogen gelijk een wit konijn. Ik wil niet hebben, dat gij tranen stort; het is eene streek, opdat wij wel zouden moeten te huis blijven."

Maar het meisje bleef sprakeloos weenen.

"Kom aan," zeide de Baas met pijnlijk ongeduld, "als het anders niet kan zijn, kleed u gelijk gij wilt: maar scheid uit met krijschen. Om Gods wil, Lisa, spoed u!"

De maagd verliet haren stoel en klom zonder spreken de trap op, om zich tot het bezoek op het Hofken te bereiden.

Even was zij uit de kamer verdwenen, of mijnheer van Bruinkasteel trad de afspanning binnen, tot den Baas zeggende:

"Waar blijft gij zoolang, mijnheer Ganzendonck? Ik was ongerust, dat hier iets gebeurd mocht zijn. Wij hebben u reeds van voor n uur verwacht."

"Het is de schuld van Lisa," antwoordde de Baas. "Ik had haar een schoon nieuw kleed en eenen satijnen hoed doen maken; maar ik weet niet wat haar in het hoofd steekt: zij wil geene nieuwe kleederen aandoen."

"Zij heeft gelijk, mijnheer Gansendonck; zij is immers altijd bevallig genoeg?"

"Schoone kleederen doen er toch geen kwaad aan, mijnheer Victor."

Lisa kwam beneden en groette den baron met stille beleefdheid. Hare oogen getuigden van hare droefheid, en het was licht te zien, dat zij had geweend. Zij droeg haar gewoon zijden kleed met eenen enkelen volant, en eene kanten muts, van vorm als die, welke men in de stad draagt en welke men kornetten noemt.

Met inzicht stak zij haren arm aan den arm haars vaders en wilde hem ter deure uitleiden; maar de Baas liet haar los en week van haar weg, als wilde hij den baron uitnoodigen om zijner dochter leidsman te zijn.

Mijnheer Victor scheen het niet te merken; misschien dat hij het voor Lisa en voor zich zelven niet betamelijk achtte, arm aan arm door het dorp te wandelen.

Na eenige plichtplegingen, om te weten, wie eerst ter deur zou uitgaan, verliet men de afspanning. De Baas maakte van den nood eene deugd en stapte met zijne dochter voort. Onderweg zeide hij bitsig:

"Ziet gij nu wel, koppig meisken? Haddet gij uw schoon kleed aangedaan en uwen hoed met bloemen opgezet, dan had de baron u den arm gegeven. Nu wil hij niet: gij zijt te gemeen gekleed. Dat komt er van!"

Zij moesten voorbij de brouwerij. Dr, achter den muur der stalling, zag het meisje den bedrukten Karel staan, die met de armen op de borst gekruist en met neerhangend hoofd haar lijdend in de oogen schouwde, zonder gramschap of verwondering te toonen. Afgematheid, moedeloosheid en stille wanhoop stonden alleen in zijne stervende blikken te lezen.

Lisa liet eenen schreeuw van verrassing, rukte zich los van den arm haars vaders en liep tot Karel, wiens beide handen zij bevend aangreep onder verwarde uitroepingen van troost en van zoete genegenheid.

Baas Gansendonck naderde de beide gelieven, bezag den brouwer met woede en rukte zijne dochter van hem weg.

Lisa ging sprakeloos en vol bittere gedachten naar het Hofken van mijnheer van Bruinkasteel.


VII.

Hoogmoed is de bron van alle kwaad.

In den laten namiddag stond Karel tusschen hooggewassen scharhout met den rug tegen eenen berkestam leunende.

Daar, voor hem, aan de andere zijde der gracht, lag de jachthof van mijnheer van Bruinkasteel.

Reeds lang bevond zich de jongeling op deze eenzame plaats; hij wist zelf niet hoe en waarom hij er gekomen was. Terwijl hij met ijselijke droomen in het hoofd onachtzaam door de velden dwaalde, had zijn hart hem herwaarts gevoerd, om hem nog bitterder gal te doen drinken. Daar stond hij nu als een gevoelloos beeld met de oogen op de woning des barons gevestigd, en slechts van tijd tot tijd het leven verradend door eene krampachtige siddering des lichaams. Zijne ziel lag op de pijnbank: met zijne gefolterde verbeelding drong hij door den muur, waarachter Lisa zich bevinden moest; hij zag haar aan de zijde des barons zitten, hij hoorde liefdesverklaringen en verleidende vleierijen, hij verraste wulpsche lonken en zag, hoe Baas Gansendonck geweld deed om de kuischheid zijner dochter te onderdrukken, en dan... dan wist de zwakke Lisa niet wat te doen, - zij liet den baron haar de hand aangrijpen, haar bezien met den besmettenden oogslag der laffe minnejankerij!

Arme Karel! zoo stak hij in zijn eigen hart talrijke wonden, en dwong zijne overspannen verbeelding wreedelijk daarin te woelen en hem den droesem uit den smartkelk te doen smaken.

Na lang in zulke nare droomen gedwaald en geleden te hebben, verviel hij in eene soort van slaap des geestes; zijne zenuwen ontspanden; op zijn gelaat bleef alleen de rustige uitdrukking der afgematheid; het hoofd zonk hem op de borst; hij blikte met halfgesloten oogen ter aarde. Eensklaps drong de klank van eenige verre snarentonen in zijn oor en, met deze, de bijna onvatbare galmen eener mannenstem.

Hoe weinig duidelijk dit gezang ook was, het werkte geweldig op des jongelings gemoed. In al zijne leden bevend en met wraakzucht op het aangezicht, sprong hij recht, als hadde een slang hem gebeten. Uit zijn oog straalde een gloeiende blik; zijne tanden waren bloot; de vingeren kraakten hem in de woelende vuisten... Hij kende dat hatelijk gezang, dat ook dien morgen aan de ooren van Lisa als eene stem der helle van wulpsche begeerten had gesproken. Zij brandden nog verterend op zijn hart, de besmettende woorden, die uit Lisa's mond den verleider hadden tegengeklonken.

In zijne wanhoop brak de jongeling de eiken twijgen aan stukken en morde met akelig keelgeluid...

De tonen van het gezang verhieven zich en werden helderder: het woord je vous aime! klom, tot in den eikenkant verstaanbaar, uit den gorgel des barons en was met zooveel vuur, met zulk innig gevoel uitgegalmd, dat het niet anders kon of het moest rechtstreeks tot Lisa gesproken zijn.

Gansch buiten zich zelven, onbewust van hetgene hij ging doen, liep Karel door de gracht, beklom den anderen boord en verdween tusschen het dichtgegroeid loof van een hazelaren boschken, dat zich langs een breed pad uitstrekte. Zich immer verbergend, kroop hij als een wild dier door het gebladerte voort, totdat hij bij een duister loofgewerf naderde. Hier waren twee beukenhagen op weinig afstand van elkander geplant geweest, en men had door groote zorg hunne takken tot een groeiend gewelf te zamen overgebogen. Ofschoon de laatste stralen der zonne nog op de eene zijde van dezen loofgang vielen en de doorschijnende bladeren, als lichtstippen, tintelend op het diepere groen deden uitlossen, was het er echter zeer donker in.

De jongeling sloop er dwars door en naderde het huis en de zaal, waar de baron met zijne gasten zich bevond.

Op drie of vier stappen van een venster dezer zaal groeide een blok syringeboomen, wier bloemen gewis in de lente de gansche woning met hunnen zoeten geur moesten vervullen. - Te midden van het duister syringeloof stond Karel op, en zag uit deze schuilplaats rechtstreeks en vrij in de zaal.

Ach, hoe klopte hem het hart, hoe bonsde het bloed hem naar het hoofd! Hij kon alles bespeuren, alles hooren; - want de wijn en de vroolijkheid hadden daar in de zaal de stemmen helder gemaakt.

Het scheen, dat men Lisa tegen haren dank tot iets dwingen wilde. De baron trok haar met beleefd geweld bij de hand naar de piano; haar vader duwde haar met minder omzichtigheid voort en riep halfvergramd:

"Lisa, Lisa, gij zult mij nog uit mijn vel doen springen met uwe eigenzinnigheid! Wat gij dezen morgen gedaan hebt, kunt gij nog doen. Die heeren verzoeken u zoo vriendelijk, dat liedeken nog eens te zingen, en gij zijt onbeleefd genoeg om te weigeren? Gij moet uwe stem niet wegsteken, meisken; zij mag gehoord worden."

De baron drong opnieuw aan; de Baas gebood met gramschap. Lisa gehoorzaamde en begon, onder begeleiding der piano, met den baron te zingen van:

"Ah, piti! mon trouble est extrme!
"Dites: je vous aime,
"Je vous aime!"

Het syringeloof bewoog sidderend, als hadde een windslag het getroffen...

Baas Gansendonck was bijna verdwaald van hoogmoed; zijn aangezicht blonk en zag rood van zelftevredenheid; hij wreef zich onophoudend de handen en sprak zoo vrij, zoo stout en zooveel, dat een onbekende hem ongetwijfeld voor den eigenaar van den Hof zou hebben aangezien. Bij de piano staande, wiegelde hij het hoofd en trappelde met zijne zware voeten de maat verkeerd op den geboenden vloer, bij poozen tot zijne dochter zeggende:

"Harder! gauwer! Z is het goed! Bravo!"

Dat Adolf en zijn makker, ja Victor zelfs met hem den spot dreven, dit gevoelde hij niet; hij zag integendeel hun schertsend lachen aan voor een bewijs van goedkeuring en van vriendschap.

Nauwelijks was het gezang ten einde, of Adolf, die voor de piano zat, liet zijne vingeren eene wijl over het snarentuig loopen en begon dan eene wals, zoo springend en zoo wegvoerend van maat en toon, dat de Baas bij het aanhooren zich tot dansen voelde aangespoord en werkelijk zich op de teenen verhief, als ginge hij rond de zaal huppelen.

"Dansen! dansen!" riep hij, "dit kan onze Lisa, dat men ze wegstelen zou, als zij den voet maar verroert! Kom, Lisa, laat eens zien wat gij in uw pensionaat geleerd heb!"

Het meisje, dat reeds met droefheid zich tot den zang gedwongen had gezien, wilde zich van de piano verwijderen om ditmaal het gebod haars vaders te ontvluchten; maar hij bracht haar terug naar het midden der zaal en deed een aanmoedigend teeken tot den baron.

Deze, vol lichtzinnige vroolijkheid, sprong toe, sloeg zijne armen om de lenden der maagd en rukte haar vijf of zes malen tegen haren dank voort.

Uit het syringeloof klom een dof gebriesch, akelig en pijnlijk als de laatste zucht van een stervenden leeuw. Daarbinnen was men te zeer bezig om die stem der smart aandacht te leenen.

Daar Lisa volstrekt weigerde te dansen en zich onwillig sleepen liet, moest mijnheer van Bruinkasteel het insgelijks opgeven. Hij verontschuldigde zich met hoofsche woorden bij het beschaamde meisje, en scheen noch door hare zichtbare droefheid, noch door hare weigering getroffen. De dartele jonker vermaakte zich; waarschijnlijk zag hij in Lisa Gansendonck niets anders dan een bevallig en onnoozel meisje, dat hem diende om zijnen tijd aangenaam te slijten. Hadde een inniger gevoel hem tot haar getogen, dan voorzeker zou de koelheid der maagd hem nu verstoord of bedroefd hebben. Met zwierige buiging bood hij zijnen arm aan Lisa, die hem nu niet weigeren durfde, en riep tot de anderen:

"Komt aan, wij gaan eene avondwandeling in den tuin doen, totdat de lichten hier ontstoken zijn! Neemt het niet kwalijk, vrienden, dat ik de cavalier van juffrouw Lisa zij."

Allen stapten de arduinen trap af en wendden zich naar het loofrijkste gedeelte des tuins. Vele paden boden zich voor hen aan. De baron leidde Lisa nevens een perk van dahlia-bloemen: Adolf en zijn makker sloegen welhaast eenen anderen weg in. Met verbaasdheid en met zekeren angst zag de maagd, dat haar vader zich insgelijks van haar verwijderde; zij wierp eenen biddenden blik op hem en wilde den baron verlaten; maar Baas Gansendonck gebood met geveinsden toorn, dat zij haren leider volgen zou, en liep welhaast lachend tot Adolf, alsof hij iets wonderschoons gedaan had. Lisa beefde; haar maagdelijk geweten riep luid, dat zij misdeed met zoo alleen, arm aan arm, met den baron door de eenzame dreven te wandelen; maar hij zeide haar toch niets onbetamelijks; en ginder, ten einde der dreef, zou zij immers haren vader weder ontmoeten. - Zou het niet eene grove onbeleefdheid zijn, den baron te laten staan en van hem weg te loopen gelijk eene boerinne?

In deze gedachten volgde zij den jonker lijdzaam en hem slechts enkele verstrooide gezegden tot antwoord schenkende.

Eene wijl tijds daarna verdwenen allen in de kronkelpaden des tuins, tusschen de lommerrijke boschkens.

De ongelukkige Karel had de koorts in het hoofd en leed onzeglijke martelpijnen. Reeds twintigmaal had de gloeiende wraakzucht, die in zijnen boezem brandde, hem aangedreven om uit het syringeloof te springen en den verleider te verpletteren; maar dan ontstond telkens het beeld zijner oude moeder biddend voor zijn oog, en hij, over- en wedergerukt tusschen de aanhitsende wraakzucht en het waarschuwend gevoel der kinderlijke liefde, huilde in zijn binnenste van pijn en wanhoop. Met zulke razernij stond hij tusschen het syringeloof te hijgen, dat de gloeiende adem zijne opgespannen neusgaten zengde.

Eensklaps herklonk weder op eenige stappen van hem de streelende stem des barons. Hij zag Lisa met stil en droef gelaat aan zijnen arm voortstappen; beiden wandelden in het pad, dat hen bij het syringenbosch en verder onder den duisteren loofgang leiden moest.

Op een paar stappen voorbij de plaats, van waar Karel, met ingehouden adem en in angstige afwachting, hunne minste bewegingen afspiedde, bemerkte Lisa eerst het bladergewelf, dat haar zijnen donkeren ingang aanbood. Zij smeekte den baron, dat hij met haar terug naar haren vader zou keeren; en toen deze haren arm vaster hield en, met hare vrees spottend, haar aanspoorde om onder het gewelf door te gaan, begon zij als een riet te beven en verbleekte van benauwdheid. De jonker scheen op hare ontsteltenis geene acht te slaan, of meende misschien, dat het eene geveinsde vervaardheid was. Hoe het zij, hij wilde haar met schertsend geweld naar den loovergang rukken en gelukte er eenigszins in.

"Vader! vader!" galmde Lisa met eenen snijdenden angstschreeuw.

Even ras ontsprong eene andere, nog veel akeliger schreeuw hare borst...

Maar vooraleer zij een enkel woord kon uiten, vielen twee machtige handen op de schouders des barons en wierpen hem met eenen enkelen ruk drie of vier stappen verder in het zand.

Woedend richtte de baron zich op, trok eene steunlat van eene dahlia-plant weg en kwam er mede naar Karel geloopen, die met den lach der verdwaaldheid en der wraakzucht op het gelaat hem verwachtte. Het gelukte den baron den jongeling zoodanig op het hoofd te treffen, dat het bloed hem langs de wangen sprong; - maar dit was het sein eener razende worsteling. Karel greep zijnen vijand in de lenden, hief hem in de hoogte en smeet hem als een steen tegen den grond. Niettemin, de baron sprong weder recht en bood den sterkeren jongeling zoolang tegenstand, totdat deze hem, op het pad uitgestrekt, onder zijne knie neergedrukt hield en hem met zijne zware vuisten hoofd en aangezicht deerlijk kneusde en ten bloede sloeg.

Lisa was een oogenblik kermende blijven staan, totdat het eerste bloed haar oog had getroffen; dan had zij huilend de vlucht genomen en was een eind verder op het gras zonder gevoel neergestort.

Haar hulpgeschreeuw had evenwel de andere wandelende gasten en zelfs de dienstboden getroffen en met schrik vervuld. Allen kwamen nu ook langs verschillende paden toegeloopen en rukten den jongeling van het lichaam des barons weg.

Adolf gebood den knecht, dat zij den brouwer vastgrijpen zouden; zij waren wel met vijf of zes aan zijn lijf en hielden hem bij de armen, terwijl hij als verdwaald en lachend zag, hoe hij zijnen vijand bejegend had.

Baas Gansendonck was tot zijne dochter geloopen en trok zich van wanhoop de haren uit het hoofd, in de schrikkelijke meening dat zijn kind vermoord was.

Adolf en zijn makker hielpen mijnheer van Bruinkasteel te been. De baron was fel gekneusd op aangezicht en lichaam. Evenwel ontvlamde zijne gramschap hevig, en vond hij nog kracht, toen hij den brouwer zag staan.

"Schelm!" riep hij, "ik zou u door mijne knechts totterdood toe kunnen doen geeselen; maar het schavot zal mij wreken over eenen sluipmoordenaar. Men sluite hem in den kelder; en gij, Steven, loop en haal de gendarmes!"

De knechts, om het bevel huns meesters te volbrengen, wilden den jongeling voortsleuren; maar hij, dan eerst merkende wat men met hem voorhad, rukte zijne armen los, wierp dengene, die voor hem stond, achterover in het syringeloof, liep onvolgbaar door het water en verdween uit aller gezicht achter den hoek van een mastbosch.


VIII.

Stille waters hebben diepe gronden.

Des anderen daags 's morgens zat Lisa in eene nevenkamer van de St.-Sebastiaan, achter de neteldoeksche schermen van een venster. De uiterste bleekheid haars aangezichts en de roodheid harer oogen getuigden, dat zij uitgeput was van weenen.

Hoezeer Lisa ook door smart scheen afgemat, verried haar gelaat evenwel eene onrustige spanning des gemoeds en bewoog zich stuiptrekkend, onder den indruk van geheime aandoeningen. Men zou gezegd hebben, dat diepe schrik, eene angstige afwachting haar het hart beklemde; want bij poozen legde zij bevend het oog achter de schermen der ruiten en staarde met zichtbare benauwdheid op de straat, totdat eenig voorbijganger hare woning scheen te aanschouwen. Ofschoon men haar van buiten niet kon zien, trok zij het hoofd terug; de schaamte kleurde hare wangen met hevig rood; zij sloeg de oogen nederwaarts, als ontvluchtte zij de beschuldigende blikken der lieden, en bleef dus eene lange wijl in de grootste stilte zitten, om daarna weder met aangejaagde nieuwsgierigheid en met angst op de straat te zien.

Wat mocht zij dan verwachten? Zij wist het zelve niet; maar haar geweten knaagde als een worm aan haar hart: het beeld van Karel zweefde voor haar gezicht en riep luid, dat zij de schuld was van al de martelpijnen, die zijn liefderijk gemoed hadden gefolterd; zij hoorde in hare verschrikte verbeelding, wat de dorpelingen van haar zeiden, en besefte nu eerst ten volle, dat haar goede naam verloren was, en Karel zelf met recht haar zou verstooten. Daarom deden de blikken der voorbijgangers haar beven en blozen; want zij zag op hun gelaat, dat zij over het voorval van gisteren spraken, en dat spot, misprijzen en gramschap hunne woorden vergezelden. Ja, zij had eenige boeren de dreigende vuisten naar de afspanning zien uitsteken, als hadden zij plechtiglijk gezworen wraak te nemen over de schande, hun dorp door de Gansendoncks aangedaan.

Terwijl Lisa in de nevenkamer den bitteren kelk der schaamte en der wroeging met langzame teugen dronk, zat Kobe even stil en eenzaam in de herberg bij den haard.

Hij hield zijne pijp in de hand, doch rookte niet; diepe overwegingen, droeve gedachten schenen hem te hebben weggerukt. Eene gansch andere dan de gewone uitdrukking stond op zijn gelaat; er was iets bitters op te lezen, iets verwijtends, iets trotsch zelfs. Zijne lippen verroerden zich, alsof hij hadde gesproken, en zijne oogen blonken bij poozen met het vuur der gramschap.

Eensklaps meende hij de stem van Baas Gansendonck te vernemen; een lach van medelijden betrok zijnen mond, doch even spoedig verdween dit teeken der aandoening, en er bleef op zijn aangezicht niets meer merkbaar dan bitterheid en verdriet.

Naarmate de Baas de achterdeur der afspanning naderde, hoorde de knecht hoe hij bulderend en scheldend uitvoer tegen personen, die hem moesten gehoond hebben; maar Kobe kon nog niet verstaan, tegen wien of tegen wat de Baas in het harnas was gejaagd. Het scheen hem in alle geval zeer onverschillig te zijn, want hij verroerde zich niet en bleef wachtend onder den schouwmantel zitten.

Dr kwam de Baas plotseling in de herberg gevallen, stampend met de voeten gelijk een dolle, en slaande met zijne gaffel tegen de stoelen, als hadden deze hem ook al misdaan.

"Dit gaat te verre, ja, zeker te verre!" riep hij. "Een man als ik! Wat, zij zullen mij op de straat met vuisten dreigen, mij naroepen, mij uitjouwen, mij uitmaken voor eenen schelm, voor eenen ezel! Denk eens, Kobe, moeten zij niet van den duivel bezeten zijn? De lompe boeren uit de smidse loopen mij na en roepen: schandaal! schandaal! Hadde ik het niet gelaten om mijne handen aan dat gespuis niet vuil te maken, mij dunkt, ik hadde er drie of vier met mijne gaffel den kop ingeslagen. Maar Sus zal het voor al die schobbejakken te gelijk betalen! Ik zal hem leeren Baas Gansendonck met slijk werpen. Wij zullen eens zien hoe het zal vergaan. Al moest ik de helft van mijn goed verliezen, hij zal het schrikkelijk bekoopen. De gendarmes zullen er tusschenkomen, en als er nog iemand maar een leelijk gezicht tegen mij durft trekken, ik zal het halve dorp voor het Tribunaal doen verschijnen! Ik heb er geld genoeg toe; en mijnheer van Bruinkasteel, die een vriend van den procureur des konings is, zal hen wel voor eenige maanden op het droge krijgen. Dan zullen ze staan zien; dan zullen ze weten, met wien ze te doen hebben, die onbeschofte lompaards. Er moest een einde aan komen; en vermits zij mij zoo onbeschaamd hebben getergd, zal ik ook onbarmhartig zijn en hun doen gevoelen, wat Baas Gansendonck vermag. Neen, het is gedaan, geene genade meer!"

Ongetwijfeld zou de woedende Baas nog lang op dien toon geraasd en gescholden hebben, zoo de adem hem daartoe niet hadde ontbroken. Hijgend liet hij zich op eenen stoel nedervallen en zag met grammoedige verwondering den knecht aan, die met de grootste onverschilligheid in het vuur blikte, alsof hij niets hadde gehoord: droefheid alleen kon men op zijn gelaat bespeuren.

"Wat zit gij daar weder te suffen gelijk iemand, die geen drie kan tellen? Het luie leven bederft u, Kobe; ik weet niet, maar gij wordt zoo laf en zoo vadsig als een zwijn. Dat bevalt mij niet: ik wil hebben, dat mijn knecht vinnig zij en zoo koel niet blijve, als ik kwaad ben."

Kobe zag zijnen meester met eenen pijnlijken blik van medelijden aan.

"Ah, gij hebt weer pijn in den buik!" riep de Baas. "Dit begint mij niet weinig te vervelen; of meent gij, dat de St.-Sebastiaan een gasthuis is? Ik wil niet, dat gij pijn in den buik hebt. Dan moet gij maar wat minder eten, begeerlijke slokop dat gij zijt! Sa, gaat gij spreken of niet?"

"Ik zou gaarne genoeg spreken," antwoordde Kobe, "als ik niet wist, dat gij bij het eerste woord mij den mond zult sluiten, om volgens uwe gewoonte uit te vallen en de lange litanie te zingen."

"Wat toon neemt gij? Zeg maar rechtuit, dat ik een babbelaar ben. Houd u niet in, Kobe; zij zitten Baas Gansendonck toch altemaal op het lijf. Waarom zoudt gij ook al geene steenen werpen naar dengene, die u te eten geeft?"

"Ziet gij wel?" sprak Kobe met droeven lach. "Ik heb zes woorden gewaagd, en gij zit al schrijlings op uw paard! Ik zal mij wel wachten van u een scheldwoord te zeggen; doch beken met mij, Baas, dat het al eene rappe spinnekop zou zijn, die voor uwen mond eene web zou weven..."

"Ik ben meester; ik mag zoolang alleen spreken als ik wil."

"Inderdaad, Baas; laat mij dan zwijgen, al moest ik er in verstikken."

"Zwijgen? Neen, ik wil niet; gij zult spreken: ik ben nieuwsgierig om te weten, wat goeds er uit zulken domkop komen kan."

"Stille waterkens hebben diepe gronden, Baas."

"Nu, laat hooren; maar spreek niet te lang. En vergeet bovenal niet, dat ik mijnen knecht niet betaal om door hem geleerd te worden."

"Er is een spreekwoord, Baas, dat zegt: de wijze man gaat bij den zot te raden en vindt er de waarheid."

"Welnu, zeg op dan wat de zot den wijzen man te raden heeft. Als gij zoo redelijk wilt blijven spreken, zal ik u wel een beetje aanhooren."

De knecht wendde zich met den stoel naar zijnen meester en sprak in eene gansch stoute en vrije houding:

"Baas, er gebeuren hier sedert twee maanden dingen, die zelfs een domme knecht niet kan aanzien, zonder dat het bloed hem van ongeduld aan het koken ga."

"Ik geloof het wel, maar het zal niet lang duren, Kobe; de gendarmes worden niet betaald om vliegen te vangen."

"Wat mij betreft, Baas, ik ben een luierik, ik beken het, maar mijn hart is evenwel nog goed. Ik zou al veel doen om ons braaf Liesken van een ongeluk te redden, indien ik er de macht toe had; en ik vergeet ook niet, Baas, dat gij, tusschen al uwe opvliegendheid, toch goed voor mij zijt."

"Het is waar, Kobe," zeide de Baas getroffen. "Ik hoor met vermaakt, dat gij mij dankbaar zijt; maar waar wilt gij toch met dien ernst naartoe?"

"Doe mij den wagen vr de paarden niet spannen, Baas; ik zal gauw genoeg aan het pijnlijk koordeken trekken."

"Maak het kort, of ik loop ten huize uit; gij zoudt mij doen versmachten met uw talmen!"

"Welaan, luister dan slechts een oogenblik. Lisa was sedert lang ten huwelijk beloofd aan Karel, die een goede jongen is, al heeft hij eene onvoorzichtigheid begaan..."

"Goede jongen?" schreeuwde de Baas. "Hoe? gij heet hem goede jongen, dengene, die als een moordenaar mijnheer van Bruinkasteel op zijnen eigen Hof aanviel en te pletteren sloeg?"

"Het beste paard struikelt al eens."

"Ah, dit noemt gij struikelen? Hij is een goede jongen? Dit woord zal u slecht bekomen. Uw wittebrood is op: nog heden zult gij van hier vertrekken."

"Mijn pak is reeds gemaakt, Baas," antwoordde Kobe met koelheid, "maar vooraleer ik van hier ga, zult gij hooren wat mij op het hart ligt. Gij zult het hooren, al moest ik u naloopen in het veld, op de straat of op uwe kamer. Het is mijn plicht en de eenige dank, dien ik u bewijzen kan. Dat gij mij doorzenden wilt, verwondert mij niet: wie de waarheid zegt, wordt nergens geherbergd."

Baas Gansendonck trappelde van ongeduld met de voeten, doch zeide niets meer; de ernstige en onverschrokken toon zijns knechts verbaasde en beheerschte hem.

"Onze Lisa," ging Kobe voort, "zou met Karel gelukkig geweest zijn; maar gij, Baas, gij hebt den vos bij uwe ganzen gebracht, eenen lichtzinnigen jonker in uw huis gelokt, hem aangespoord om de ooren van uw kind vol ijdelen klap te blazen, haar te spreken van geveinsde liefde en haar dingen voor te zingen, die strijden tegen alle eerbaarheid..."

"Dit is niet waar!" morde de Baas.

"Gij hebt gewild, dat hij in het Fransch tot uwe dochter sprake. Kondt gij dan weten wat hij zeide, daar gij geen woord Fransch verstaat?"

"En gij, lomperik, verstaat gij het wel, dat gij er zoo stout over oordeelen durft?"

"Ik versta er genoeg van, Baas, om te hebben kunnen begrijpen, dat de duivel der wulpschheid en der spotternij in het spel was. Wat is het gevolg uwer onvoorzichtigheid geweest? Wil ik het u zeggen? De eer uwer dochter is geschonden, zoo niet metterdaad, dan toch genoegzaam in de gedachte der lieden, om nimmer in hare volle zuiverheid te kunnen worden hersteld; Karel, de eenige man, die haar oprecht beminde en haar gelukkig maken kon, verkwijnt en teert uit van wanhoop, zijne moeder ligt te bed van verdriet over het lijden van haar eenig kind; gij, Baas, gij wordt gehaat en misprezen door iedereen. Men zegt, dat gij de schuld zult zijn van Karels dood, van uwer dochter schande, van uw eigen ongeluk..."

"Ja, als men den hond gaarne dood zou zien, dan roept men, dat hij razend is; maar zij hebben er niets mede te stellen!" schreeuwde de Baas in gramschap. "Het raakt hun niet; ik doe wat ik wil! En gij, onbeschaamde, gij zult ook weten, waarom gij uwen neus tusschen dingen steekt, die u niet aangaan."

"Het is mij gansch hetzelfde, hoe mijne woorden u bevallen, Baas," antwoordde Kobe, "het zijn toch de laatste, die ik in de St.-Sebastiaan spreken zal."

Het moest zijn, dat Baas Gansendonck, ondanks zijne bedreigingen, oneindig veel van zijnen knecht hield en hem niet gaarne zou hebben zien vertrekken; want telkens dat deze met volle koelheid aankondigde, dat hij voornemens was zijnen dienst te verlaten, viel de gramschap van den Baas neder en leende hij, als met toegevendheid, het oor om den knecht te laten spreken. - Kobe hernam:

"Wat kan er nu van komen? Zou men met het spreekwoord hier moeten zeggen: zoolang gaat de kruik te water, dat zij barst? Neen, de ingeborene kuischheid uwer dochter zal u behoeden voor grootere schande; - maar de baron zal het gezelschap van Lisa moede worden en een ander tijdverdrijf zoeken. Lisa zal blijven zitten en gevlucht worden door al wie het recht meent; de lieden zullen u bespotten en zich verblijden in uwe schaamte..."

"Maar, Kobe, wie kan zich voegen naar elks genoegen? Die aan de straat bouwt, heeft vele berispers. Ik begrijp uwe dwaasheid niet. Of weet gij niet wat er ophanden is? De baron zal met Lisa trouwen. Daar valt niet aan te twijfelen; het is immers zichtbaar genoeg? En dan zullen al de vuiltongen uit het dorp, en gij er bij, staan staroogen gelijk een hoop uilen in de zon. Ja, als ik daar niet zeker van was, zou er al iets op te zeggen vallen; maar dan zou men er zich nog niet mede te bemoeien hebben. Ik ben meester in mijn huis!"

"Zoo! de baron gaat trouwen met Lisa? Dan is alles wel, en gij moogt een schoon pluimken op uwen hoed steken, Baas; maar meenen en missen beginnen met dezelfde letter. Mag ik u eens iets vragen, Baas?"

"Welnu?"

"Heeft de baron u van dit huwelijk gesproken?"

"Dat is niet noodig."

"Ah! Hebt gij hem misschien over zijne inzichten ondervraagd?"

"Dat is ook niet noodig."

"Heeft de baron dan met Lisa er van gesproken?"

"Wat kinderachtigheid is dit nu Kobe? Hij zal zeker Lisa's toestemming vragen, zonder dat hij wete of ik, die alleen meester ben, het huwelijk wil toestaan? Dat gaat z niet!"

"Neen? Maar de baron heeft den spot met u en uwe dochter gedreven, toen de dokter hem op het kerkhof in tegenwoordigheid van wel tien menschen vroeg, of hij waarlijk met Lisa trouwen wilde."

"Wat zegt gij daar? Mijnheer van Bruinkasteel heeft den spot met mij gedreven?"

"Hij heeft aan den dokter gevraagd, of hij meende, dat een baron als hij met de dochter uit eene boerenafspanning trouwen kon; en, toen men hem zeide, dat gij zelf reeds den notaris over de huwelijksvoorwaarden geraadpleegd hebt, riep hij luidop: de dochter is een braaf meisken; maar de vader is een verwaande gek, die reeds lang te Gheel zitten moest."

Dit laatste gezegde deed den Baas van gramschap opspringen, alsof iemand hem onvoorziens op den voet hadde getrapt.

"Wat durft gij zeggen?" schreeuwde hij dreigend, "ik zou te Gheel moeten zitten? Wat gaat u over, of zijt gij gansch van uw verstand, onbeschofte? Het is wel waar: een dolle hond bijt ook zijnen eigen meester."

"Ik herhaal u wat tien menschen beweren te hebben gehoord. Wilt gij het niet gelooven, Baas, het staat u vrij; wat helpen..."

"Ja, zeg het maar: wat helpen kaars en bril, als de uil niet zien wil! Ik weet niet hoe het mogelijk is, dat ik u niet bij de schouders vat en ter deure uitwerp."

"Wat helpt het licht voor hem, die de oogen toenijpt?" ging Kobe voort. "De baron heeft nog in andere omstandigheden met uwe hoop gelachen..."

"Neen, neen, wat gij zeggen wilt, is niet waar; het kan niet waar zijn. Gij geeft geloof aan de lastertaal van nijdige lieden, die barsten van venijn, omdat ik meer geld heb dan zij, en omdat zij wel voorzien, dat Lisa mevrouw zal worden tot spijt van allen, die het haar misgunnen."

"Als de blinde droomt, dat hij ziet, dan ziet hij wat hij gaarne ziet," zuchtte Kobe. "Is er geene zalf aan uwe wonde te strijken, dan kan ik het ook niet verhelpen, en ik zeg met het spreekwoord: ieder kookt het gelijk hij het eten wil: doe uwe goesting en trouw morgen."

"Uitvindsels van vuile nijdigaards, anders niet!"

"De dokter benijdt u niet, Baas; hij is een koel en voorzichtig man, die misschien alleen in het gansche dorp nog uw vriend gebleven is. Hij zelf spoorde mij aan om het gevaar, met of tegen uwen dank, u onder de oogen te brengen."

"Maar de dokter is bedrogen, Kobe; men heeft hem valsche dingen wijsgemaakt. Het kan niet anders zijn, zeg ik u. Dit zou al schoon zijn, dat de baron met Lisa niet zou trouwen!"

"Ongelegde eieren zijn onzekere kiekens, Baas."

"Ik ben er zoo zeker van als van mijn vaders naam."

"Gij zit nog niet in den zadel, en gij rijdt al te paard. Ik zeg u, Baas, dat de baron u bespot, u uitlacht, u uitmaakt voor eenen dwaas; ik zeg u, dat gij blind zijt, dat ik u en Lisa beklaag, en dat ik morgen vroeg van hier wegga, om het droevig einde van het treurspel niet te zien. En zoo gij uwe ooren wilt openzetten, Baas, zal ik voor mijn vaarwel u eenen raad geven, eenen gouden raad."

"Voor uw vaarwel? Dit zullen wij zien! Laat hooren, dien kostelijken raad."

"Zie Baas, wie gaarne gelooft, is gauw bedrogen. Ware ik in uwe plaats, ik zou heden nog willen weten wat er van is; ik zou naar den jachthof gaan en met stoutheid aan mijnheer van Bruinkasteel vragen, hoe hij het met Lisa meent. Schoone woorden en komplimenten in den wind zouden mij niet verleiden; mijne rede zou ik telkenmaal sluiten met de vraag: trouwt gij, of trouwt gij niet? En ik zou hem dwingen met opene kaart te spelen, en mij eens en voor altijd een duidelijk en beslissend antwoord te geven. Indien hij weigert, gelijk het waarschijnlijk is, dan zou ik beletten, dat hij Lisa ooit het woord toesture; ik zou spoedig het hek aan den ouden stijl hangen, mij bij Karel verontschuldigen, hem terugroepen en zijn huwelijk met Lisa verhaasten. - Dit is het eenige middel, dat overblijft om groot kwaad en schande te verhoeden."

"Welaan, zoo mijnheer van Bruinkasteel mij zelf niet spoedig genoeg van zijn huwelijk komt spreken, zal ik stout genoeg zijn om hem er over te ondervragen; - maar het heeft geene haast."

"Geene haast, Baas? Van de hand tot den mond, valt de pap op den grond. Heden moet gij weten wat de baron in de mouw draagt."

"Nu, nu," riep de Baas, "ik zal dezen namiddag naar den jachthof gaan; ik zal den baron eene duidelijke verklaring afvragen; maar ik weet op voorhand wat hij antwoorden gaat."

"Ik wenschte, dat gij de waarheid zeggen kondet, Baas; maar ik vrees, dat gij eenen duivel voor uw nieuwjaar zult krijgen."

"Wat? Dat ik de waarheid zeggen kon!"

"Of dat gij de waarheid voor dezen keer maar zeidet."

"De wereld loopt verkeerd," zuchtte de Baas met pijnlijk ongeduld, "de knecht houdt den meester voor den zot... en ik moet het verkroppen! Speel met den ezel, hij zal u met den staart voor het aangezicht slaan. Maar wacht maar, ik zal haast gewroken zijn; nog dezen namiddag ga ik naar den jachthof... En wat zult gij dan zeggen, onbeschaamde, als ik terug kom met de verklaring, dat de baron met Lisa trouwen wil?"

"Dat gij alleen verstand hebt, Baas, en dat al de anderen, ik er onder begrepen, groote dommerikken zijn. Maar wat zult gij zeggen, Baas, zoo mijnheer van Bruinkasteel u bespot?"

"Dit kan niet zijn, zeg ik u!"

"Ja, als het nu zoo eens was?"

"Als? Als? Als de hemel valt, zijn wij altemaal dood!"

"Ik herhaal mijne vraag, Baas; zoo de baron u met spot afwijst?"

"Ah, baron of geen baron, ik zou laten zien wie ik ben, en..."

Een akelige noodkreet, een grievende angstschreeuw deed het woord hem in zijnen mond versterven.

Met ontsteltenis en schrik sprongen beiden recht en liepen naar de kamer, waar Lisa zich bevond.

De maagd stond achter het venster en blikte op de straat. Wat zij zag, moest vreeselijk zijn, want haar mond verkrampte om de geslotene tanden; de opgespalkte oogen schenen haar uit het hoofd te komen, en hare gespannen leden sidderden ijselijk. Nauwelijks was Baas Gansendonck ten halve der kamer geraakt, of een nieuwe schreeuw vloog snijdend door de kamer; Lisa hief de twee handen ten hemel en viel loodzwaar achterover op den vloer.

De Baas knielde kermend bij haar neder.

Kobe liep tot het venster en wierp eenen blik over de schermen. Hij verbleekte en beefde insgelijks; tranen ontsprongen zijnen oogen, en zoozeer verstomde hem hetgeen hij zag, dat hij geene acht sloeg op de hulpkreten zijns meesters.

Daarbuiten, voor de deur, ging Karel, met de handen op den rug gebonden, tusschen twee gendarmes over de baan naar de stad; eene oude vrouw huppelde huilend achter hem en zaaide gloeiende tranen in de voetstappen van haar ongelukkig kind. Sus, de smid, trok zich de haren uit en raasde van toorn en droefheid. Een aantal boeren en boerinnen stapten met hangend hoofd en treurig gelaat achteraan. Menig voorschoot ging op en neer om eenen traan des medelijdens af te drogen. - Men zou gezegd hebben, dat een lijkstoet hier voorbijtrok, om een dierbaren doode naar het graf te vergezellen.


IX.

Als een ezel het te wel krijgt, gaat hij op het ijs dansen en breekt zijn been.

Nauwelijks had Baas Gansendonck het middagmaal genoten, of hij begaf zich volgens den raad zijns knechts, op weg om den baron over zijne inzichten te gaan ondervragen. De smidse niet voorbij willende, stapte hij de achterdeur zijner woning uit en sloeg een binnenpad in, dat hem, dwars door mastbosschen en eenzame velden, naar den jachthof van mijnheer van Bruinkasteel brengen zou.

Het gelaat van Baas Gansendonck getuigde niet van droefheid, alhoewel zijne dochter sedert dien morgen met eene hevige zenuwkoorts te bed lag; integendeel, er blonk eene zekere tevredenheid op, en soms lachte hij zoo helder en zoo zegepralend, alsof hij zich om eene behaalde overwinning hadde verheugd. Aan de beweegbaarheid zijner wezenstrekken en aan de afwisselende uitdrukkingen, welke er op verschenen, kon men zien, dat hij algaande van aangename dingen droomde en zich onachtzaam op den stroom der hoop en der begoocheling vlotten liet. Eenigen tijd reeds had hij in zich zelven gemopperd, en door gebaren alleen de bezigheid zijns geestes verraden; allengskens echter rukten de schoone bespiegelingen hem zooverre weg, dat zijne stem zich meer en meer verhief, en hij welhaast luidop zeide:

"Ah, zij spannen altemaal samen tegen mij, en zij meenen, dat ik eenen voet zal achteruitgaan voor hun lomp geschreeuw? Baas Gansendonck zal laten zien, wie hij is en wat hij kan! Een ander zou zeggen: het is beter vrienden dan vijanden te hebben; maar ik zeg: het is beter benijd dan beklaagd, en menig mans vriend is allemans gek... De baron zou met Lisa niet trouwen? - En hij heeft vandaag al tweemaal zijnen knecht gezonden, om naar hare gezondheid te doen vernemen! Als ik het mij fijn overpeins, valt er niet aan te twijfelen. Heeft hij mij zelf niet gezegd, dat Lisa veel te goed en te geleerd is om de vrouw van eenen groven brouwer te worden? Heeft hij er niet bijgevoegd; zij zal een beter huwelijk doen en iemand gelukkig maken, die in staat is om haar te begrijpen? Mij dunkt, het is klaar genoeg. Of denken die onbeschaafde boeren, dat een baron te werk gaat gelijk zij, en zoo maar vlak af zegt: Trien, willen wij samen trouwen? Neen, het gaat er z niet! Ah, mijnheer van Bruinkasteel zou het huwelijk met Lisa weigeren? Ik wed voor vijf bunders land, dat hij mij om den hals vliegt, zoohaast ik hem er van begin te spreken. Mijnheer van Bruinkasteel zou met Lisa niet trouwen? Niet trouwen? Alsof ik niet bemerkt had, waarom hij mij altijd zoo den vriend hield en de mouw veegde, dat iedereen het zien kon? Het was mijnheer Gansendonck langs hier, vriend Gansendonck langs daar; hazen, die hij zond, patrijzen, die hij bracht. En Lisa eet geen wild... dus, mij wenschte hij te believen. Waarom? Het was zeker niet om mijne schoone oogen. Neen, neen, hij maakte zijn pad zuiver tegen dat hij den grooten stap zou wagen. Ik zal hem de zaak vergemakkelijken; hij zal er niet weinig blij om zijn..."

Baas Ganzendonck wreef zich met vroolijke zelftevredenheid de handen, en zweeg eene wijle tijds, gewis om beter de zoetigheid zijner verleidende overtuiging te smaken. Wat verder schoot hij eensklaps in eenen lach en zeide:

"Ah, ah, mij dunkt, ik zie ze daar altemaal in het dorp staan met neuzen, zoolang als mijne gaffel! Daar gaat de baron met Lisa aan zijnen arm; zij zijn gekleed, dat de boeren hunne oogen moeten toenijpen voor den glans: vier knechts met goud en zilver aan den hoed volgen hen; de koets met vier paarden komt achteraan; ik, Peer Gansendonck, ga nevens mijnheer van Bruinkasteel, en ik steek den kop omhoog, en ik bezie de vuiltongen en de nijdigaards, gelijk de schoonvader van eenen baron het lomp boerengespuis mag en moet bezien. Wij gaan naar de kerk; daar liggen tapijten en kussens; daar worden bloemen gestrooid; het orgel speelt, dat de ruiten beven; het jawoord wordt voor het autaar gesproken... en Lisa rijdt met haren man in post door het dorp, dat het vuur uit de steenen springt, recht naar Parijs... 's Anderen daags liggen er wel twintig boeren te bed van spijt en nijd. - Ondertusschen verkoop of verhuur ik de St.-Sebastiaan, en als mijn schoonzoon met mijne dochter terugkeert, trek ik met hen op een groot kasteel! Baas Gansendonck, dat is te zeggen mijnheer Gansendonck, heeft zijne schaapkens op het droge gebracht; hij doet niets meer dan gebieden, eten, jagen, spelerijden... Maar bij het overpeinzen van al die schoone dingen loop ik bijna met mijnen neus op de poort van den jachthof!"

Dit zeggende, trok de Baas aan de bel.

Na een oogenblik wachtens opende een knecht de poort en zeide:

"Ah, dag Baas! Gij komt zeker om mijnheer den baron te bezoeken?"

"Inderdaad, kerel," antwoordde de Baas met stuursch gelaat.

"Hij is niet te huis."

"Hoe, hij is niet te huis?"

"Het is te zeggen, hij is niet spreekbaar."

"Niet spreekbaar voor mij? Dit zou schoon zijn! Hij ligt misschien te bed?"

"Neen, maar hij wil niemand ontvangen. Gij kunt denken waarom: een blauw oog en het gezicht vol krabben..."

"Dat doet er niets toe. Hij moet zijn aangezicht voor mij niet verbergen: ik ben gemeenzaam genoeg met mijnheer den baron om hem te mogen spreken, al lage hij te bed... En ik ga maar binnen: zijn verbod is niet voor mij."

"Kom aan dan," sprak de knecht met eenen slimmen glimlach, "volg mij, ik zal uw bezoek aankondigen."

"Het is niet noodig," mompelde de Baas, "die komplimenten zijn tusschen ons overbodig."

Maar de knecht leidde hem in eene kleine voorkamer en dwong hem, ondanks zijne tegenwerpingen, in eenen stoel te zitten om op het antwoord des barons te wachten.

Reeds was er bijna een half uur verloopen, en nog was de knecht niet terug. De Baas begon zich schrikkelijk te verdrieten en morde in zich zelven:

"Die knecht meende mij ook al voor den zot te houden. Het is goed, ik zal het op mijn boeksken schrijven. Hij zal in onzen dienst geen grijs haar krijgen. Weg moet hij! Dat zal hem leeren!... Maar ik luister mij doof, en ik hoor geenen stroohalm verroeren op den jachthof. Zou de knecht vergeten hebben, dat hij mij hier deed wachten? Zooverre zal hij de onbeschoftheid toch niet durven drijven. In alle geval, ik kan hier niet blijven zitten tot morgen. Kom, ik ga eens zien. Ah, daar hoor ik den schelm. Hij lacht! Men wien zou hij lachen?"

"Baas Gansendonck," sprak de knecht, "gelief mij te volgen: mijnheer de baron heeft de goedheid u te ontvangen; maar het heeft moeite gekost! Zonder mijne voorspraak gingt gij naar huis gelijk gij gekomen zijt."

"Eh, eh, wat raast gij altemaal, onbeleefderik?" riep de Baas in gramschap. "Weet gij tot wien gij spreekt: ik ben mijnheer Gansendonck!"

"En ik ben Jaek Miermans, om u te dienen," antwoordde de knecht met kluchtige koelheid.

"Ik zal u vinden, kerel," zeide de Baas, de trappen opstijgende, "gij zult weten, waarom gij mij een geheel half uur in dat kamerken te blinken hebt gezet. Maak uw pak gereed; gij zult hier niet lang meer met mannen als ik den spot drijven."

De knecht, zonder nog op deze bedreiging te antwoorden, opende de deur eener zaal en riep met luider stemme:

"De Baas uit de St.-Sebastiaan!" waarna hij den verstoorden Gansendonck liet staan en even ras de trappen afging.

Mijnheer van Bruinkasteel zat in het diepe der zaal, met den elleboog op eene tafel leunende. Zijn linkeroog was onder eenen windel verborgen; zijn voorhoofd en wangen droegen de teekenen zijner worsteling tegen den brouwer.

Wat echter de aandacht van Baas Gansendonck bij de intrede veel meer opwekte, was de prachtige Turksche kamerrok des barons. Dit hooggekleurd en veelvervig kleed deed den Baas schemeroogen, en met eenen lach van verwondering was het, dat hij uitriep, zelfs vooraleer den baron gegroet te hebben:

"Heilige deugd, mijnheer de baron, wat schoonen slaaprok hebt gij daar aan!"

"Goeden dag, mijnheer Gansendonck," sprak de baron, zonder acht op de uitroeping te slaan, "gij komt gewis vernemen hoe het mij gaat? Wees bedankt voor uwe vriendschap."

"Neem het niet kwalijk, mijnheer de baron, maar vrdat ik naar uwe gezondheid vrage, zou ik gaarne weten, waar gij dien nachtrok hebt laten maken. Hij steekt mij waarlijk de oogen uit."

"Doe mij niet lachen, mijnheer Gansendonck; het veroorzaakt mij pijn aan de wangen."

"Het is niet om te lachen; neen, neen, het is gemeend."

"Uwe vraag is zonderling; deze kamerrok is te Parijs gekocht."

"Te Parijs? Het spijt mij, baron."

"Waarom toch?"

"Ik hadde mij gaarne ook zulk eenen laten maken."

"Hij kost bij de tweehonderd franken."

"Ah, daar moet ik niet op zien."

"Hij zou u niet staan, mijnheer Gansendonck."

"Niet staan? Als ik hem kan betalen, dan moet hij mij wel staan! - Maar dit daargelaten. Hoe gaat het nu eigenlijk met uwe gezondheid, mijnheer van Bruinkasteel?"

"Gij ziet het: een blauw oog en het lijf vol kneuzingen."

"De schelm is toch van de gendarmes weggehaald en naar de stad gevoerd? Gij zult hem zeker zijne onbeschofte barschheid doen bekoopen gelijk het betaamt?"

"Zeker, hij moet gestraft worden; hij heeft mij op mijn eigen goed met voorbedachtheid afgewacht en mij aangevallen. Het Gerecht loopt hoog met zulke feiten. Maar ik zou niet gaarne zien, dat men de zaak naar de letter der wet opname; want dan kreeg hij zeker wel voor vijf jaren. Zijne oude moeder is dezen morgen mij komen bidden en smeeken; ik heb medelijden met de arme vrouw..."

"Medelijden!" riep de Baas met gramme verwondering, "medelijden met die schurken!"

"Is de zoon een woestaard, welke schuld heeft de ongelukkige moeder daaraan?"

"Dan moest zij haren zoon maar anders voorgeleerd hebben. Dat barsch gespuis zal niet meer hebben dan het verdient. En wat zouden de boeren wel gaan denken, als zij met menschen gelijk wij zoo maar mochten handelen, alsof wij hunne gelijken waren? Neen, neen, het ontzag, de eerbied, de onderdanigheid moeten onderhouden worden; zij steken nu alreeds veel te veel hunne horens omhoog. Ware ik in uwe plaats, ik zou op geen geld zien om den brouwer, en met hem het gansche dorp, eene zure les te geven."

"Nu, dit is mijne zaak."

"Zeker, ik weet het wel, baron; ieder is meester in hetgeen hem aangaat."

Het scheen, dat de wending dezer samenspraak den baron mishaagde; want hij keerde het gezicht af en bleef een oogenblik zonder spreken zitten. De Baas, die insgelijks niet wist wat te zeggen, zag met verstrooidheid de kamer rond en poogde iets uit te vinden om over het huwelijk zijner dochter te beginnen. Hij verroerde de voeten en kuchte eenige malen, doch zijn verstand bleef hem wederspannig.

"En ons arm Liesken?" vroeg de baron eindelijk, "het aanschouwen der wegvoering van den brouwer moet haar schrikkelijk ontsteld hebben? Ik begrijp het; zij bemint hem sedert hare kindsheid."

De Baas scheen uit den slaap op te schieten, zoohaast de naam van Lisa uit den mond des barons in zijne ooren klonk. Daardoor, dacht hij, werd hem de weg schoongemaakt om tot zijn inzicht te komen; glimlachend antwoordde hij:

"Zij bemint hem, meent gij, baron? Neen, neen. Het was eertijds eene kalverliefde, gelijk men zegt; maar dit is lang gedaan. Ik heb er eenen stok voorgestoken en den brouwer aan de deur gezet. Denk eens, baron, dat grof biervat zou gaarne mijne Lisa getrouwd hebben?"

"Er zijn er nog anderen, Baas, die zulke goesting zouden kunnen hebben."

Eene vonk van blijdschap glom in het oog van den Baas; hij sprong op in zijnen leunstoel en sprak met eenen slimdommen lach:

"Ah, ah, ik weet het al lang; een verstandig man raadt gemakkelijk waar de koe ligt, zoohaast hij haren staart maar ziet."

"De vergelijking is aardig."

"Niet waar? Wij zijn ook van zessen klaar, baron. Maar laat ons het kalf bij den kop vatten: omwegen zijn er immers tusschen ons niet meer noodig?"

De baron zag den Baas met eenen bedwongen lach aan.

"Alzoo denkt mijnheer de baron ernstig aan het huwelijk?" vroeg Gansendonck zegepralend.

"Hoe weet gij dit? Ik heb het zelfs voor mijne vrienden verborgen gehouden."

"Ik weet alles, baron; er steekt meer in mijnen koker dan gij meent."

"Inderdaad, gij moet een waarzegger zijn, of gij raadt er naar. Gij slaat evenwel den nagel op den kop."

"Dan zullen wij het overige maar kort maken," sprak de Baas, zich de handen wrijvende. "Komaan, zie, ik doe eene opoffering: ik geef mijne Lisa dertigduizend franken tot bruidsschat, in geld en liggend goed. En als ik sterf, krijgt zij er nog dertigduizend. Wij zullen de afspanning verkoopen, om geene gemeenschap met die lompe boeren meer te hebben... en ik zal bij u op uw kasteel komen wonen. Zoo krijgt ge toch de zestigduizend franken van den eersten dag reeds."

Hij stond met deze woorden van den stoel op, bood zijne hand den baron en riep:

"Gij ziet, dat ik niet vele moeielijkheden maak. Nu, mijnheer van Bruinkasteel, sla toe op dit huwelijk... Waarom trekt hij uwe hand terug?"

"Op dit huwelijk? Op welk huwelijk?" vroeg de baron.

"Kom, kom, druk de hand van uwen schoonvader, en binnen veertien dagen valt gij met mijne dochter van den predikstoel! Wees niet beschaamd, baron; wij zijn immers geene kinderen meer. De hand, de hand!"

De baron schoot uit in eenen langen lach; - op het gelaat van Baas Gansendonck schetsten zich verbaasdheid en angst.

"Waarom lacht gij, mijnheer van Bruinkasteel?" vroeg hij bedeesd; "is het misschien van blijdschap?"

"Sa, mijnheer Gansendonck," riep de baron, zoohaast hij den schaterlach meester werd, "zijt gij van uwe zinnen, of wat gaat u over?"

"Hebt gij zelf niet gezegd dat gij gaat trouwen?"

"Zeker, met eene jonkvrouw van Parijs. Zij is zoo schoon niet als uwe Lisa: maar zij is gravin en draagt een overouden en befaamden naam."

Eene siddering schokte den Baas van top tot teen; met smeekend gelaat sprak hij:

"Mijnheer de Baron, allen spot ter zijde, als het u belieft. Het is immers met mijne Lisa, dat gij trouwen wilt? Dat gij gaarne lacht, weet ik; en ik heb er niets tegen, als het u vermaak kan doen; - maar denk er eens goed aan, baron. Meiskens gelijk onze Lisa loopen er toch zoo dik niet: schoon als een bloemken in het veld, geleerd, beleefd, van eerlijke afkomste, dertigduizend franken op de hand en nog zooveel te verwachten! Het is geene zaak om mede te lachen; en ik weet niet, of eene gravin wel altijd zoovele voordeelen aanbiedt. Eene goede gelegenheid vliegt met de ooievaars over zee, en God weet wanneer zij wederkeert."

"Arme Gansendonck," zeide de baron, "ik beklaag u: gij hebt waarlijk uwe vijf zinnen niet; er is iets losgeschoten in uwe hersens!"

"Wat? wat?" riep de Baas met verstoordheid, "maar ik zal mij inhouden; het is misschien maar om te lachen. Er moet evenwel een einde aan ons misverstaan komen. Ik vraag u, mijnheer van Bruinkasteel, wilt gij met mijne dochter trouwen, of wilt gij het niet? Ik verzoek u, mij een klaar en kort antwoord te geven."

"Het is mij zooveel mogelijk met Lisa te trouwen, Baas, als dat gij een huwelijk met de morgenstar zoudt aangaan!"

"En waarom dit?" riep de Baas in gramschap, "of zijt gij misschien te grootsch voor ons? De Gansendoncks zijn eerlijke lieden, mijnheer, en zij hebben menig schoon stuk land onder den blauwen hemel liggen! Zeg het maar kortaf; trouwt gij met mijne dochter, of niet?"

"Uwe vraag is belachelijk; dan, ik wil er wel op antwoorden. Neen, ik trouw niet met Lisa, noch heden, noch morgen, noch ooit! En laat mij nu met vrede over uwen gekken waan."

Van woede bevend en rood als een haan van schaamte en spijt, stampte de Baas met den voet op het tapijt en riep:

"Ah, mijne vraag is belachelijk, ik ben een gek; gij wilt met Lisa niet trouwen? Dat zullen wij zien! Het recht is voor iedereen, zoowel voor mij als voor eenen baron. Al moest ik er de helft van mijn goed aan verspelen, ik zal u wel weten te dwingen. Wat, gij zult met schijnheilige treken in mijn huis dringen, mijne dochter eenen hoop valschheden wijsmaken, haren goeden naam in gevaar brengen, mij voor den zot houden?... en dan durven zeggen, ik begeer haar niet, ik ga trouwen met eene gravin? Dat gaat z niet, baron! Met Baas Gansendonck is zoo licht niet om te springen. Na hetgeen er gisteren is voorgevallen, kunt gij niet meer weigeren; gij moet de eer mijner dochter herstellen, of ik doe u voor het Tribunaal verschijnen, en ik zal u vervolgen tot Brussel toe. Trouwen zult gij! En zoo gij van nu af uw jawoord niet geeft, verbied ik u, nog eenen voet over mijnen dorpel te zetten!"

Gedurende dezen aanval had de baron met eenen stillen lach van medelijden en met groote koelheid den Baas aangezien; slechts bij het einde der bedreigingen kwam eene roode kleur op zijn aangezicht getuigen, dat de verontwaardiging of de toorn hem poogde te ontroeren.

"Mijnheer Gansendonck," sprak hij, "om mij zelven te eerbiedigen, zou ik aan deze belkoord moeten trekken en u door mijne knechts den Hof moeten doen uitleiden; maar ik heb waarlijk medelijden met uwe zinneloosheid. Zoo gij wilt, zal ik eens en voor altijd, klaar en duidelijk antwoorden op al hetgeen gij gezegd hebt en nog zoudt kunnen zeggen. Er ligt in het gebeurde eene les voor u en voor mij. Wij zouden beiden wel doen met ons nut er uit te trekken."

"Ik wil weten," riep de Baas, "of gij met Lisa trouwen zult, of niet!"

"Hebt gij geene ooren, dat gij mij zoo dikwijls hetzelfde vraagt? Luister, mijnheer Gansendonck, op hetgeen ik zeggen ga, en onderbreek mij niet, of mijne knechts zullen een einde aan onze belachelijke samenspraak komen stellen."

"Ik luister, ik luister," morde de Baas, op de tanden bijtend, "al moest ik er in versmachten, ik zal zwijgen, zoo ik daarna mijne beurt maar krijg."

"Gij verwijt mij, dat ik in uw huis mij ingedrongen heb," ving de baron aan, "nochtans weet gij zelf wel, dat gij mij er naartoe loktet en mij aanspoordet om met uwe dochter kennis te maken. Wat heb ik ten uwent dan gedaan, dat zonder uwe toestemming geschiedde? Niets. Integendeel, gij vondt altijd, dat ik niet gemeenzaam genoeg met uwe dochter was. Nu komt gij beweren, dat ik met haar trouwen moet. Het was aldus een strik, dien gij mij spandet, en gij loktet mij aan met verborgen inzichten! Oordeel zelf, of ik zulke middelen en zulke verwaande ontwerpen moet verfoeien, of niet. Ik kwam bij Lisa, omdat haar gezelschap mij aangenaam was, en omdat een echt gevoel van vriendschap mij tot haar toog. Heeft deze omgang, waardoor ik u meende te vereeren, een droef gevolg voor ons allen opgeleverd, het spruit alleenlijk daaruit voort, dat wij het spreekwoord blijf bij uwe gelijken niet in acht genomen hebben. Wij hebben beiden onverstandig gehandeld, en beiden zijn wij gestraft. Ik ben, tot mijne groote schaamte, bijna door eenen boer verpletterd; gij zijt het gansche dorp tot spot geworden, en ziet in eens al de kasteelen instorten, die gij in de lucht had gebouwd. Het is beter onder de galg gebiecht, dan nooit. Ik beken, dat ik kwalijk heb gedaan met in eene boerenherberg gemeenzaam te gaan, te komen en te handelen, alsof ik de gelijke uwer dochter ware, en nu gevoel ik, dat, indien Lisa niet uit de natuur zeer zedig ware geweest, mijne woorden en manieren hare schoone inborst zouden bedorven hebben."

"Wat durft gij te zeggen?" riep de Baas uitbarstend, "hebt gij tot mijne dochter oneerlijk gesproken, verleider dat gij zijt!"

"Ik lach met uwe dwaasheid," ging de baron voort, "en wil nog voor een oogenblik vergeten, wie het is die mij dus aanspreken durft...Ik heb tot uwe dochter niets gezegd dan hetgene men in de hoogere wereld voor dagelijksche komplimenten aanziet; dingen, die de Fransche taal eigen zijn en misschien weinig schaden aan personen, die van jongs af niets anders hooren, maar die in de nederige standen het hart en de zeden bederven, omdat men ze voor waarheid neemt, en zij dus de driften ontsteken, alsof zij geene ijdele komplimenten waren. Daarin heb ik gedwaald; het is de eenige misdaad of misgreep, dien iedereen mij verwijten mag, behalve gij, die mij meer deedt doen en zeggen dan ik zelf wilde. Gij hebt mij daar straks gedreigd, dat gij mij uw huis zoudt verbieden? Het is niet noodig: reeds had ik besloten mij de ontvangene les ten nutte te maken, en niet alleen ten uwent niet meer als vriend te gaan, maar zelfs bij geene andere boerenmenschen mij anders te houden dan mijnen staat betaamt."

"Boerenmenschen?" riep de Baas met ongeduld. "Ik ben geen boerenmensch! Ik heet Gansendonck. Wat gelijkenis vindt gij tusschen mij en eenen boer, zeg!"

"Ongelukkiglijk voor u, inderdaad niet veel," antwoordde de baron. "Uwe hoovaardigheid heeft u verleid; nu zijt gij visch noch vleesch, boer noch heer. In geheel uw leven zult gij niets ontmoeten dan vijandelijkheid en spot van den eenen kant, misprijzen en medelijden van den anderen. Gij moest beschaamd zijn, dat gij zoo onbezonnen uwen eigen staat veracht. Een boer is op deze aarde het nuttigste mensch; en, is hij daarenboven eerlijk en goed van harte, vervult hij zijne plichten, zoo verdient hij boven alle anderen geacht en bemind te worden. Maar weet gij wie de boeren veeltijds bespottelijk maken? Het zijn mannen, die, gelijk gij, meenen, dat men zich verheft met zijne broederen te misprijzen; die meenen, dat men geen boer meer is, zoohaast men van de boeren met kleinachting spreek, en dat het voldoende is zich eenige arendsvederen op het lijf te hangen, om een arend te zijn."

"Heb ik nu lang genoeg geluisterd?" riep de Baas opspringende, "of denkt gij, mijnheer de baron, dat ik gekomen ben, om mij zoo maar door de modder te laten sleepen zonder spreken?"

"Nog n woord," voegde de baron bij zijne eerste rede. "Wil ik u eenen goeden raad geven, mijnheer Gansendonck? Schrijf op de deur uwer slaapkamer het woord: Schoenmaker, blijf bij uwe leest; kleed u gelijk de andere boeren, spreek en handel gelijk de menschen van uwen staat, zoek voor uwe dochter eenen braven landbouwerszoon tot man, rook uwe pijp en drink uw glas bier met de lieden uit het dorp, en doe geen geweld meer om te schijnen wat gij niet zijt. Denk, dat, als een ezel een leeuwenvel draagt, zijne ooren er toch blijven uitsteken; en dat men altijd aan uwe vederen en zang genoegzaam zal merken, dat uwe moeder geen eendvogel was. - En ga in vrede met deze les van hier; gij zult mij later er voor bedanken! Vermeent gij evenwel nog iets te moeten zeggen, spreek, ik zal u op mijne beurt aanhooren."

De Baas sprong weder uit zijnen stoel, kruiste de armen met woede op de borst en riep:

"Ah, gij denkt mij met uwe gemaakte koelheid en met apensprongen te bedriegen! Neen, neen, z zal het niet vergaan; wij zullen eens zien, of er geen recht bestaat om u te dwingen, mijnheer de baron! Naar uwen vader in de stad zal ik gaan en hem uitleggen, hoe gij de eer van mijn huis geschonden hebt. En, al moest ik naar Parijs doen schrijven aan de gravin, van welke gij uit vrees mij den naam verzwijgt, ik zal het doen, - uw huwelijk beletten en aan geheel de wereld doen weten, wat valsche bedrieger gij zijt!"

"Is dit nu alles wat gij te zeggen hadt?" vroeg de baron met teruggehouden toorn.

"Trouwt gij met Lisa, of niet?" schreeuwde de Baas, met vuisten dreigend.

De baron stak de hand uit en rukte tweemaal met geweld aan de belkoord. Men hoorde even spoedig de haastige stappen van toeloopende mannen op de trap. Baas Gansendonck sidderde van spijt en schaamte. De deur ging open; drie knechts verschenen in de zaal.

"Mijnheer de baron heeft gebeld?" vroegen allen te gelijk met verbaasdheid.

"Geleidt mijnheer Gansendonck tot aan de poort van den Hof!" gebood de baron, zoo koel als het hem mogelijk was.

"Wat? Gij zult mij de deur doen uitzetten!" schreeuwde de Baas met verkropte woede. "Gij zult het mij betalen dwingeland, bedrieger, verleider!..."

Met de hand een teeken tot de knechts doende, richtte de baron zich op en verliet de zaal langs eene zijdeur.

Baas Gansendonck stond als van den donder geslagen en wist niet, of hij schelden of weenen zou. De knechts duwden hem intusschen beleefdelijk doch onweerstaanbaar tot bij de deur, zonder op zijne uitroepingen acht te slaan.

Vrdat de Baas eerst goed wist wat er omging, stond hij in het veld en zag de poort van den jachthof achter zich sluiten.

Hij ging eene wijl recht vooruit gelijk een blinde, die niet weet waar hij zich bevindt, totdat hij met het hoofd tegen eenen boom liep en door den stoot scheen te ontwaken. Dan stapte hij met haast verder in de baan, en bulderde in hoonende bewoordingen tegen den baron, om zijne droefheid en zijne spijt lucht te geven.

Achter den hoek van een schaarbosch bleef hij peinzend staan. Na een half vierendeel uurs in de pijnlijkste overwegingen weggezonken te zijn gebleven, begon hij zich zelven met vuisten te slaan en met de platte hand op het hoofd te kletsen, terwijl hij tusschen elken slag zich zelven toeriep:

"Ezel, durft gij nog naar huis gaan, uil, dat gij zijt? Gij moest gegeseld worden, dwaze lomperik! Dat zal u leeren baronnen en mijnheeren! Doe nu nog een wit gilet en gele handschoenen aan; het was beter, dat ze u eene zotskap opzetten! Onnoozel en dom genoeg om op eenen windmolen te verdrinken! - Verberg u, zink door den grond van schaamte, lompe boer, lompe boer!..."

Eindelijk, nadat hij zijne gramschap op zich zelven had uitgeput, schoten hem de tranen in de oogen; weenend en zuchtend, vol schaamte en droefheid, sukkelde hij naar zijne woning voort.

Eensklaps zag hij zijnen knecht van verre in de baan tot hem komen geloopen, onder het uitgalmen van onverstaanbare kreten der haast.

"Baas, Baas, och, kom gauw!" riep Kobe, zoodra hij zijnen meester genaderd was. "Onze arme Lisa ligt in eene doodelijke stuip!"

"God, God!" zuchtte Baas Gansendonck, "alles valt mij te gelijk op het hoofd! En iedereen verlaat mij. Gij ook, Kobe?"

"Het is vergeten, Baas," sprak de knecht met zoet medelijden, "gij zijt ongelukkig: ik blijf bij u, zoolang ik u tot iets goed kan zijn... maar kom aan, kom aan!"

Beiden haastten zich met versnelde stappen en onder droef misbaar naar het dorp.


X.

Het kind des hoogmoeds heet schaamte.

De winter is voorbij. Reeds beginnen boomen en kruiden hun teeder groen onder het milde zonnelicht te ontplooien: de vogelen bouwen hunne nesten en zingen de zoete Meiliederen; alles prijkt met jeugdige kracht, alles lacht de toekomst tegen, alsof nimmer eene grauwe wolk den schoonen blauwen hemel nog verduisteren zou.

In de nevenkamer van de St.-Sebastiaan rust eene kranke maagd met het hoofd op een kussen. Arme Liesken, een wreede worm verknaagt haar leven! - Daar zit zij roerloos en toch van vermoeidheid hijgende; de minste beweging is haar een pijnlijke arbeid. Bleek en doorschijnend als glas is haar gelaat; maar op elke harer uitgeteerde wangen gloeit eene roosvervige vlek... Teekens, die ijzen doen! Akelig droomend ontbladert zij met hare magere vingers eenige madelieven, die haar, als aan een kind, tot troost zijn gebracht. Zij laat de gekrenkte bloemen op den vloer vallen; haar hoofd zinkt krachteloos neder op het kussen, haar verglaasde blik stijgt hemelwaarts in het oneindige... haar ziel meet reeds de baan der eeuwigheid!

Een weinig achter de maagd, ter zijde naar het venster, zat Baas Gansendonck met de amen op de borst gevouwen. Zijn hoofd hing diep voorover; zijne halfgeslotene oogen waren ten gronde gericht. Alles op zijne wezenstrekken en in zijne houding sprak van bitter lijden, van wroeging en van schaamte.

Welke waren de gedachten des ongelukkigen vaders, die aldus zijn eenig kind als eene martelaresse verkwijnen zag? Beschuldigde hij zich zelven? Erkende hij, dat zijn hoogmoed de beul was, die het onnoozel slachtoffer op de pijnbank had gelegd?

Wat er van zij, hem ook moest eene slange om het hart gekronkeld liggen; want zijn gelaat was met diepe rimpelen der pijn doorploegd, en zijne verslenste wangen, zijne trage bewegingen getuigden genoeg, dat de laatste sprankels van zelfvertrouwen, van moed en van hoop in zijnen boezem waren uitgedoofd.

De minste zucht zijner kranke dochter deed hem ijzen; haar pijnlijk hoesten verscheurde zijne borst; en wanneer zij haren lijdenden blik op hem richtte, dan beefde hij, alsof in hare weifelende oogen voor hem het schrikkelijk woord kindermoorder te lezen stond. - En nochtans, nu het liefdegevoel in zijn hart zuiver en gloeiend uit de banden des hoogmoeds was opgestaan, zou hij den bittersten dood met vreugde aanvaard hebben, om het leven zijns kinds slechts een enkel jaar te mogen verlengen.

Arme Gansendonck, hem had alles toegelachen op de wereld. Zulke hemelschoone droomen van geluk en van grootschheid hadden hem zijn gansche leven gevleid en gewiegeld! Nu zat hij dr als eene stomme schim bij zijn wegstervend kind, - benauwd en bevend gelijk een misdadige op de bank der schande.

Had het gedurig knagen des gewetens, het eeuwig denken zijn lichaam verouderd, het had evenwel ook de duisternis des hoogmoeds en der verwaandheid voor zijnen geest opgeklaard en zijn gemoed zeer vermilderd. Nu was zijne kleeding nederig, zijn woord goedhartig, zijne houding vol ootmoed. Lijdzaam onder zijn akelig lot bukkend, had hij nu voor nig doel van zijn leven de verzachting van de smarten zijner dochter gekozen, voor nig streven het bekomen van Karels verlossing.

Reeds zat Baas Gansendonck bijna sedert een half uur in dezelfde houding; hij hield zijnen adem op en verroerde zich niet, uit vreeze van de rust zijner dochter te storen.

Eindelijk hief Lisa met eenen pijnlijken zucht het hoofd op, als lage het kussen haar niet gemakkelijk. Baas Gansendonck naderde haar en zeide met diep medegevoel:

"Lisa lief, het verdriet u zoo, hier altijd alleen in deze kamer te zitten, niet waar? Zie, de zonne schijnt zoo helder daar buiten; de lucht is zoo malsch en frisch! Ik heb eenen stoel en twee kussens in den achterhoef gezet. Wil ik u in den zonneschijn leiden? De dokter heeft gezegd, dat het u goed zal doen."

"Ach, neen, laat mij hier zitten," zuchtte het meisje. "Het kussen is zoo hard."

"De eeuwige stilte dezer kamer is pijnlijk, Lisa; uw hart heeft verkwikking noodig."

"De eeuwige stilte?" herhaalde de maagd peinzend. "Wat moet het stil en zoet zijn in het graf!"

"Laat die bittere gedachten, Lisa. Kom, wil ik u helpen? Niemand zal u zien; ik zal het hek van den hof sluiten; achter de schoone beukenlaan zult gij zitten, gij zult zien, hoe jeugdig de bloemen staan te groeien; gij zult hooren, hoe liefelijk de vogelen zingen. Doe het voor mij, Lisa."

"Welaan, vader," antwoordde het meisje, "om u te believen, zal ik beproeven, of ik nog zooverre kan gaan."

Met de beide handen op de tafel leunend, richtte zij zich langzaam op. Tranen borsten overvloedig uit de oogen des vaders, toen hij zag, hoe Lisa op hare beenen waggelde en hoe al hare leden zwoegend beefden, als gingen zij bezwijken onder den last van haar tenger lichaam. Hij vatte haar sprakeloos onder den arm en droeg haar veeleer dan hij haar ondersteunde. Zoo stapten beiden voet voor voet door de afspanning, en geraakten, na menigmaal te hebben gerust, in den achterhof, waar Lisa, uitgeput van krachten en pijnlijk hoestend, in den zetel nederzonk.

Nadat de Baas de kussens haar achter rug en hoofd geschikt had, zette hij zich nevens haar op eenen anderen stoel, en wachtte in stilte dat hare vermoeienis wat verminderde.

Eindelijk zeide hij op troostende toon tusschen zijne tranen:

"Heb maar goede hoop, lieve Lisa; de schoone zomer is begonnen, de zoete, zuivere lucht zal u versterken. Gij zult wel genezen."

"Ach, vader, waarom mij bedriegen?" zuchtte de maagd, het hoofd schuddend. "Iedereen, die mij ziet, - gij ook, vader, - stort tranen en weent over mijn lot. Het is gedaan, nietwaar? Met de kermis zal ik reeds op het kerkhof liggen?"

"Kind, bedroef u zelve niet door deze ijselijke gedachte."

"IJselijke gedachte? Op de wereld is het niet goed, vader. Ware ik reeds in den hemel! Dr is gezondheid, vreugde, eeuwige liefde."

"Karel komt welhaast terug, Lisa. Hebt gij zelve niet gezegd, dat gij gauw zult genezen zijn? Hij zal u wel troosten; zijn vriendelijk woord zal u met nieuwe kracht doen opstaan uit uw bitter lijden."

"Nog zes maanden!" zeide het meisje, met wanhoop ten hemel ziende, als vroege zij iets aan God. "Nog zes maanden!"

"Zoolang niet meer, Lisa; Kobe is van gisteren naar Brussel, met eenen brief van onzen burgemeester voor den heer, die onze voorspreker bij den minister is. Alles doet ons hopen, dat wij voor Karel eene vermindering van straf verkrijgen zullen. Dan komt hij oogenblikkelijk vrij. God weet, of Kobe ons dezen namiddag het blijde nieuws zijner aanstaande verlossing niet brengt. Lisa, mijn kind, voelt gij u niet herleven bij deze gedachte alleen?"

"Arme Karel," murmelde Lisa droomend, "reeds vier eeuwige maanden! O, vader, ik heb misdaan... maar hij, de onschuldige, wat moet hij lijden in zijn donker kot!"

"Ach, neen, Lisa, ik heb hem immers eergisteren in zijne gevangenis bezocht? Hij onderstaat zijn lot met geduld; ware het niet, dat uwe ziekte hem mistroostig maakt, hij zou zich gelukkig achten op aarde."

"Hij heeft zooveel geleden, vader. Gij zult hem beminnen, niet waar? Hem niet meer verstooten? Hij is zoo goed!"

"Hem verstooten?" riep de Baas met bevende stemme, "ik heb hem op mijne knien om vergiffenis gesmeekt; ik heb zijne voeten met mijne tranen bevochtigd..."

"Hemel! En hij, vader?"

"Hij heeft mij omhelsd, mij gezoend, mij getroost. Ik heb mij zelven willen beschuldigen, hem zeggen, dat mijn hoogmoed alleen de oorzaak van zijn ongeluk is, hem beloven, dat mijn geheele leven eene boetpleging zal zijn. Hij heeft mij den mond met eenen kus gesloten... eenen kus, die als een balsem des hemels hoop en kracht in mijn hart stortte, en mij sterk heeft gemaakt om met minder angst de beslissing van God te gemoet te zien. Gezegend moet hij zijn, de barmhartige, die het kwaad met liefde loont!"

"En mij ook heeft hij alles vergeven, niet waar, vader?"

"U vergeven, Lisa? Wat hebt gij ooit misdaan? Ah, zoo gij lijdt, zoo eene straffe van hierboven u schijnt te treffen, voor mij alleen, mijn arm kind, is de bittere boete, die gij onderstaat."

"En ik, ben ik onschuldig, vader? Is het mijne lichtzinnigheid niet, die Karel het hart verscheurde en hem van wanhoop verteren deed? Maar hij heeft mij toch alles vergeven, de goede."

"Neen, neen," riep de vader uit, "Karel heeft u niets vergeven. In zijne oogen waart gij altijd de zuivere, kuische leliebloem. Zelfs toen mijn zinnelooze hoogmoed u tot onvoorzichtigheid dwong, en alles te zamen liep om hem wantrouwen in te boezemen, dan stond hij op tegen de minste verdenking, en zeide met fierheid in de oogen: mijne Lisa is zuiver, mij alleen bemint zij op aarde!"

Een zoete glimlach verscheen op het gelaat der maagd, terwijl zij zeide:

"Ach, die zekerheid zal mijn doodbed zacht maken. Als ik daarboven zal zijn, zal ik God voor hem bidden; ik zal uit den hemel hem toelachen waar hij gaat... totdat hij ook kome!"

De blijde toon van Lisa's stemme gaf haren vader moed tot het doen eener poging om haren geest van de droeve vooruitzichten af te trekken. Met vreugd in de stemme sprak hij:

"En gij weet niet, Lisa, wat hij mij eergister altemaal zeide van eenen schoonen hof, dien hij voor u gaat doen maken, zoohaast hij vrij zal zijn. Van alle schoone bloemen in overvloed, met slingerende wegeltjes en paden, perken, prielen en vijvers!... En terwijl men daaraan arbeidt, zal hij met u eene reize doen naar Parijs; u de schoonste dingen laten zien, die er in de wereld te vinden zijn; u door zijne zoete liefde en door allerlei genot en vreugde den geest verkwikken... O, Lisa, denk toch eens: dan zult gij reeds de vrouw van Karel zijn. Niets op aarde zal u nog kunnen scheiden; uw leven zal een hemel van zaligheid zijn. En Karel wil hebben, dat ik met u en met zijne moeder in de brouwerij wone. Hij zal mijn zoon zijn! Gij, Lisa, gij zult weder eene teedere moeder hebben. Ik zal door de zachtheid, door de nederigheid van mijn gemoed de vriendschap der dorpelingen weder winnen. Ieder zal ons achten, ons liefhebben. Wij zullen elkander altezamen beminnen, vereenigd zijn door den band der broederlijke liefde en vreedzaam ons leven slijten op aarde!... Maar, Lisa, mijn kind, wat hebt gij? Gij beeft! Zijt gij niet wel?"

De maagd poogde nog te glimlachen, doch het was zichtbaar, dat de kracht haar daartoe ontbrak. Zij zocht echter de hand haars vaders, en, deze gevonden hebbende, sprak zij met flauw, allengskens versmorende stemme:

"Vader lief, zoo God van hierboven mij niet geroepen hadde, zou uw troostend woord mij wel genezen; - maar, eilaas, wat kan mij redden... van den dood, dien ik altijd, altijd voor mijne oogen zie... gelijk iets dat ik niet zeggen kan... eene wolk, - iets, dat mij wenkt. Nu weder; het is ijs, dat over mijn lichaam loopt; de lucht is te scherp. Water, water op mijn voorhoofd! O, vader, vader lief, ik geloof... dat ik sterven ga!..."

Met deze akelige woorden sloot zij de oogen en viel ontzenuwd ineen als een lijk.

Baas Gansendonck stortte geknield voor zijne dochter neder en hief de armen smeekend ten hemel, terwijl een tranenstroom hem uit de oogen vloeide; - maar welhaast werd hij zijns toestands bewust en sprong met koortsigen angst recht. Hij begon de polsen der zieltogende Lisa te wrijven, hief haar het hoofd op, riep haar bij haren naam, zoende hare verstorvene lippen en besproeide haar voorhoofd met tranen van berouw en van liefde.

Eenigen tijd daarna keerde het gevoel in de kranke maagd terug. Terwijl haar vader, half zinneloos van vreugde, de teekens harer ontwaking uit den doodsslaap op haar gelaat afspiedde, opende zij langzaam de oogen en staarde als verwonderd in het ronde.

"Nog niet! Nog op aarde!" zuchtte zij. "O, vader, leid mij naar binnen; mijn hoofd draait; het brandt mij zoo in de borst; de lucht verteert mijne longen: de zon doet mij pijn!"

Als wilde Baas Gansendonck zijn kind van den dreigenden dood verwijderen, nam hij haar met ijverzuchtige krachtsinspanning in den arm en droeg haar in de kamer.

Daar zette Lisa zich weder bij de tafel en legde het hoofd stilzwijgend op het kussen.

De Baas wilde iets zeggen om haar te troosten, doch zij smeekte:

"Spreek niet, vader lief; ik ben zoo moede, - laat mij rusten."

Baas Gansendonck keerde in stilte op zijnen stoel terug, en vergoot stomme tranen over den naderenden dood zijner zielsbeminde Lisa...

Een half uur was verloopen, zonder dat eene beweging, een klank, een zucht de tegenwoordigheid van menschen in deze kamer had verraden, toen men eensklaps een rijtuig voor de deur hoorde stilstaan.

"Dr is Kobe, Lisa, dr is Kobe!" riep Baas Gansendonck met blijdschap, "ik heb het gehoord aan den stap van ons paard."

Een vonk der hoop glom in het kwijnend oog der maagd.

De knecht trad waarlijk in de kamer; Lisa scheen al hare overblijvende krachten samen te rapen om het blijde nieuws te vernemen; zij hief het hoofd op en zag Kobe met uitgestrekten hals aan. De Baas sprong op en riep:

"Welnu, welnu, Kobe?"

Met vochtige oogen antwoordde de knecht:

"Niets! De heer, die bij den minister van justitie voor Karel spreken moest, is naar Duitschland gereisd..."

Eene stille doch ijselijk scherpe klacht vloog op uit Lisa's mond; haar hoofd viel loodzwaar op het kussen; stille tranen ontsprongen haren oogen.

"Eilaas, eilaas! zuchtte zij bijna onhoorbaar, "hij zal mij op aarde niet meer zien!"


XI.

Distelen gezaaid, doornen gemaaid.

Op eenen schoonen morgen ging een jonge boer met groote haast over den steenweg van Antwerpen naar Breda. Hij hijgde zichtbaar, en het zweet stond in druppelen op zijn voorhoofd. Evenwel, een onzeglijke blijdschap straalde uit zijne oogen, en in de vluchtige blikken, welke hij over de velden of in het grondeloos blauw des hemels stuurde, fonkelden dankbaarheid tot God en liefde tot de herlevende natuur. Zijne stappen waren licht; van tijd tot tijd ontsnapte hem een kreet der vreugde; men zou gezegd hebben, dat hij met brandend ongeduld zich voortspoedde naar eene plaats, waar een groot geluk hem wachtte.

En inderdaad, het was Karel, de brouwer, wiens banden onvoorziens door eene vermindering van straf gevallen waren.

Nu keerde hij huiswaarts met het hart vol zalige droomen. Hij ging zijne Lisa wederzien, haar troosten, haar genezen! Want was het niet zijne veroordeeling, zijne gevangenis, die het meisje onder den druk van een knagend verdriet neergebogen hield en kwijnen deed? En was zijne verlossing, zijne wederkomst het onfeilbaar heelmiddel harer ziekte niet? O, ja, hij ging haar terug vinden, zuiver, beminnend; haar verrassen door zijne verschijning; haar toeroepen: "rijs op uit de smart, mijne Lisa! Hier ben ik, uw getrouwe vriend. Put krachten uit mijne liefde; verhef het hoofd met hoop, al ons wee is gedaan; zie moedig en blij in de toekomst; lach het leven toe: het belooft ons nog zoovele schoone jaren!"

En zijne goede oude moeder! Hoe ging hij haar beloonen voor hare liefderijke smarten! Reeds zag hij haar in den geest hem, van ontroering kermend, komen toegeloopen; hij voelde hare armen om zijnen hals zich strengelen, haren kus op zijne wangen gloeien, hare tranen op zijn voorhoofd rollen... En hij lachte het zoete beeld met liefde tegen, terwijl het woord "moeder, moeder" van zijne lippen viel.

O, zalig was de jongeling! De weergevondene vrijheid deed hem den machtigen boezem zwellen; de geurende heidelucht omwalmde hem en goot levensvuur in zijne longen; de lentezon verguldde het liefelijk dennengroen en kleedde de natuur in prachtig feestgewaad... Mijmerend van eene schoone toekomst, God dankend met overstortend hart, al het beminde zich voor de oogen tooverend, zuchtend van liefde, lachend van geluk, stapte de jongeling immer met versnelden gang voort, tot op omtrent een halfuur afstands van zijn geboortedorp.

Dr bleef hij eensklaps bevend staan, alsof een akelig verschijnsel hem met schrik en verbaasdheid hadde geslagen.

Uit eenen zijweg waren drie heeren op den steenweg gestapt; de eene was mijnheer van Bruinkasteel!

Of deze personen den jongen boer bemerkt hadden, ware moeielijk te zeggen; althans, zij bezagen hem niet en gingen de baan op naar het dorp.

Karel was radeloos. Met den baron wilde hij nu niet in gesprek komen; want hij gevoelde wel aan het bruisen van zijn bloed, hoe gevaarlijk hem dit worden kon, indien zijn vijand hem een enkel hoonend woord toestuurde. En nochtans, blijven staan kon hij ook niet: al te machtig was het ongeduld, dat hem voortzweepte, om zijne beminde Lisa te zien, om zijne oude moeder in de armen te drukken.

Na een oogenblik overweging nam Karel een plotselijk besluit; hij sprong van den steenweg in een nevenpad, en liep tusschen velden en bosschen in eene baan, die, ofschoon langs omwegen, hem insgelijks in het dorp brengen zou.

Over het dorp zweven de langzame tonen der doodklok... Op het kerkhof gaapt een verschgedolven graf; elke klank van het treurgelui weergalmt in den wachtenden kuil; het is, als klom er eene holle stem uit den grond op, als zuchtte de aarde met verlangen: kom, kom, kom!

Zelfs der dieren zenuwen sidderen pijnlijk bij den glasachtigen roep des doods; de honden huilen het akelig klokkenspel tegen, de stieren loeien met schor geluid. Ondanks deze nare tonen omvangt eene ontzaglijke stilte de gansche gemeente; men bespeurt geene andere beweging dan den tragen gang van eenzame oude lieden, die met gebedenboek en rozenkrans als stomme schimmen kerkwaarts komen afgezakt.

In de verte nadert een droeve stoet... Maar hoe schoon vertoont zich hier de tocht naar de laatste rustplaats!

Vier maagden, in sneeuwwit gewaad, dragen het lijk der gezellinne, die stierf in den bloei des levens; nog andere maagden, in denzelfden tooi, gaan er nevens, om op hunne beurt den dierbaren last te aanvaarden. Daarachter volgen al de dochters der gemeente, met bloemen of wijpalmen in de hand; ja, zelfs de kleine meiskens, wier onnoozel gemoed nog niet beseft wat het woord sterven beteekent. Velen weenen bitter, allen gaan met gebogen hoofd en treuren over de arme Lisa, die, eilaas, zoo onschuldig heeft geboet.

Op de kist zijn bloemen gestrooid; rozen en lelin, beelden der maagdelijke zuiverheid. Zij geuren zoo frisch, zij prijken zoo liefelijk op het witte baarkleed... Daarbinnen ligt ook eene bloem, eene lelie, door den worm des lijdens verknaagd, verslenst en bleek: onnoozel zoenlam, schuldeloos slachtoffer des hoogmoeds en der verwaandheid!

Slechts drie mannen volgen onmiddellijk achter het lijk. Aan de eene zijde gaat Kobe, de knecht; aan de andere Sus, de smid. Weenend van medelijden en rouw, ondersteunen zij een derde persoon, die als een dronken mensch op zijne beenen waggelt. Hij houdt zijn aangezicht met de handen verborgen; tranen leken van onder zijne vingeren; zijne borst zwoegt zichtbaar onder pijnlijk snikken... Arme Ganzendonck, schuldige vader, gij durft het oog op die lijkbaar niet meer slaan? Bij iederen blik bijt de worm des gewetens uw hart ten bloede, niet waar? Gij beeft van angst en schaamte?... Maar ik wil in uw hart niet zien: uwe martelpijn boezemt mij eerbied in; uwen noodlottigen hoogmoed vergetend, stort ik ook eenen traan van medegevoel over uw bitter lijden...

Men nadert het veld des doods; daar is de priester, die het laatste gebed over het lijk spreken zal...

Maar was is het, dat iedereen met schrik en verstomdheid slaat? Waarom die kreet van angst, die te gelijker tijd uit alle borsten opstijgt? Welk vreeselijk verschijnsel doet de maagden beven?

God, daar is Karel! Hij blijft een oogenblik als van den donder getroffen en staart met wilden blik op den stoet, wiens gang onder zijn gloeienden oogslag plotseling opgehouden heeft... De verpletterde jongeling herkent wat er geschiedt! - Zie, met het haar te berge komt hij toegeloopen; hij stort neder bij het lijk; hij stoot met woest geweld de maagden van zich; hij sleurt het baarkleed af; hij rukt zijne handen ten bloede aan de vijzen; de kist wil hij openen; hij roept zijne Lisa; hij zwoegt, hij huilt, hij lacht...

Daar komen mannen en trekken hem met onweerstaanbaar geweld van het lijk weg... Maar eene nieuwe oorzaak ontrukt hem eenen schreeuw van wraak, zoo akelig en machtig, dat elkeen er van beeft. Wat heeft zijn verwilderd oog dan gezien, dat hij als een razende alles uit den weg smijt en met een ijselijken zegekreet naar iets, dat hem tergt, vooruitloopt?

Hemel, dr, achter de ruiten eener herberg, staat de baron!

Ramp, ramp, de dwalende jongeling haalt een mes uit den zak; het glinstert zoo schrikkelijk in de zon. Hij springt brieschend ter herberg in; een moord gaat geschieden. - Maar neen! hij struikelt tegen den dorpel en valt als een steen met het hoofd op den vloer. Elkeen houdt de armen kermend in de hoogte, elkeen siddert... maar Karel staat niet meer op; hij blijft liggen, als hadde de dood in hem een nieuw slachtoffer gevonden.

De baron, zijn vijand, is de eerste bij hem; hij licht den jongeling met medelijden van den grond, en nu ook is er iets, dat knaagt in zijn binnenste, iets, dat hem toeroept: "uwe lichtzinnigheid heeft deel in het kwaad, dat rondom u zoo schrikkelijk woedt."

Kobe komt insgelijks toegeloopen; beiden heffen den jongeling in eenen stoel en besproeien zijn voorhoofd en zijne borst met water; doch hij blijft slap en doodsbleek in den zetel liggen...

Onderwijl murmelt de priester den laatsten vredegroet over een graf; de aarde valt met hol geluid op eene doodkist neder...

Karel is uit de bezwijming opgestaan. De baron wil hem troosten... Kobe spreekt hem van zijne moeder; maar de jongeling kent vriend noch vijand meer; iets ijselijks blinkt in zijne oogen; hij lacht en schijnt zoo gelukkig! - Hij is zinneloos...


Lieve lezer, zoo gij eens bij geval door het dorp gaat, waar deze droeve geschiedenis is voorgevallen, dan zult gij voor de brouwerij twee mannen op eene houten bank zien zitten spelen, alsof zij beiden nog kinderen waren. De jongste heeft een levenloos gelaat, ofschoon het vuur der dwaasheid in zijne oogen gloeit; de andere is een oude knecht, die met liefderijk medelijden hem verzorgt en hem poogt te troosten.

Vraag den knecht naar de oorzaak van zijns meesters ramp; de goede Kobe zal u treurige dingen verhalen en u het graf wijzen, waar Baas Gansendonck nevens zijn kind voor eeuwig te slapen ligt; en, wees zeker, hij zal onfeilbaar zijne rede sluiten met deze spreuk:

"DE HOOGMOED IS DE BRON VAN ALLE KWAAD."