Historische en sociale context (met citaten uit Conscience's De Loteling)

Hugo Westdorp, juni 2008

Inleiding

Conscriptie

Alvorens over loting en lotelingen te spreken is het misschien interessant te weten hoe "das Militär" zich in de middeleeuwen voordeed. Het is immers moeilijk het begrip loting en de reacties die er op volgden, los te zien van datgene wat er aan vooraf ging. Beelden van spattend bloed en ongeorganiseerde, ongedisciplineerde slachtpartijen verschijnen ons bijna automatisch voor de geest als we over de middeleeuwen spreken.

Dit is op zijn zachtst gezegd enigszins naast de werkelijkheid. Uiteraard speelde de ridder zowat de belangrijkste rol, maar in zijn zware wapenrusting is hij zonder het voetvolk volledig weerloos aan de vijand overgeleverd. Dit voetvolk bestond uit lansiers en (kruis)boogschutters.  

Militaire tucht, zoals dat bij de Romeinen het geval was, bestond niet in de middeleeuwen. Wel was er een centraal bevel dat bestraffend kon optreden en hield men zich meestal aan bepaalde regels.

Vooral in de latere middeleeuwen wordt de bewapening uitgebreider en gedifferentieerder en sommige groepen voetvolk beginnen een rol tijdens de oorlogsvoering te spelen die bijna gelijk staat aan die van de ridder.

In de dertiende, veertiende eeuw verschijnen voor het eerst de huurlingen of "routiers". Ze zijn het gevolg van de toenemende overbevolking in de steden van Vlaanderen, Brabant, de Rijnstreek, Italië, Baskenland, Aragon,… en trekken als wilde horden door Europa, vechtend voor de hoogste bieder. Als ze geen broodheer hebben, en dus ook geen soldij, plunderen ze niets ontziend het platteland.

Geen wonder dus, dat ze alom gehaat en gevreesd werden. Hun macht werd soms zo groot dat meerdere heren samenwerkten in hun strijd tegen dat moordend tuig. Het gebeurde dat een huurlingenleider zo'n macht veroverde dat hij opgenomen werd als leider in een regulier leger. Al snel was men deze onbetrouwbare benden liever kwijt dan rijk.

Bleef het probleem, uiteraard, dat als men niet meer kon of wilde rekenen op het stelletje ongeregeld dat de "routiers" was, er een gebrek aan "contingentering" ontstond. Samen met een toenemende versterking van de centrale macht, ontstond de behoefte aan een leger waarop men constant kon rekenen, gedisciplineerd, goed bewapend en vooral… betrouwbaar!

Vooral in Frankrijk (maar daar niet alleen) begon men met het te boek stellen van een categorie personen die geschikt waren voor militaire dienst, de zo genaamde "conscriptie", een begrip dat vele jaren zal blijven bestaan en dat we dus nog gaan tegen komen. Vele gewesten eisten de oproepbaarheid van alle weerbare mannen tussen de 16 en de 60 jaar! Een vroeg voorbeeld van die "oproepbaarheid" vinden we terug in 1448 (de honderdjarige oorlog) als de Franse koning, Karel VII, eist dat ieder Frans dorp een uitgeruste boogschutter moet sturen om in het reguliere leger te dienen.

De Loting

Het systeem van loting is als het ware een normaal uitvloeisel van de "conscriptie". Het centraal bestuur beschikte, via parochie- en doopregisters, over de lijsten van weerbare mannen, het was dus erg aantrekkelijk om er uitgebreid gebruik van te maken.

Voor zover we kunnen nagaan waren het de de Medici's die, in 1570 voor het eerst, van de conscriptielijsten daadwerkelijk en op georganiseerde schaal gebruik maakten om een systeem van loting op poten te zetten. Hierdoor waren ze in staat om op korte tijd met hun Florentijnse stadsmilitie, heel Toscane te overheersen.

Omdat het in Frankrijk de baljuw was die de dienstplichtigen moest aanduiden, wat zowat overal gepaard ging met willekeur, corruptie en omkoperij, besliste Lodewijk XIII (op aanraden van zijn moeder Maria de Medici !) de loting in te voeren.

Onze gewesten bleven relatief lang gespaard van het systeem; het is waarschijnlijk juist daarom dat de reactie bij het invoeren ervan zo hevig was. De loting werd officieel bij ons ingevoerd rond het midden van de achttiende eeuw, tijdens de regeerperiode van Filips V van Spanje. De man was van Franse afkomst, ook zijn legeraanvoerder kwam uit Frankrijk, niet verwonderlijk dus dat het Franse systeem overal werd doorgedrukt. Het lot werd getrokken uit een hoed die (om bedrog tegen te gaan) op hoofdhoogte werd gehouden. Minder geschikte kandidaten werden door een keuringsraad achteraf vrijgesteld, wat natuurlijk ook weer kon leiden tot bedrog en omkoperij.

De Franse Periode

In het zog van de Franse revolutie schafte de Staten-Generaal in 1789 de conscriptie af, juist op grond van de vele misbruiken; wat, gezien de internationale toestand, al snel leidde tot een onderbezetting van de Franse krijgsmacht.

Teneinde het hoofd te kunnen bieden aan de dreigende Europese coalitie werd op 24 februari 1793 door de Conventie beslist om 300.000 mannen op te roepen. Dit was nieuw, tot nu toe hadden de meeste legers bestaan uit maximaal 60.000 soldaten. Frankrijk gaf zo de start voor de eerste massalegers en ook voor een begrip als "kanonnenvlees".

De verantwoordelijkheid voor de lichtingen lag bij de departementen, die meteen terug de gehate loting invoerden en natuurlijk ook de conscriptie (het een kon immers moeilijk zonder het andere). Dit alles werd vastgelegd in de wet Jourdan van 19 Fructidor van het jaar VI van de Franse Republiek (5 september 1798). Sinds 1 oktober 1795 waren de Zuidelijke Nederlanden en het Prinsbisdom Luik "officieel" bij de Franse Republiek aangehecht en vielen dus ook Vlaamse mannen en jongens tussen 20 en 25 jaar onder het systeem van conscriptie. In vredestijd werd de dienstplicht beperkt tot 5 jaar, in oorlogstijd was er geen beperking voorzien.

De centrale besturen van de departementen moesten conscriptielijsten opstellen. De minister van oorlog moest, op basis van die lijsten, een algemene lijst opmaken van alle dienstplichtigen van de Republiek. De wet Jourdan voorzag geen echte loting. Wegens het algemeen karakter ervan werd de wet Jourdan al snel "bloedwet" genoemd. Het was immers de eerste maal dat mensen uit onze gewesten verplicht werden dienst te nemen in het leger van een bezettingsmacht om te gaan vechten voor totaal vreemde "idealen", op totaal vreemde slagvelden.

"Dokter?" antwoordde de knecht, "hij is chirurgijn-majoor onder Napoleon geweest. Wij hebben meer beenen en armen afgezet dan er op dezen weg kunnen liggen, en dat is geen klein beetje."

Deze verplichte en algemene legerdienst was o.a. mee de aanleiding tot het verzet dat we later de "boerenkrijg" (oktober – december 1798) zijn gaan noemen. Het was immers al eeuwen geleden dat legerdienst nog was opgelegd in de Nederlanden. De buitenlandse bezetters hadden steeds hun eigen troepen betaald. Daarin konden ook mensen van bij ons dienst nemen, maar steeds op vrijwillige basis. De conscriptie en later de loting betekende vooral voor de verarmde boerenbevolking een zware slag en een bijkomende belasting.

Het systeem van algemene legerdienst zat vrij ingewikkeld in elkaar op basis van "klassen" en werd daarenboven op grote schaal ontdoken. Zo is er een geval bekend waarbij in de eerste klas 203.000 rekruten werden voorzien, 97.000 vertrokken naar de legerkampen en slechts 74.000 kwamen ook daadwerkelijk aan! Ontbrekende aantallen moesten dan aangevuld worden door dienstplichtigen uit de volgende klas. Zo werd al snel weer gerekend op vrijwilligers en omdat ook dit niet tot het gewenste resultaat leidde, werd toegestaan om onder elkaar te loten teneinde het contingent bij te passen. Tenslotte mochten de lotelingen plaatsvervangers "kopen". Dit systeem van loting en plaatsvervanging was eigenlijk een ongewenst neveneffect van de wet Jourdan. Belangrijk was dat het contingent bereikt werd, op welke manier ook.

Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden

Nadat de coalitielegers Europa bevrijd hadden van de Napoleontische ellende en verdwazing werd meteen ook de conscriptie afgeschaft (31 januari 1814). Echter toen Napoleon dreigde Europa terug in vuur en vlam te zetten (na zijn vlucht van Elba) riep koning Willem I van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden een nationaal militiekorps in het leven. Dit stond in voor de verdediging van de zuidelijke provincies en bestond uit vrijwilligers en dienstplichtigen, zeg maar lotelingen die zich konden laten vervangen. Na de definitieve nederlaag van Napoleon bij Waterloo werd in het Koninkrijk der Nederlanden de conscriptie en de loting opnieuw officieel ingevoerd. Fundamenteel behield men dezelfde instellingen als deze die in gebruik waren tijdens het Napoleontische regime, maar men probeerde met alle macht de vele misbruiken uit te bannen. Zo voorzag een artikel wel de loting maar ook de volledige en definitieve vrijstelling. Een wet uit 1817 ging zo ver dat uiteindelijk slechts kleine contingenten werden opgeroepen die in schril contrast stonden met de enorme lichtingen die voor het leger van Napoleon nodig waren. Dit alles zorgde er voor dat het systeem werd getolereerd en weinig of geen weerstand opriep.

De periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was over het algemeen een periode die gekenmerkt werd door rust, vrede en verhoging van de intellectuele en materiële welstand.

België

Met de onafhankelijkheidsverklaring van België (1830) bleef de nieuwe staat de militiewetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden hanteren. Er werd uitdrukkelijk gesteld dat het leger voor het grootste deel uit vrijwilligers moest bestaan. Vermits dat in de praktijk geen succes bleek, viel men bijna automatisch terug op de loting.

De militiewet van 1817 (voor de onafhankelijkheid dus) bepaalde dat alle jonge mannen aan de loting moesten deelnemen in het jaar dat ze 19 werden. Dit gold ook voor alle vreemdelingen die permanent in het land verbleven, zij werden echter meestal achteraf vrijgesteld van dienst.

In hun 19e levensjaar moesten alle jonge mannen zich dus laten registreren op het politiecommissariaat van de wijk of het dorp waar zij woonden, zo werden zij "conscrits". De wet van 01 januari 1848 bepaalde dat ze pas zouden worden opgeroepen in hun twintigste levensjaar. De gebrekkige administratie zorgde voor heel wat ontduiking zodat de staat weldra, onder de mom van "sociale controle", een systeem van verklikking op poten zette. Iedereen had het recht de registers in te kijken en kon melding maken van "ongeregeldheden". Het systeem werkte echter averechts en weinig of geen mensen gingen in het openbaar tot verklikking over. Uiteindelijk schafte men de conscriptie af en ging men op 1 maart 1848 tot de "trekking" of de beruchte "loting". Van de weeromstuit dook ook het woordje "bloedwet" weer op.

Jaarlijks werden de officiële data van de loting tot drie maal toe in de verschillende dagbladen en via aanplakbiljetten gepubliceerd. De betrokkene ontving een uitnodiging voor de loting. Men diende zich op betreffende datum aan te melden in de hoofdplaats van het militiekanton. Om de goede gang van zaken te waarborgen eiste de militiecommissaris dat de veldwachter van de gemeente de jongelui zou begeleiden. In sommige grotere gemeenten gebeurde dit zelfs met de fanfare op kop…

De gespannen sfeer zorgde er voor dat de plaatselijke herbergen goede zaken deden, totdat de steeds aanwezige rivaliteit tussen de dorpen en het uitbundig drankgebruik uitmondde in fikse rellen waarbij bloed vloeide.

De lotingscommissie was samengesteld uit een militiecommissaris, die minstens de graad van luitenant-kolonel moest hebben, één officier en twee onderofficieren. Twee gemeenteraadsleden vertegenwoordigden de dorpsgemeenschap en waren getuigen voor het wettelijk verloop van de loting. De "kandidaten" werden per dorp de zaal ingeleid. Iedereen werd gemeten met een meetstok die jaarlijks officieel moest geijkt worden.

De voorzitter van de commissie nam een aantal briefjes die met een nummer bedrukt waren, hij parafeerde deze en stak ze in een kokertje. Daarop gooide hij alle kokertjes, luid tellend, in een urne of een trommel, die werd uitvoerig geschud of gedraaid   en alfabetisch trok men dan "zijn" nummer. Het kokertje werd aan de voorzitter overhandigd die het opende en het nummer voorlas. Dit werd onmiddellijk ingeschreven in het militieregister en het papiertje ging terug naar de al dan niet gelukkige.

Jaarlijks maakte de krijgsmacht een tabel op met het aantal manschappen dat nodig was om de contingenten op sterkte te houden. Op basis van deze gegevens werd berekend hoeveel personen er moesten geloot worden per provincie, kanton, stad, gemeente of dorp. Jaarlijks werden zo 10.000 tot 12.000 jonge mannen daadwerkelijk via de loting opgeroepen. Bij de twintigjarigen moest zo ongeveer 1 op 4 onder de wapens. In de praktijk kwam het er op neer dat de nummers lager of gelijk aan het aantal dat nodig was om de regimenten te bevolken zich er hadden "ingeloot"!

Om het goede of slechte nieuws thuis te melden hadden velen een duif meegebracht, doch in geval van een slecht lot werd het diertje vaak uit pure frustratie de nek omgedraaid. In de hoop een goed lot te trekken waren er vele gebruiken in omloop, geloof en vooral bijgeloof voerden hier de hoofdtoon. Zo droegen sommigen een zakje met aarde van het laatst gedolven graf op het kerkhof, anderen hadden een stukje gedroogde nageboorte dat de moeders na de geboorte van een zoon bewaarden, er werden natuurlijk missen opgedragen en amuletten meegezeuld, zelfverminking kwam geregeld voor…

(Och God, schoon lief,ik moet u gaan verlaten; Wat droevig lot, 'k moet onder de soldaten. Adieu vergeet mij niet!)

Nadat het lotje teruggegeven was aan de loteling wist die waar hij stond en ging men in groep zijn verdriet of zijn geluk verdrinken. De gelukkigen tooiden zich met felkleurige papieren bloemen en slingers, het geluksnummer op de revers of de hoed gespeld. De grote kroegentocht kon beginnen en eindigde soms in regelrechte veldslagen, dikwijls met het plaatselijk garnizoen dat geacht werd de orde te handhaven! Niet zelden lieten de feestvierders een spoor van vernieling achter op hun weg naar huis.

(Veel liever,veel liever drij jaren soldaat dan te leven met die teven in een huwelijken staat.)

(En zuipen totdat op is, dat op is, dat op is. En zuipen totdat op is, dat op is zuipen wij.)

Voor wie zich uitgeloot had, nam de dagelijkse sleur al snel de plaats in van de opgehoopte spanning. Wie "er in geloot was" stond een tijdelijk nieuw leven te wachten met alle onzekerheden die daarmee samenhingen: uiteindelijke oproeping en inlijving, eventueel het zoeken naar een uitweg, een reden tot vrijstelling, de zoektocht naar een vervanger.

Daar zijn ze! Daar zijn ze!

Inderdaad, ginder zeer verre waren de lotelingen van achter een bosch op den weg verschenen, en nu kwamen ze aangestapt, zingend en juichend, dat het in de lucht hergalmde. Sommigen smeten hunne hoeden of klakken ten teeken van vreugde omhoog, en allen te zamen hadden het voorkomen van enen hoop dronkaards, van ene kermis terugkeerende. Maar wie er zong en vroolijk was, wie er zweeg en pijne leed, dit kon men nog niet zien.

Zo haast de lotelingen op den weg zich vertoonden, liepen hunne bloedverwanten en vrienden, elk van zijnen kant hun tegemoet. De grootvader kon zoo snel niet gaan, ofschoon Trien hem nu bij de hand voorttrok.

De vrijstelling

Een eerste vereiste om een goed soldaat te worden was een goede lichamelijke en geestelijke conditie. De lichaamslengte moest daarom minimaal 1,57 m bedragen. Dit was een eis waaraan velen echter niet konden voldoen. Ruim 25% vrijstellingen werden op die basis gegeven in de 19e eeuw. Zeker 10% daarvan was definitief! Voor eliteregimenten was de minimumlengte 1,72 m. De slechte lichamelijke conditie was ontegensprekelijk te wijten aan de steeds terugkerende hongersnoden. Er werden ook andere redenen gezocht; zo waren er in 1847 in het Brusselse, opvallend veel vrijstellingen wegens "te klein". De volkse "wijsheid" schreef dit toe aan de bekende en beruchte dwerg Simon Paap die 20 jaar voordien in de stad verbleven had… Algemeen was de landelijke bevolking gezonder dan de stedelijke.

In de eerste 20 jaar van de Belgische onafhankelijkheid werd ongeveer 50% vrijgesteld van militaire dienst, ruim 10% daarvan werd definitief vrijgesteld. De vele vrijstellingen brachten die lotelingen in gevaar die weliswaar een "hoog" lot hadden getrokken   (en dus uitgeloot waren) maar die door de vele vrijstellingen de kans liepen toch nog in de "hel van de kazerne" te belanden. De lijst met vrijgestelden was publiek en iedereen kon die inkijken en eventueel beroep aantekenen.

Andere redenen om vrijstelling te krijgen waren bv. zich kandidaat stellen voor zeeman bij de handelsvloot. Indien een soldaat tijdens zijn dienst overleed of zwaar gekwetst / gehandicapt werd, hoefden andere leden van het gezin niet meer in dienst. Ook kon men terugvallen of de verdienste van vader als die zich tijdens de onafhankelijkheidstrijd extra had onderscheiden. Ook de enige kostwinner of de enige verantwoordelijke voor bejaarde ouders werd vrijgesteld. Omdat ook de gehuwden van dienst ontheven werden, werd er dikwijls hals over kop getrouwd, soms met een weduwe van 80 jaar! Uiteraard bestond ook omkoping van ambtenaren, geneesheren of officieren.

Men kon ook proberen de oproepingsbrief gewoon te negeren of bij de keuring een stukje amateurstheater op te voeren…

Het "verkopen" van de dienstplicht.

Als men definitief voor de dienst was aangewezen, bestond   nog maar één manier om er aan te ontsnappen. Daarvoor moest men echter over een goed gevulde beurs beschikken. Er bestond immers altijd wel iemand die bereid was, mits betaling, de plaats in te nemen van de loteling. Meestal waren het figuren die er al een legerdienst hadden opzitten en ofwel de smaak te pakken hadden gekregen ofwel niets anders konden dan soldaatje spelen. Er waren er altijd wel een aantal te vinden in de cafés in de omgeving van het "lotinggebeuren".

Bij het overnemen van een dienst werden steeds twee contracten opgesteld: één tussen de (ouders van) loteling en het leger en een tweede tussen de (ouders van) de loteling en de afkoper. Dit laatste contract werd afgesloten voor een notaris; er werden garanties in vastgelegd voor het geval de afkoper zich niet aan de afspraak zou houden en meestal verplichtten de ouders van de loteling er zich toe de afkoper te onderhouden tijdens zijn legerdienst. Uiteraard konden alleen kapitaalkrachtigen zich een vervanging permitteren.  

In 1802 schommelde de prijs voor een vervanging in onze streken tussen 1.000 en 4.500 frank, afhankelijk van vraag en aanbod dat was de helft van wat er in Frankrijk betaald werd. Om deze bedragen wat beter te situeren, kan het interessant zijn eens te kijken naar de soldij van de infanterist in die periode. Hij ontving 78 centiemen per dag. Daarvan werd afgetrokken: 30 centiemen voor uitrusting en kledij, 20 centiemen voor 300 gram vlees, 15 centiemen voor groenten en enkele centiemen voor aardappelen, koffie, zout, peper, verwarming, kapper, "blink" voor schoenen. Brood van grof tarwebloem (750 gr) was gratis! Uiteindelijk bleef er per dag met moeite 10 centiemen over voor "ontspanning"! De gemiddelde som die men voor een afkoop betaalde kwam ongeveer overeen met de jaarwedde van een onderluitenant en voor een slordige 3.000 frank kon men drie gezonde paarden kopen!

Op te merken valt ook dat wanneer om een of andere reden de afkoper niet aan zijn verplichting voldeed, de loteling alsnog werd opgeroepen, of opnieuw iemand anders moest zoeken.

Heel dikwijls waren de plaatsvervangers onbetrouwbaar en was het hun gewoon om het geld te doen, ze hadden in ieder geval een zeer slechte reputatie en werden hier en daar "zielhonden" genoemd.

Arme lieden! Zij dachten niet aan de groote maatschappij, die daarverre in de steden krielt; haar niets vragende, meenden zij, dat zij zich hunner nimmer herinneren zou, en zij leefden met vertrouwen voort in hunne schoone en zoete ellende. Maar op eens kwam men van de leemen hutjes den tol des bloeds afeischen.

De eenige jonge man, die er woonde, - de eenige die er de macht had om de ondankbare aarde door zijn zweet te bevruchten, zou loten – en soldaat worden, indien zijne bevende hand een ongelukkig nummer aangreep: zijn heide, zijne moeder, zijne vriendinne een lang vaarwel, - misschien een eeuwig afscheid zeggen, en verkwijnen gaan onder wonden, door het woeste krijgsleven zijner zuivere, stille ziele toegebracht!

Hij was gekomen, de droeve Maartdag, in den almanak van 1833 door Trien met een zwart kruis geteekend!

Politieke en sociale consequenties

Uit het voorgaande mag blijken dat het systeem van loting nu niet meteen door de gewone man als "het ideaal" werd beschouwd. Het feit dat men reeds van in het begin sprak van "bloedwet", zegt genoeg. Een legerdienst duurde drie jaar en al die tijd moest de familie het met een zoon (lees werkkracht) minder stellen.

"Jan, als gij weg zijt, zal ik alleen wel voor uwe moeder, uwen grootvader en uw broerken zorgen; ik zal achter den ploeg gaan, als het moet, en den os verzorgen, dat hij niets te kort hebbe. Ik ben sterk en gezond genoeg en ik zal wel maken dat gij bij uwe terugkomst alles zult wedervinden gelijk het was bij uw bitter afscheid."

De negentiende eeuw werd gekenmerkt door algemene sociale onrust. Het eisenpakket van het opkomend socialisme bevatte o.a. het algemeen stemrecht, de achturendag, het recht op vrij onderwijs (en de daarmee gepaard gaande schoolstrijd) en natuurlijk ook…de afschaffing van de loting.

De loting was voor de gewone man de verpersoonlijking van het onrecht dat hem werd aangedaan, van het klassenverschil waarvan het werkvolk het slachtoffer was. Los van de avonturiers die zich aanboden als vervangers waren er ook heel wat arme volksjongens die zich verkochten. Dat kon het voordeel hebben dat het gezin een mondje minder te voeden had en dat er meteen ook een premie werd opgestreken. Meestal echter woog die premie niet op tegen het gebrek aan inkomen dat het gezin leed.

Vergeet ook niet dat de legerkaders uitsluitend werden bemand door Franstalige, adellijke zonen of zonen uit de gegoede klassen. Gewone jongens kregen nooit toegang tot die kaders.

In tegenstelling tot de grote massa gingen de socialisten geen steun zoeken tegen de "bloedwet" in geloof en bijgeloof, maar zij riepen het volk op om zich daadwerkelijk te verzetten tegen het systeem zélf.

De twee liedjes van Karel Waeri spreken voor zich.

 

Lotelingslied 1

Lotelingslied 2

Refrein:

’t En baat toch niet
Dat wij treuren
“t Hert verscheuren;
’t En baat toch niet,
Moeder, staakt uw verdriet

Refrein:

Terwijl wij zuchten in de slavernij
zijn de rijken voor wat centen vrij.

De tijd is weer verschenen
Dat men, als verplet,
Veel moeders zal zien wenen,
Verwenschend die wet.

Geen tranen kunnen baten
Die “bloedwet”wil van ons,
Dat wij ons werk verlaten
Voor geweren en kanons.

De loting is een peste
Voor armen als wij;
De rijken zijn de beste,
Zij blijven toch vrij.

Al is’t dat wij nu zingen
En aan het drinken gaan,
Is ’t hart er “Lotelingen”
Toch vreselijk aangedaan

Van vader en van moeder,
Van tafel en van bed,
Van zuster en van broeder
Ontrukt ons die wet.

En als wij “exerceeren”
Zal menige rijke knol
Gerust zitten studeeren
In college of hogeschool

Wanneer zal eens verdwijnen
Die bloedwet uit ’t land?
Zij baart zoovele pijnen
En smart t’ allen kant.

Zij willen ons doen vechten
Voor “vorst” en Vaderland??!
Maar vragen wij onz’rechten
Dan bijten wij in ‘t zand

Voor ‘t “Vaderland (?)” te sneven
Zijn wij goed genoeg;
Voor ’t stemrecht ons te geven
Is ’t altijd te vroeg.

Ondanks dat wij nu zingen
En aan het drinken gaan
Is het hart der lotelingen
Zo vreselijk aangedaan.

Vereenigt u! o mannen,
Sluit moedig u aan;
Dan hebben de tirannen
Al spoedig gedaan.

 

Slotrefrein:

Dan is ’t voorbij 
Dat wij treuren,
’t Hart verscheuren;
Dan is ’t voorbij,
Dan is alleman vrij.

 

Op het einde van de negentiende eeuw kwam het lotelingsysteem zwaar onder druk te staan en dit niet enkel door toedoen van de opkomende democratische bewegingen maar ook door toedoen van het leger zelf. Na de Pruisische overwinning op Oostenrijk in 1860 werd in de meeste Europese landen het Pruisisch systeem van algemene dienstplicht overgenomen. In 1871 had de mobilisatie tijdens de Frans-Duitse oorlog nog maar eens geïllustreerd tot wat voor chaos het lotingsysteem aanleiding gaf. België was niet in staat geweest de rekruten van de voorbije 10 jaar bij elkaar te krijgen. De proleten uit de laagste klassen (veelal analfabeten) die de voorbije jaren onder de wapens waren geweest, waren bij gebrek aan vaste woonplaats grotendeels onvindbaar en het lotelingencontingent was ontoereikend geweest om alle taken te vervullen.

Koning Leopold II en een aantal generaals pleitten dan ook voor de invoering van de algemene dienstplicht. Het voorstel had echter geen kans om door het parlement van cijnskiezers te geraken die wel belang hadden bij het voortbestaan van het oude systeem. De meeste katholieken, de bisschoppen voorop, waren beducht voor de algemene dienstplicht, voor een instelling als de "krijgsmacht", die ontsnapte immers volledig aan hun controle. De rechtervleugel van de partij, geleid door Woeste, zag de plaatsvervanging zelfs niet als een sociaal onrecht en sommigen gingen zelfs zo ver te beweren dat het een vorm van sociale zekerheid was voor een aantal armen.

De eerste stap werd gezet na de zware sociale onlusten van april 1886. Generaal Vandersmissen, die aan het hoofd stond van de ordestrijdkrachten die de opstand in Henegouwen onderdrukt hadden, pleitte voor de invoering van de dienstplichthervorming en dit niet alleen om militaire maar ook om politieke en sociale redenen. Hij was van mening dat de loting afgeschaft moest worden opdat de socialisten ze niet meer zouden kunnen gebruiken in hun propaganda om hun algemene kritiek op de maatschappij kracht bij te zetten. De vrees bestond dat volksjongens zich bij het onderdrukken van sociale opstanden aan hun "plicht" zouden kunnen onttrekken. Bij een algemene dienstplicht kon het "plebs" beter gecontroleerd worden door de reserve-officieren uit de gegoede klassen en tegelijk kon ze meteen meer Belgisch patriottisme worden bijgebracht.

In 1886 stelde het onafhankelijke kamerlid d'Outremont voor de loting af te schaffen. Het voorstel werd met een nipte meerderheid afgewezen. In februari 1887 werd voor het eerst het (socialistisch) agitatieblad "De Loteling" verspreid met daarin ontroerende verhalen over wantoestanden in het leger en het droevige lot van de lotelingen. Een maand later wijdde de "Lotelingskring" haar vlag in.

Daarop prijkt voor het eerst een gebroken geweer, symbool van het antimilitarisme. Het succes van de kring was gering, geleidelijk werd de loting op het tweede plan geschoven en werd de nadruk gelegd op propaganda en opleiding. In 1899 ging de "Lotingskring" op in de "Socialistische Jonge Wachten".

Leopold II besefte dat er iets in gang gezet was, wat niet teruggedraaid kon worden. Uiteindelijk zou de loting pas in 1909 afgeschaft worden. Daarmee was België het laatste West-Europese land dat die stap zette!

 

Geraadpleegde bronnen: o.a.

  • Het soldatenleven 1830 – 1914 (Patrick de Wolf)
  • Heemkundige kring "De Drie Rozen" ('s-Gravenwezel)
  • Heemkundige Kring Boom
  • Conscriptie in de Franse tijd (Yvon Fonteyne, Heemkring "Ten Boome")
  • Loting in Londerzeel (Louis de Bondt)
  • Historische situering en analyse van politieke aspecten in het oeuvre van de negentiende-eeuwse
  • Gentse volkszanger Karel Waeri (Tinneke Bruyneel).

laatst bijgewerkt door Roland Doclo, 30-juli-2008