Brief van Hendrik Conscience ter gelegenheid van de doop van Baas Gansendonck


Antwerpen, den 18'den juni van 't jaar 2005

 

Aan de bestuurders van de Gilde van Baas Gansendonck en de leden van den Marnixring De Loteling,

 

Beste vrienden,

Trots! Onwelvoegelijk contentement... Deze woorden schieten mij alras door mijne kop als ik terugpeins aan wat er gisterenavond geschiedde in Schilde. T'en zijn niet enkel de woorden die onder mijn haar bewegen, er beweegt daar nog en 't wat... maar misschien is dat van 't geestrijke vocht...

Maar grooten trots is over mij needergedaald bij het groote feest ter inhuldiging van den reuze 'Baas Gansendonck'. Wat eene mooien vent hebben de menschen van de Marnixring De Loteling ervan gemaakt. 'K en was niet weinig verrascht bij het aanschouwen van die prachtige kleeden die onder de vlijtige handjes van de dames werden in mekaar gedriegd en genaaid.

Den Baas! Ik spreek liever over den Peer, omdat ik hem zo beter gekend heb, die mensch, maar de Marnix'ers spreken natuurlijk over 'den Baas', naar het gelijknamige boek.

Wat er 't mij 't meeste zal bijblijven aan diene reuze is zijnen ontzaggelijken kop. Ik heb 't juffraake moogen zien die diene kop in mekaar gezet heeft met klei. A zo'n fragiel meiske dat die zoo'n hoofd met zoo eene uitstraling en karakter kan maaken, t'en is niet te gelooven. Ik zal 't nu niet hebben over 't feit dat den Peer helemaal niet trekt op diene reuze, want dat is niet zo belangwekkend. Dat de menschen van Vlaandren hem zoo maar onthouden, 't is al lang goed.

Ik heb dan moeten plaats nemen op eene kiosk uit mijnen geboortentijd alrasch hersteld door andere Marnix'ers uit Roeselaere. Eene schoone bedoening, 't deed me terugvlieden naar den tijd dat ik met Roosken en Lieske danste op de muziek van de Harmonie Sint Cecilia op de markt. Daar stond toen ook zoo eene tijdelijke kiosk... Dat waaren nog eens momenten zie...

Ik hoorde redevoeringen van de hoogste notabelen van Schilde: de schepenen van cultuur vond mij eene heel belangrijke figuur en prees mijn gevecht voor 't schrijven in 't Nederlands. Diene mensch weet natuurlijk niet dat mijn Fransch niet al te best was en dat ik vooral boeken schreef om den brooden, maar toch bedankt. Hij veranderde ineens den Peer zijnen naam in Van Gansendonck... 't en is niet juist, maar toch ook schoon. Den tweeden die klapte was de schepenen van 't geld. Die sprak kort en da's maar goed ook, want 't geld van de gemeente daar is toch niemand in geïnteresseerd op zoo nen mooien dag... De grooten baas van de winkeliers, Luc Vrelust, die ook lang de grooten baas van de Marnixring was, gaf heel veel uitleg over de reuze en over de menschen die hem hebben geconcipiëerd. Dat woord kende ik niet, maar 't is modern, dus zet ik 't er maar bij. D'er waaren schoone bloemen en drank voor de maakers en de maaksters...

De burgemeester kwam dan. Hoe groot was mijne verbaazinge dat het een vrouwmensch was! En nog eene toffe madam ook. Zij deed eenen uitleg en keek daarbij zoo veel in mijne kijkers met haar schoone oogen dat ik van heure reede niet veel hoorde. Ik zag wel dat den baas van de winkeliers de eene flesch champagne na de andere liet ontploffen. De burgemeester Avontroodt (eene naam die ik zoo schoone niet had kunnen bedenken) zwiepte met de flesch die ze uit de trillende handen van Vrelust trok en smeet alras die schoonen reuze onder 't geestrijke vocht... 't Mensch was er niet goed van.

Onder de prachtige toonen van 't Reuzelied, ook uit mijnen jongen tijd, dat gespeeld werd door de Harmonie 'Takjes worden bomen' stapten we op door Schilde. Voorbij de Sint Sebastiaan waar den Peer woonde en herberge hield, naar 't andere eind van 't dorp. Duizenden menschen stonden ons op te wachten. De schoone burgemeester had bij den aanvang van den stoet mijnen arm omklemd en met groeiende verlegenheid stapte ik naast heur mee... Wat een beziens had ik nu in eenen keer... En 't volk maar joelen naar de reuze...

Tot dan was 't schoon!

Maar dan kwamen die mannen af met het Baas Gansendonckbier. In 't begin was 't overheerlijk, nadien nog beeter maar ik kreeg er zoo'n dorst van da'k niet meer weet hoe ik in mijn bedstee ben beland...

Ik schrijf dit dus met eenige koppijn en hier en daar wat overdrijvinge die den leezer mij maar moet vergeven. Ik ben eenen contenten mensch, voor Schilde, voor Vlaandren, voor de Marnixring De Loteling en vooral voor den Peer.

Als ge die schoone madam nog ziet met dien prachtigen naam en heure schoone oogen, doe ze dan vele groeten van mij.

 

Aan jullie ook een Vlaamschen groet en een groot dankuwel!

Hendrik Conscience