Conscience en De Loteling

Hugo Pas, juni 2008

Hendrik Conscience - Levensloop

In deze bijdrage gaan we in op de vraag "waarom" en ook "wat" er op dit ogenblik voor zorgt dat er nog steeds een ruime belangstelling inzonderheid voor de sociale aspecten van dit stukje geschiedenis bestaat.

Daarvoor kunnen we niet langs Hendrik Conscience, de man die voor ons de schepper is van de "mythe" van "De Loteling". Om goed te begrijpen waarom en waardoor Conscience zich zozeer aan deze figuur gehecht heeft moeten we eerst een korte levensloop schetsen.

Hendrik werd geboren in Antwerpen op 3 december 1812 als zoon van de uit het Franse Besançon afkomstige Pierre Conscience. Pierre Conscience was tijdens de Franse Revolutie een royalist en ook hij zou in 1798 kennis maken met de reeds genoemde "conscriptie". Hij moest dienst nemen in het leger van Napoleon. Na een zoveelste krijgsgevangenschap in Frankrijk en Engeland moest hij uiteindelijk aanmonsteren in Antwerpen en daar werken aan schepen van Napoleon.

Pierre zal huwen met Cornelia Balieu en zich vestigen in Antwerpen. Een van zijn kinderen, namelijk Hendrik had een zwakke gezondheid en vereiste de grootste zorgen. Moeder Cornelia overleed als Hendrik negen jaar oud was.

Na een opleiding en enkele lesopdrachten te hebben vervuld zal Hendrik zich als 18-jarige op 8 november 1830 op de Grote Markt in Antwerpen laten inlijven in het nieuwe Belgisch leger en een vrijwilligerscontract van 2 jaar tekenen. Hij deed dit om:

  1. aan het schoolleven te ontsnappen;
  2. aan het gezag van zijn stiefmoeder te ontsnappen;
  3. het vrijheidsideaal te dienen.

Na een felle discussie met zijn vader zal deze hem uiteindelijk toch een kiel, muts, sabel en gordel kopen en kon hij met zijn compagnie naar Oostmalle vertrekken.

Hendrik oefent in het leger diverse functies uit en in 1831 zal hij voor 5 jaar bijtekenen. Hij doorkruist met zijn compagnie in de periode 1830 – 1831 de ganse Kempen, de ene maal de Hollanders op de hielen zittend, de andere maal vluchtend voor de vijand.

Deze periode is voor hem, wegens zijn niet al te goede gezondheid, zeer belastend maar zij ligt toch mee aan de basis van zijn liefde voor de Kempen en zijn bewoners.

Conscience leidt na zijn legerdienst een zeer druk leven als schrijver, redenaar, lesgever, commissaris, conservator en als politicus. Op 9 februari 1857 zal Conscience, dan in Kortrijk verblijvend, als voorzitter fungeren bij de militaire lotingen in de kantons van het Arrondissement Kortrijk.

Conscience overleed in Elsene op 10 september 1883. Hij is een van de weinigen die tijdens zijn leven met een standbeeld (op Conscienceplein Antwerpen) werd gehuldigd op 11 augustus 1883, maar waarvan hij de inhuldiging wegens ziekte niet kon bijwonen.

Op 16 september 1883 werd zijn lichaam naar Antwerpen overgebracht en kreeg hij een plaats op het erepark Schoonselhof.

De Kempen

In zijn in 1858 verschenen boek "De omwenteling van 1830" beschrijft Conscience hoe hij, na een van zijn tochten begin 1831, zwaar ziek en volledig uitgeput, door zijn legerdokter verplicht wordt om onderkomen te zoeken bij de dorpsbewoners.

Weinigen waren geneigd een zieke soldaat op te nemen, maar uiteindelijk, na een lange nacht van aankloppen, wordt hij, bevroren en uitgeput, binnengelaten in een klein hutje op de heide in Berlaer op de steenweg naar Roslaer.

De jonge soldaat wordt door die arme lieden als een prins verzorgd in het bijzonder door de 17-jarige dochter Bethken. Tussen beide jonge mensen slaat de vonk over, maar … door de goede verzorging is de ziekte ook over en moet de jonge vrijwilliger zijn compagnie terug vervoegen.

Conscience zal op 21 mei 1836 het leger verlaten.

Zestien jaar na deze eerste ontmoeting zal Conscience terug naar Berlaer trekken op zoek naar het hutje en zijn bewoners, maar van beiden is geen spoor terug te vinden. Georges Eekhoud schrijft over deze gebeurtenis het volgende:

Uit deze idylle uit zijn soldatenleven is blijkbaar de vurige en zeer innige liefde voor "Bethken's" natuurlijke vaderland de Kempen mede ontsproten.

Uit diepe erkentelijkheid was het dat hij ons hun legende, hun drama's, hun pastorales vertelde, hun strohutten, hun heiden en hun bewoners roemde.

In "Intieme bladzijden uit zijn leven", vertelt Jef Crick het volgende over deze periode.

Het Kempenland, gaaf en fris, zoals het er ten tijde van de populaire schrijver nog uitzag: ziedaar het leidmotief dat zo wat al zijn werk zal kenschetsen.

Het verhaal van de Loteling leert ons tevens dadelijk hoe Conscience in het intiemste contact leefde met zijn volk, en zijn eigen indrukken en gewaarwordingen die hij van zijn verblijf in de Kempen meedroeg, dan telkens in zijn idyllische helden en heldinnen herleven deed.

Het afscheid dat hij zelf, als Belgisch vrijwilliger van 1830, aan de hut van Bethken met zoveel hartzeer meemaakte, heeft hij later, op de meest spontane manier, geschilderd in deze bladzijde uit De Loteling.

Daar, vóór de hutten, staat een schone man, met de gaanstok over de schouder geslagen en het pakje op de rug. Zijn anders zo levendige ogen dwalen nu langzaam rond; zijn aangezicht is kalm en alles schijnt stilte des gemoeds in hem te verraden, daar nochtans het hart hem hevig klopt en zijn borst in doffe hijgingen zwelt en daalt. De oude moeder houdt een zijner handen vast, en overlaadt hem met getuigingen der warmste liefde.

De oude vader en Trien zijn binnen, om het laatste toebereidsel tot de reis te maken; zij snijden een groot gat in een kramikbrood en vullen het op met boter. Daar komen zij met de voorraad ter deure uit en blijven nevens de jongeling staan.

Alles is gereed. Hij gaat vertrekken. Hij slaat zijn oog in het rond, ontmoet in één blik de ootmoedige hut, de heide en de bossen …

Daar valt zijn oog beurtelings in de ogen van allen … Hij slaat de hand voor het aangezicht, verbergt de traan die over zijn wangen rolt, en zucht onhoorbaar "Vaarwel".

Van verre zag hij Trien nog; hij boog het hoofd, want er sprongen tranen in zijn ogen; en nog dieper werd hij ontroerd als hij verder zich omkerende, het droeve kind tegen hun huis met het voorschoot voor het aangezicht zag staan.

De Conscience en het Bethken van 1830 zijn dus Jan en Trien geworden uit De Loteling.

Die genegenheid voor de Kempen en zijn bewoners zou Conscience blijvend vertonen door later dikwijls met familie en vrienden de dorpen en gehuchten te bezoeken waar hij als vrijwilliger vertoefd had. Ook in de moeilijke periodes van zijn leven zou hij steeds rust en veerkracht gaan zoeken in die Kempen.

Zijn inzet voor de Vlaamse taal

Als politicus zal Conscience in Antwerpen een vooraanstaande plaats innemen in de culturele en politieke strijd. Hierdoor liep hij zware ontgoochelingen op die hem zowel mentaal als fysiek kraakten.

Als jong idealist had hij mede de strijd aangebonden tegen de Nederlandse overheersing in de hoop dat Vlaanderen en de Nederlandse taal in het nieuwe België hun rechtmatige plaats zouden krijgen.

Ook hier volgt de ene na de andere ontgoocheling wat hem er toe dwong, samen met o.m. Jan en Theodoor Van Rijswijck, Jan De Laet, Jan Frans Willems, Ferdinard Augustijn Snellaert en nog vele andere jonge taal- en kunstliefhebbers, de strijd aan te binden.

Zij waren ervan overtuigd dat door de erkenning van de taal er ook een einde kon gemaakt worden aan de schrijnende sociale (wan)toestanden waarin het gewone volk leefde.

Op 18 mei 1837 verschijnt zijn eerste boek, tevens ook de eerste Vlaamse roman. Zijn vader is hierover zeer ontstemd omdat hij het werk in het Nederlands uitgeeft. Hij trekt thuis weg ! Enkele maanden later zal zijn vader deze beslissing aanvaarden.

Dit eerste boek "Het Wonderjaar" wordt door "Den Antwerpenaar" beschouwd als de eerste steen van het gebouw van onze nationale letterkunde. De inleiding van het boek is een krachtig betoog en vormt de grondlijnen van een Vlaams strijdprogramma.

Nu volgt een periode waarin regelmatig een nieuw boek verschijnt, o.m. "De Leeuw van Vlaanderen" in 1838.

Het vele werk vergt zijn tol en verplicht hem tot rust. Op 10 juli 1849 trekt Conscience met zijn gezin voor 3 maanden naar Schilde waar hij zijn intrek neemt in het Keizershof op de Turnhoutsebaan. Het is hier dat hij enkele belangrijke werken zal schrijven, die geïnspireerd werden door verhalen die hij in "zijn Kempen" had gehoord, zo o.m. "De Loteling", "Baas Gansendonck", "Houten Clara", enz.

De Loteling

Hendrik's dochter, Marie Antheunis–Conscience, schrijft over hun verblijf in Schilde in haar in 1912 uitgegeven boek "Enige bladzijden uit het leven mijns vaders" het volgende:

Toen ik in 1894, dus 45 jaren later, enige dagen in het Keizershof ging doorbrengen, hadden veel der oudste inwoners van Schilde Conscience's herinnering nog als een heiligdom bewaard. Enige stokoude mannen waaronder een zekere Kobe die mijn vader als model diende voor het beschrijven van de lustige knecht van Baas Gansendonck, kwamen mij in het Keizershof groeten en vertelden mij hoe zij zondagavond met Conscience onder de lindebomen gezeten, urenlang Vlaamse liederen zongen, die hij hun leerde en waarvoor hijzelf de woorden had gedicht.

Hij moet ze bemind hebben, de stille droomachtige Kempen, waar hij zovele zijner schoonste verhalen schreef. Men leze alleenlijk het voorwoord in "De Loteling" en ademt in de diepgevoelde woorden, die hij tot den lezer richt, de innige erkenning zijns harten voor dit zoete land zijner dromen.

"De Loteling" die ik in mijn geest durf beschouwen als het meesterwerk van mijns vader werken, werd evenals "Baas Gansendonck" in het Keizershof geschreven.

Het verhaal van "De Loteling" zou hij bij een van zijn lange wandelingen in het Boshuisje in Zoersel hebben opgetekend. Het boek "De Loteling" zal op 13 juni 1850 verschijnen en Conscience draagt het op aan de toenmalige burgemeester van Schilde, de heer Evarist van Cauwenberghs, en dit "ten bewijze mijner bijzondere achting en vriendschap".

Het boek kende grote bijval omdat het verhaal zo dicht stond bij de mensen en ze er hun situatie in herkenden.

Internationale erkenning

Ook in het buitenland was men niet ongevoelig voor het verhaal van "De Loteling" want slechts 3 weken laten verscheen reeds een Duitse vertaling "Der Rekrut – aus dem Flämischen übersetzt von Philip Gigot".

Op 6 februari 1851 schrijft de "Amsterdamse Maatschappij voor fraaie Kunsten" een prozawedstrijd uit voor een volksroman – met als opdracht – "in de trant van De Loteling van Hendrik Conscience". Er verschijnt reeds een tweede druk.

In 1952 verbleef Alexandre Dumas als banneling in Brussel. Ook hij was getroffen door dit verhaal en distilleert uit de "De Loteling" een drieledig werk onder de titel "Dieu et Diable". Conscience's vrienden zetten hem er toe aan een klacht voor plagiaat in te dienen. Hij weigert en Dumas zal zijn waardering uitdrukken door de titel te wijzigen in "Conscience l'Innocent" (Bruxelles – Livourne – Leipzig 1852). Dumas schrijft zelf dat hij door Conscience's boek diep was getroffen en dat hij er 2 hoofdstukken aan had ontleend. Terug in Parijs publiceerde Dumas in zijn blad "Le Mousquetaire" de volledige Franse vertaling. Conscience's naam was daarmee gemaakt in Frankrijk en er volgden meerdere vertalingen van zijn werken.

Op 2 april 1855 ontvangt Conscience de vijf-jaarlijke staatsprijs voor o.m. "De Loteling", "Baas Gansendonck", "De Boerenkrijg", allemaal werken verschenen in de periode 1850 – 1854.

We schreven reeds dat Conscience ook in het buitenland veel waardering genoot. Daarom citeren we nogmaals zijn dochter:

In 1867, op een internationaal letterkundig congres te Gent, ontmoette mijn vader tal van Franse letterkundigen zoals: Victor Hugo en Alexandre Dumas en vele andere waarmee hij gedurende vele jaren in briefwisseling bleef.

Conscience nodigde hen ook uit bij hem thuis.

Ik zag mijn vader van verre aankomen door twee heren vergezeld. De oudste dezer was Victor Hugo, met wie mijn vader een sterke gelijkenis had. De jongste was Alexandre Dumas, de lustige verteller, wiens schallende stem men reeds in de verte kon horen.

Na een avond van vertellen en praten ging het drietal 's anderendaags buiten de stad wandelen. Zoals Dumas aan mijn moeder had beloofd verzorgde hij het middagmaal, nl Brandade de Marie, Bouillabaisse, Cassoulet, enz.

Maar ook het afscheid kwam en Conscience's dochter schrijft:

Ik vergezelde mijn vader naar de statie om de schrijvers uitgeleide te doen, en zag hoe ontroerd beiden waren toen zij mijn vader in de armen drukten. Victor is nadien nog bij ons geweest maar den levenslustigen Dumas zagen we nooit meer weder. Later heb ik dikwijls gedacht dat hij in de persoon van Dartagnan, een der Mousquetaires, zichzelve had beschreven.

De loting - sociaal en politiek

Om ons loteling verhaal terug op te nemen, Hendrik Conscience kende dus zeer goed het fenomeen van de loting en de daaruit voortvloeiende sociale problematiek.

Zoals gezegd in het eerste deel van deze brochure was de Boerenkrijg een eerste massaal verzet in onze contreien tegen de loting. Ook dat verzet zou Conscience in zijn boek "De Boerenkrijg" (4 augustus 1853) behandelen omdat de "weerstanders" lotelingen waren.

Hij situeert het verhaal weerom in zijn geliefde Kempen, nl. in de fictieve gemeente Waldeghem, ergens achter Turnhout. De Franse troepen waren in aantocht en met vlagjes gaf men vanuit de windmolen signalen over de veiligheid van de ondergedoken lotelingen. We citeren hierover uit "De Boerenkrijg":

Natuurlijk was het vaantje op den molen verschenen, of men zag opeenvolgend enige hoofden uit het omstaande kreupelhout zich verheffen en naar alle zijden met mistrouwen rondkijken. Het waren de gevluchte lotelingen, die, ofschoon in de "conscriptie" gevallen, weigerden de wapens als soldaten in de Franse legers te voeren.

Tot dan had er in België geen wet bestaan, waardoor iemand kon gedwongen worden soldaat te worden; de legers waren er altijd uit vrijwilligers samengesteld geweest.

Ook van al de slagen, door den vreemdeling aan onze onafhankelijkheid toegebracht, was er geen, die onze vaderen meer wondde en verbitterde dan die zogenaamde "conscriptie".

Conscience's historische betekenis

Zelfs zonder rekening te houden met Conscience's inzet voor de Vlaamse gemeenschap door zijn aandeel in de politieke bewustwording, het "Petitionnement" van 1840, de Grievencommissie enz, kunnen we stellen dat "zelfs enkel" zijn literair werk van uitzonderlijk belang is geweest en een zeer grote invloed heeft gehad op de ontvoogding en bewustwording van ons volk.

Alle historische feiten in zijn boeken werden door hemzelf nagetrokken op juistheid. Daarmede en door deze verhalen in de zo achtergebleven Kempen te situeren kon hij er de mensen toe aanzetten leergierig te worden. We mogen dus blij zijn dat hij Schilde uitkoos als toevluchtsoord als het hem zwaar werd.

Slotwoord

Om deze bijdrage te besluiten, hierbij de slottekst uit "De Boerenkrijg" waarin Conscience zijn gesprek (en de daarbij horende zedenles) neerschrijft dat hij had met de weduwe van een van de eerste lotelingen die de wapens tegen de Franse overheersers opnam.

En zo was het beklaaglijk einde onzer poging… Men heeft sedert dien tijd van de Brigands gesproken als van een hoop lafhartige dwepers.

Hadden zij gezegepraald en het vaderland zijne vrijheid behouden, men zou hunnen heldenmoed als enen nationalen roem doen gelden en er op zwetsen. Nu zeggen 's lands geschiedenissen geen woord van de arme Brigands, die hun bloed bij stromen voor de gemene onafhankelijkheid durfden vergieten, toen de steden hoffelijk het hoofd bogen voor de vreemde dwingeland. Nu durft niemand der nog levende patriotten bekennen dat hij deelnam aan den heldhaftigen oorlog.

Het is dus alleenlijk het geluk ener zaak, die haar goed en rechtvaardig in de ogen der menschen maakt? De bezwijkende deugd moet zich schamen voor het zegepralend kwaad?

God daarboven weet het beter. Hij zal iedereen oordelen, niet volgens de uitslag zijner daden, maar volgens het inzicht, dat hem bij het plegen zijner daden heeft bezield.


laatst bijgewerkt door Roland Doclo, 30-juli-2008